'De humorbeleving in Nederland is waarschijnlijk wat losser'
Interview met Bov Bjerg
Door Guus Bauer (14 maart 2017)
Het goede voornemen van elke nieuwe generatie: we gaan alles anders, lees: beter, doen dan onze ouders. Een nobel streven dat vrijwel altijd gedoemd is te mislukken. Het Duitse multitalent Bov Bjerg (1965, pseudoniem van Rolf Böttcher, naast schrijver onder meer kok, toneelspeler, cabaretier, taalwetenschapper en politicoloog) heeft met de roman Auerhaus de ‘strijdkreet’ van de jeugd in een frisse taal weten te vangen, zonder direct heel populair te klinken.

Een boer in het Duitse dorp waar het verhaal zich afspeelt, verhaspelt een paar woorden uit een hitje dat net op de radio wordt gedraaid in de kersverse woongemeenschap van zes jongeren: Our house van Madness. Auerhaus zal de ‘verzetshaard’ vanaf dat moment heten. De toon van de tijd is gezet. De jaren tachtig met de dienstplicht, het cassette bandje en de videorecorder. Geen wonder dat Bjerg de gesteldheid, de dunne lijn tussen hoop en vertwijfeling zo onopgesmukt kan neerzetten. Hij put uit de periode die ook hém heeft geblinddrukt, getuige ook zijn voorafje: alle personen zijn verzonnen, alle handelingen verjaard. De schrijver die ordent, die indrukken samenvoegt of juist uiteenrijt, die een geloofwaardig mozaïek legt van een afgebakende tijd.

Vechten voor een ideaal
‘Ik heb geprobeerd om de tijd zo spaarzaam als mogelijk in te kleuren. Het boek speelt in de jaren tachtig, maar dat is voor mij niet het zwaartepunt. Ik strooi niet met merknamen, met typische gerechten uit die tijd of met popsongs – op dat ene nummer van Madness na. Ik heb niets met nostalgie. De enige reden dat het in de jaren tachtig speelt, is dat ik toen zelf de leeftijd had van de personages. Dat geeft waarschijnlijk een vleugje authenticiteit aan de tekst. Ik heb eerst geprobeerd om het in het heden te laten spelen, maar merkte toen dat ik eigenlijk niet goed weet hoe de jeugd nu functioneert. Het verhaal over een woongemeenschap die “buiten de wereld” staat liet zich bovendien niet op die manier vertellen door de huidige technische ontwikkelingen. Iedereen zou met z’n mobieltje aan het spelen zijn. In het Auerhaus is zelfs geen vaste telefoon. Ze gebruiken de telefooncel op het plein.’

‘Je zou de roman hoogstens semi-autobiografisch kunnen noemen. Het speelt in het dorp waar ik ben opgegroeid, maar ik heb de omstandigheden aangepast aan het verhaal. Ik heb zelf in een commune gewoond, gelijk nadat ik eindexamen heb gedaan, maar er is veel weggelaten, omgegooid en bijgehaald. Alles in het belang van waar het werkelijk om draait: jongeren die telkens weer een “betere” levensvorm proberen te vinden. De ware schoonheid ligt in het feit dat men zich heeft proberen te verweren. Het vechten voor een ideaal, hoe tevergeefs het ook moge zijn.’

Cabaretier
‘Er wordt overal gemeld dat ik cabaretier ben. Dat klopt wel en niet. Ik speel geen typetjes, lees uitsluitend op het toneel puntige teksten voor, polemische dialogen bijvoorbeeld. Ik kreeg het stempel omdat we voor deze vorm de Duitse cabaretprijs kregen. Er is op zich niet zoveel verschil tussen iemand die op deze wijze cabaret maakt en een schrijver. Hoogstens is de spanningsboog in een roman groter. Men zegt dat het moeilijk is om humor te laten werken in een boek, maar ik vind het moeilijker om voor het toneel te schrijven. Op het toneel moet je elke paar zinnen een sterke clou hebben, in een boek kun je volstaan met duidingen, suggesties, kun je subtieler te werk gaan, de oplettende lezer plezieren.’

‘Ik heb geprobeerd om het geheel zo oraal als mogelijk te vertellen. De lezer moet het idee hebben dat het verhaal op dat moment door Höppner wordt aangedragen. Ook al is het natuurlijk gestileerd. Waarschijnlijk denken daarom veel lezers dat het in een soort jeugdtaal is geschreven. Dat klopt niet. Ik heb gestreefd naar een universeel idioom. Wanneer ik taal uit de jaren tachtig had gebruikt, had direct al een gedateerdheid over de tekst gelegen. Als ik had geprobeerd om de huidige jeugdtaal te benaderen, was die over een jaar of twee ook al weer antiek geweest. De ontwikkeling in de gesproken taal is niet bij te houden.’

Grappen over de nazitijd
‘Ik maak grappen over de nazitijd. Bedenk dat in de jaren tachtig de erfenis van de Tweede Wereldoorlog nog heel erg aanwezig was. Die stukken kwamen eigenlijk als vanzelf. In ben in de jaren zeventig in de buurt van Stuttgart naar de middelbare school gegaan. In die tijd was Hans Filbinger minister-president van Baden-Württemberg. Tijdens de nazitijd was hij rechter en was betrokken bij omstreden doodvonnissen. En dat was dan onze “landsvader”. Zoiets werpt natuurlijk een enorme slagschaduw. Naast de stevige grappen die ik over die tijd maak, neem ik ook bijvoorbeeld Goethe en zijn jonge Werther op de hak. Bij voorleessessies lachen vooral mensen van mijn eigen generatie. De rest houdt de kaken stijf op elkaar, is misschien ook bang om het “niet goed te begrijpen”. Bij een lezing in Groningen voor leden van een leesclub die het boek in het Duits hadden gelezen, had ik een prettige, maar ook wat bevreemdende ervaring. Ze reageerden op passages die altijd al geestig waren bedoeld, maar waar in Duitsland nog nooit iemand maar om had geglimlacht. De humorbeleving in Nederland is waarschijnlijk wat losser.’

Solidariteit
‘Behalve Cecilia, het meisje uit goede kringen dat zich meer voor de vorm aansluit bij de woongemeenschap, heeft niemand van de bewoners thuis een goed voorbeeld voor een andere invulling van het leven. Geen van de ouders hebben gestudeerd, hebben zelfs geen eindexamen gedaan. Een aantal van de jongeren heeft het gymnasium succesvol doorlopen. Hun toekomst is volstrekt open, nieuw, losgekoppeld van de welbekende sleur van geboorte, school, werk, dood.’

‘De jongeren zijn samengekomen om hun vriend Frieder een veilig tehuis te geven nadat hij uit de psychiatrische instelling is ontslagen. Maar het is geen zuiver altruïsme, dat zou ook saai zijn. Natuurlijk heeft iedereen ook zijn eigen beweegredenen. Wanneer ze samenwonen ontstaat solidariteit ten opzichte van de buitenwereld. Natuurlijk zijn er conflicten en loopt het uiteindelijk niet goed af, maar niemand wordt gedwongen om zich aan te passen. Ze leven allen met hun eigen makken.’

‘Ik heb allereerst een cliché-einde ingebouwd. Alle zes de jongeren komen goed terecht, zijn gaan studeren en hebben een goede baan gekregen. Huisje, boompje, beestje. Ik wilde me weren tegen het fatalisme. De lezer die een happy end wil, de burgerlijkheid die uiteindelijk overwint. Vervolgens heb ik de verteller de realiteit laten schetsen. Ook wanneer alles compleet verkeerd is afgelopen, was het juist wat ze hebben gedaan. Zonder pogingen rest slechts de lethargie.’

Voorlezen
‘De roman is chronologisch geschreven totdat Frieder de boel op stelten zet door uit het raam van hun auto bij het stoplicht met een wapen naar een politieauto te zwaaien. Een nepwapen, zoals later duidelijk wordt. Ik heb Höppner alleen maar een hint over deze gebeurtenis laten geven. Pas verderop in de roman wordt het via een krantenartikel verklaard. Een zijdelings effect dat ik grappig vind. Het geeft daarnaast een extra stuk spanning. Het heeft me veel moeite gekost om dat vloeiend in de tekst in te bouwen. Het mocht geen truc zijn, geen onrijpe literair-esthetische ingreep. Ik heb het krantenartikel vele malen herschreven, het ingekort, het uiteindelijk bij een moeder in de mond gelegd. Ik besefte dat ik ook de herinneringen van Höppner rond de gebeurtenis erin moest verwerken. De ultieme test is het hardop voorlezen, eerst voor jezelf en dan voor een publiek. Dan merk je wat werkt en wat niet werkt.’

Makkelijk lezen is hard schrijven
‘Ik ben geen liefhebber van het schrijven op zich. Dat is geen koketterie. Makkelijk lezen is hard schrijven. Het schaven naderhand, het verfijnen doe ik wel graag. Het komt tenslotte ook de tekst ten goede. Ik heb geprobeerd om de tekst toegankelijk te maken, maar wel zo dat het op verschillende manieren, op verschillende niveaus te lezen is. Ik werkte met veelzeggende details. Ik heb zelfmoord in mijn omgeving meegemaakt, heb ervaring met mensen met psychiatrische problemen, maar ik wilde clichés vermijden, geen slappe metaforen. Het is vreselijk moeilijk om depressies waarachtig te beschrijven. Ik heb het in verzwijgen gezocht. Ik wilde in deze roman een situatie schetsen, een beeld laten zien zonder commentaar te leveren.’

‘De media pakken vooral entertainment-literatuur op, met een beetje geluk krijgt een wat meer diepgravend boek ook de aandacht die het verdient. Dat stond mij ten tijde van mijn debuut zo tegen, dat ik toen een heel doorwrochte roman heb geschreven. Het is me goed gelukt om mijn kont tegen de krib te zetten. Er zijn er een paar honderd verkocht en de rest van de oplage van zevenhonderdvijftig zijn “omgekomen” tijdens een brand in de opslag. Een waar collectors item.’

Foto 1: Milena Schlösser
Foto 2: Gaga Nielsen
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)