Knopen
Column door Annelies Verbeke (30 april 2018)
Gunnhild Øyehaug schreef Knutar in 2004. In 2012 werd het boek, aangevuld met enkele nieuwere verhalen, heruitgegeven als Knutar+. Een doorbraak buiten de Noorse grenzen kwam er - zoals dat gaat - pas toen vorig jaar de Amerikaanse vertaling lovend werd onthaald, ondermeer door Lydia Davis, met wie de Noorse auteur veel gemeen heeft. Nu is Knopen, vertaald door Paula Stevens, het eerste boek dat we van Øyehaug in het Nederlands kunnen lezen.

Øyehaug, die zelf debuteerde met een dichtbundel, kiest als motto voor Knopen twee regels van de dichter Christophe Tarkos: 'Een van beide; ofwel de spiraal / ofwel de lucht in geslingerd worden'. Dat blijken in de wereld die ze neerzet inderdaad de mogelijkheden. Al zijn er ook opvallend veel van haar personages die vallen. Ze glijden uit, of struikelen. Of gaan zonder vallen op de grond liggen. De zwaartekracht blijkt sterk. Dat is al zo in het eerste verhaal 'Mooi en mild', waarin een man zo hardnekkig opgaat in de aanvang van een positieve spiraal, dat we snappen dat hij depressief is. Als deze man ten val komt op de trappen van de IKEA probeert hij daar mee om te gaan met Baudelaires theorie van de lach in het achterhoofd. Die zegt dat het nooit degene die valt is die lacht, maar degene die langsloopt en dat ziet, 'tenzij degene die valt filosoof is en in staat is te reflecteren over zijn val, in staat is zichzelf van buitenaf te zien.' De man denkt dat hij dat kan, de lezer niet. De enige blik die in staat is hem te zien en de zachte glimlach die volgt zijn uiteindelijk die van zijn bezorgde vrouw. Na het eerste van de zesentwintig verhalen in deze bundel, begrijp je al: bij deze auteur geen spot zonder ontroering, geen humor zonder pijn, geen spiraal zonder vervolgens de lucht in geslingerd te worden.

Er staan veel verwijzingen naar het werk van beroemde auteurs en filosofen in deze verhalen. Toch krijg je geen moment de indruk dat de auteur, die ook literatuurprofessor en recensent is, haar kennis tentoonspreidt. Want hoezeer sommige personages zich ook vastklampen aan boeken, telkens weer eist het oncontroleerbare leven bestaansrecht op, en dit met grote waarachtigheid. Er zijn boosheid en twijfel, ontrouw en mislukkingen. En er is 'een smeulend, grenzeloos verlangen' naar versmelting en ware liefde, dat zichzelf kritisch onder de loep neemt, maar telkens weer opduikt, soms gegêneerd, soms jubelend. Het zijn heel menselijke mensen die Øyehaug neerzet. 'Goede mensen, en dan maken ze er toch een beetje een zootje van, hier in het leven', zo besluit ze haar verhaal 'Trapeze'.

Die menselijkheid blijft overeind in haar meest surrealistische verhalen, zoals 'Kleine knoop', over Kåre en zijn moeder, die tot voorbij de dood met de navelstreng aan elkaar verbonden blijven - letterlijk. De buitenaardse wezens in haar grappige uitstapjes naar science fiction zijn overdreven herkenbaar. En we voelen ook mee met het hert in 'Het hert aan de bosrand'. Niet opvallen is essentieel voor een hert, weet het hert, maar zijn gevoelens zijn anders: 'Ik sta open voor blikken, voor schoten. Als er nu niet snel iemand is die me ziet staan, doe ik iets drastisch, ik meen het. Ik voel me nu opgesloten in mijn hert-zijn.'

Øyehaug experimenteert inhoudelijk en vormelijk. Twee van haar verhalen zien eruit als theatertekst, met voornamelijk regieaanwijzingen. Twee bevatten voetnoten die zelf verhalen zijn. Ze blijft ingaan op een stukje zin dat ze heeft gelezen, een beeld dat ze zich bij iets heeft voorgesteld. Deze verhalen steunen op een helder en weerbarstig intellect, iets prettig onbeschaamds ook; terwijl ze de hindernissen van het leven niet zonder ironie en ontroering erkent, bewerkstelligt Øyehaug een energiek soort bevrijding, alleen al door de menselijkheid - zowel via het verlangen als via de ontgoocheling - in de ogen te kijken.

Het laatste verhaal, 'Twee aan twee', langer en klassieker dan de rest, is een van de meest volmaakte korte verhalen die ik ooit las. De gebeurtenissen zijn nochtans niet nieuw: een vrouw wordt bedrogen door haar man, ze hebben een kind, er is razernij, er is berouw. Maar hoe veelzijdig, gelaagd en precies vertelt Øyehaug dit verhaal! Het kind droomt symbolisch. De minnares wordt gevloerd door onmacht. En dan de neiging van de vrouw - die veel leest - om overal symbolen in te zien: de driehoek van sneeuw op de voorruit, de weg die ze heeft vrijgemaakt die weer ondersneeuwt. De literaire symbolen en metaforen beu, kwakt ze Ted Hughes' dichtbundel tegen de muur, want er is geen spoor meer van de aanvaarding die hij bij haar opriep. De literatuur schiet tekort, het leven is sterker. En dan is het de auteur die het echtpaar een symbool schenkt en een huwelijk redt, voorlopig.

Foto: Alex Salinas
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer columns
Een vleesgeworden Alice in Wonderland Door Annelies Verbeke (01-10-2018)
Heil mijn collega Hitler Door Rodaan Al Galidi (18-09-2018)
Dagen van inkeer Door Annelies Verbeke (05-09-2018)
Talent en ervaring Door Rodaan Al Galidi (27-08-2018)
De hondenschool Door Annelies Verbeke (06-08-2018)