De hondenschool
Column door Annelies Verbeke (6 augustus 2018)
Alle verhalen in De Hondenschool van Edina Szvoren (vertaald door Frans van Nes) hebben 'het gezin' als thema en de meeste worden verteld vanuit het perspectief van een kind. Dat schept op zich al een grote eenheid in deze bundel van een auteur die in Hongarije herhaaldelijk werd bekroond en in 2015 de EU-Literatuurprijs won.

Een bijzondere en herkenbare stem heeft ze zeker. Een die zich niet zo makkelijk laat typeren ook. Veel van wat we lezen is een monologue intérieur waarbij de gedachten grillig over elkaar heen duikelen, vaak schijnbaar zonder oorzakelijk verband: 'Misschien omdat hij niet van zijn vrouw had gehouden, zoals Moe niet van Vader hield. Daar was ook niets van te zien. Vredig hadden ze aan de tafel gezeten en Vader had zelfs geglimlacht toen ik zei dat de boter aan Moes mes eerder zacht werd. Omdat je het alleen aan Moe kunt merken als ze van iemand houdt. Toen ik mijn enkel geblesseerd had, had ze haar bankpasje in de geldautomaat laten zitten.' Je moet even nadenken over hoe deze zinnen toch met elkaar te maken hebben, en dat zoeken vind ik prettig.

Die mate van ondoorgrondelijkheid maakt Szvorens verhalen intrigerend, maar maakt het lezen na enkele verhalen soms ook wat vervelend, voornamelijk omdat ze in elk verhaal dezelfde opvallende stijl hanteert. Ik eis van literatuur dat de lezer meer te doen heeft dan hapklare brokken naar binnen werken, en dat is bij De Hondenschool zeker het geval. Toch had ik hier vaak het gevoel dat iets me was ontgaan, gevolgd door het vermoeden dat er niet meer te vinden was, dat ik met een trucje om de tuin werd geleid. In het langste verhaal in de bundel 'Het is er niet, en laat dat ook maar zo' kon ik niet achterhalen wat alle verschillende vertelperspectieven met elkaar te maken hadden. Dat kan ook aan mij liggen, natuurlijk. Toen ik in het verhaal 'De dood van Em' een duidelijke verwijzing naar het eerste verhaal - 'Vlek' - terugvond, vroeg ik me af of ik eerdere verbindingen tussen verhalen had gemist. Dat je achterblijft met de gedachte dat je een boek nog eens zou moeten lezen, is op zich positief, maar hier liet ik dat herlezen op enkele verhalen na toch achterwege, omdat ik teleurstelling vreesde.

Waar ik Szvoren heel sterk in vind, en vaak ook grappig, is de manier waarop ze personages kort introduceert. Ze licht er dan een aantal eigenschappen uit die de doorsnee observator niet zou zien of onbelangrijk zou achten, maar die op haar grillige manier achter elkaar geplaatst toch veel over iemand prijsgeven. Bijvoorbeeld: 'De jongeman had rechten gestudeerd aan een universiteit die onder de kerk viel. Tegenwoordig liep hij bij een logopedist om zijn uitspraak te verbeteren. Hij geloofde dat je als politicus best een balletje kon trappen, zolang je maar geheimhield dat je homo was.' Of: 'Mijn moeder is verzot op vissen, ze is trots op al haar onvrouwelijke eigenschappen.'

Ook de diepmenselijke inzichten die hier en daar uit de tekst springen, maken Szvorens verhalen het lezen waard. 'Wie moe geboren is, zoekt geen rust, maar een excuus voor die moeheid', staat er ergens. Bij het zien van beschilderde plastic visjes die als aas worden gebruikt, bedenkt iemand: '... de goedkope arbeidskrachten hadden er zelfs vage mimicryvlekken op aangebracht - ik ben ziek van de uitgekooktheid van de wereld.' Of een frustratie die de meeste mensen wel eens zullen hebben ervaren: 'Ik heb geen flauw idee hoe ik verslag moet doen van mijn kwelling, die niet in de details zit, maar in het geheel.' En een die me nog steeds bezighoudt: 'Doodsangst lijkt op schuldbesef. Het is immers net alsof ik verlang naar datgene waar ik bang voor ben.' Deze citaten doen al vermoeden dat het in de families die Szvoren neerzet en in de hen omringende wereld niet allemaal even lieflijk aan toegaat. Vaak zoekt ze de extremen op: een moeder laat haar dochter beloven dat ze nooit vriendinnen zal hebben, een andere moeder rijdt met haar rolstoel over de hand van haar kind. Een dronken man beveelt een jongetje om voor hem te knielen, een ander kind wordt gekidnapt. En dan is er hier en daar een beschrijving die een meer alledaagse gezinsverhouding schetst, zoals 'Als ze op de tribune zat, verloor ik altijd. Ze wilde te graag dat ik zou winnen, omdat mijn vader haar had verlaten.' Of: 'Ik noemde onze zoon steeds vaker mijn zoon.'

Interessant dat het eindverhaal een hoofdpersonage heeft dat als enige in de bundel buiten het gezin staat. Buiten de maatschappij zelfs. Het gaat om een zieke vrouw, die net naar een woonblok is verhuisd en niet buiten mag komen. Wanneer ze dat toch doet, wanneer ze tussen de moeders bij het speeltuintje gaat zitten, wordt haar gewezen op een bordje dat aangeeft dat je er zonder kinderen niet welkom bent. Verdreven, trekt ze zich terug op haar balkon, van waaruit ze de mensen bekijkt die ergens bij horen, maar niet gelukkig zijn. Zelf haalt ze vreugde uit haar stoel, die lekker zit.
Delen
Koppelingen
Meer columns
Heil mijn collega Hitler Door Rodaan Al Galidi (18-09-2018)
Dagen van inkeer Door Annelies Verbeke (05-09-2018)
Talent en ervaring Door Rodaan Al Galidi (27-08-2018)
Boeken over boeken Door Rodaan Al Galidi (31-07-2018)