Interview met A.S. Byatt
‘Ik denk dat emoties veel sterker zijn als je ze verzwijgt’
Door Fleur Speet (3 juni 2010)


In haar kloeke roman Het boek van de kinderen zoomt A.S. Byatt in op de laatste jaren van de negentiende eeuw en de eerste van de twintigste. Het optimisme en het feeërieke van de tijden waarin socialisme, feminisme en fabianisme welig konden tieren, vindt een bruut einde in WO I. Het leven van vrijwel alle kinderen die we volgen in het boek, blijkt verwoest door deze oorlog. In een paar pagina’s serveert Byatt al het lieflijke van 700 bladzijden af. ‘Eén bezetene doodde al die jongens en beroofde vele vrouwen en hun kinderen van hun toekomst,’ verzucht ze in het interview met haar donkere stem.

De meest gestelde vraag is denk ik waarom u bij interviews toch steeds met die enorme rol plakband speelt.
‘Dat heeft met concentratie te maken. Als ik schrijf, frummel ik ook met zo’n ding terwijl ik nadenk. Dan trek ik er een stukje af en plak het op m’n hand, maar dat gaat tamelijk onbewust. Ik gaf een keer college aan Duitse en Franse meisjes. De Franse meisjes waren allemaal aan het breien. Daar moesten de Duitse meisjes nogal om lachen. Maar uiteindelijk waren het de Franse meisjes die de intelligentste vragen stelden. Zij waren het meest oplettend, juist omdat ze iets om handen hadden. Zo werkt dat bij mij ook.’

Dan naar het boek. Dat draait eigenlijk vooral om overspel?
‘In feite wel, dat was de keerzijde van al dat optimisme en die vrijheid. Maar dat kon alleen maar bestaan in de upperclass vlak na de Victoriaanse tijd: die kon zich vrijheden permitteren zoals het opvoeden van kinderen die niet van hen waren. Gezinnen waren geregeld samengesteld, het waren uitwaaierende eenheden. Sommige mensen maakten zich daar wel zorgen om, zoals de kunstenaar Lytton Strachey van de Bloomsbury Group, maar vaak hanteerden die dan weer een dubbele moraal; vrouwen moesten mannen niet zo verleiden. Dat mannen vreemdgingen, was vanzelfsprekend. In zeker opzicht is die tijd vergelijkbaar met de jaren zestig, waarin opnieuw een seksuele vrijheid losbarstte die velen juist beknelde. Het was geen vrijheid om te laten zien dat je vrij was.’

Het boek is behoorlijk feministisch, niet alleen door Olivia Wellwood die kinderboeken schrijft, maar ook door de vrouwen van de volgende generatie, die arts worden, hun kind alleen opvoeden of de barricaden op gaan voor het vrouwenkiesrecht. Toch zou ik u nooit een feministe durven noemen.
‘Ik ben geen missionaris, inderdaad, ik heb eerder een koudwatervrees voor het feminisme. Toen ik studeerde aan de universiteit werd literatuur niet geanalyseerd op stijl en structuur, maar op het feministische gehalte. Er waren geweldige vrouwelijke auteurs, zoals George Eliot, naar wie alle aandacht naar uit ging omdat ze vergeten zouden raken. Vervolgens werden er boeken verdoemd, omdat de man-vrouwverhoudingen er niet gelijk in waren. Er kwam een zwarte lijst. Maar hoe kun je nu iets over literatuur te weten komen als je meer dan de helft van de auteurs buiten beschouwing moet laten? Dat is waanzin. Shakespeare bijvoorbeeld was taboe, maar hij schrijft over wezenlijke menselijke problemen en biedt de lezer een geweldig genoegen. Je werd verfoeid wanneer je mannelijke auteurs las. Daarom háátte ik de feministische literatuurkritiek. Die sloeg alles dood.’

Bent u daarom ook zo gekant tegen de Orange Prize, die alleen aan vrouwelijke auteurs wordt uitgereikt?
‘Ja, precies. Die prijs komt voort uit dezelfde verongelijkte hoek. De prijs is in het leven geroepen omdat ze vinden dat vrouwen niet net zo goed kunnen schrijven als mannen. Dat is de achterliggende gedachte. Dat is toch zot? Daarbij kent onze literatuur van oudsher ontzettend veel geweldige vrouwelijke auteurs, we zijn rijkelijk bedeeld. Ik zat in de jury van de Booker Prize en een vrouw won dat jaar.’

De laatste jaren lijkt er iets te veranderen, steeds meer vrouwelijke auteurs krijgen een literaire prijs toegekend. Maar is dat niet ook omdat de Orange Prize al die jaren op die blinde vlek heeft gewezen?
‘Nou, de Orange Prize is pas in 1995 opgericht, toen de kentering al bezig was. Ze begonnen dus op een heel vreemd tijdstip. Ik denk wel dat vrouwelijke auteurs zichtbaar gemaakt moesten worden. Toen ik in februari dit jaar mijn eredoctoraat kreeg in Leiden, een geweldige gebeurtenis, was de hele universitaire goegemeente die in de banken zat mannelijk. Dat zegt wel iets, alleen maar mannen in prachtige gewaden. Je leert tijdens je studie ook mannelijk denken en literatuur beschouwen, dat is ook waar. Of zijn vrouwen pas de laatste jaren zoveel beter gaan schrijven? Met zo’n suggestie spreek ik mezelf tegen, dat snap ik. Het is ook best ingewikkelde materie. Natuurlijk zie ik wel dat vrouwelijke auteurs lange tijd nauwelijks aandacht kregen, ook al schreven ze geweldige boeken. Maar het is ook perceptie. Waarom heeft niemand het over de vorige generatie vrouwelijke auteurs, uit de jaren zeventig, waar kanonnen als Iris Murdoch deel van uitmaakten? Er wordt nog nauwelijks naar hen gerefereerd. Maar zeg, wat maak je dan van Hilary Mantel, die een enorme bestseller schreef, de Booker Prize won en die dit jaar op de shortlist voor de Orange Prize staat?!’

Bestsellers van vrouwen zijn altijd in het verdomhoekje van de makkelijke literatuur gedrukt. Dat zou niets zijn. Dan is het toch goed als Mantel met Wolf Hall geweldige literatuur blijkt te hebben geschreven, die desondanks een bestseller kan zijn? De Orange Prize is toch geen prijs voor zieligerds?
‘Dat is waar, daar heb je een punt. Maar het gaat in essentie niet om mannelijk of vrouwelijk. Het gaat om het soort literatuur die je ligt. Middlemarch van George Eliot is voor mij een groot voorbeeld, net als het werk van Thomas Mann en Dostojevski. En ik vind het werk van Virginia Woolf echt verschrikkelijk. Ze was zo egoïstisch, ze keek zo op anderen neer. Haar werk gaat niet over medemenselijkheid, het is vilein.

Maar eerlijk is eerlijk, door de tien jaar onderzoek voor Het boek van de kinderen heb ik geleerd hoe moedig de eerste feministen in Frankrijk en Engeland waren. Plotseling wist ik van alles over deze beweging waar ik eerst niets van wist, dat heeft me enorm veel plezier verschaft. Ik had er geen idee van hoe moeilijk het voor hen was en wat ze werkelijk doormaakten. Hoe ze in de gevangenis raakten, zich vastketenden. Nu kijk ik terug op die vrouwen en denk: zij hebben ervoor gezorgd dat ik mijzelf kan zijn. Daar ben ik ze intens dankbaar voor.’

Tot slot nog terug naar uw boek. Uw stijl is er een van omcirkelende bewegingen. Zodra emoties hevig worden, neemt u afstand. De dood van de jongste zoon van Olive Wellwood beschrijft u vanuit haar dochters standpunt. Waarom emoties vermijden?
‘Ik denk dat emoties veel sterker zijn als je ze verzwijgt. Van de geboorte van een baby hoef ik de pijn niet over te brengen, ik hoef alleen maar de blik van een ander erop te richten zodat de lezer de rest aanvult. Een van de goede dingen van ouder worden is dat je steeds meer emoties hebt doorstaan. En dus weet je ook hoe ze te omzeilen en indirect te maken. Boeken zijn er om een ander leven te leiden, daaruit komt de drang om te schrijven. Maar het boek is er voordat de personages er zijn, daardoor hebben de personages geen idee wat hen overkomt. Als ze dansen, dan voel ik dat in mijn lichaam. Ik voel een hand langs mijn rug strijken. Vroeger had ik drie pagina’s nodig om dat te beschrijven, nu doe ik dat in een halve paragraaf. Slechts één emotie in het boek komt uit mijn eigen leven. Ik ben een moeder die een zoon verloor. Net als Olive. Ik kan daar nog steeds niet direct over praten.’


A.S. Byatt leest voor uit The Children's Book (BBC)
Delen
Koppelingen
Meer interviews
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)
Interview met Peter Abelsen Door Guus Bauer (28-08-2018)