Interview met Abdelkader Benali
‘Ik heb nooit binnen de lijntjes willen kleuren’
Door door Annemiek Neefjes (1 december 2006)


‘Mijn schrijverschap begint nu pas echt,’ zegt Abdelkader Benali. Hij wijst naar zijn roman Feldman en ik, die deze week is verschenen. Tien jaar lang is Benali nu schrijver. Als eenentwintigjarige debuteerde hij met de ovationeel ontvangen roman Bruiloft aan zee. Daarna publiceerde hij nog twee romans, verhalen, essays, poëzie en toneel. En toch zegt hij: het begint nu pas echt. Dat moet hij uitleggen.

Om negen uur ’s ochtends doet hij dat, aan mijn keukentafel. ‘Bij het schrijven van Feldman en ik voelde ik me voor het eerst volkomen onafhankelijk. Ik schreef zoals ik wilde schrijven. Ik heb het verhaal laten ontsporen en daar genoot ik enorm van.’

Een hoofd vol vragen
Benali zegt dat hij de afgelopen tien jaar nodig heeft gehad om dit gevoel van autonomie te bereiken. Na zijn debuut was de druk om zichzelf te overtreffen hoog, te hoog. ‘Ik schreef wel maar ik vond het nooit het publiceren waard. Ik wilde mezelf misschien te snel een groot schrijver vinden, ik nam mezelf te serieus. Toen ben ik gaan lezen, schrijvers als Saul Bellow, Philip Roth en vooral ook Joseph Brodsky. Ik liep met vragen rond: wat is literatuur eigenlijk? Voor wie wordt ze geschreven? Wat ben ik voor schrijver? Wat is de relatie tussen wat ik schrijf en mijn biografie?’

Zijn hoofd vol vragen werd zwaar, zijn pen bleef onwillig, totdat hij ontdekte dat de auteurs aan wie hij waarde hechtte, in de complexiteit van hun werk toch altijd één ding behielden: lichtheid. Dat besef betekende bij Benali een doorbraak. ‘Bruiloft aan zee had ook lichtheid en later heb ik die opnieuw ontdekt.’ Hij kon De langverwachte schrijven, de roman waarmee hij in 2003 de Libris Literatuur Prijs won.

Daarna ontstond een explosie aan boeken, waaronder de roman Laat het morgen mooi weer zijn, de toneelmonoloog Jasser en dit najaar nog Berichten uit een belegerde stad, zijn verslag vanuit het met Israël in oorlog verkerende Beiroet. Over dit laatste boek zegt Benali: ‘Ik was een maand in Beiroet, uit nieuwsgierigheid en om de Arabische taal te leren, toen de oorlog uitbrak. Terwijl mensen er depressief in de cafés zaten, zat ik monter te tikken. Het schrijven ging als vanzelf. Ik dacht: hoe kan dat nou? Ik realiseerde me dat dit het resultaat was van tien jaar lang op het ijzer slaan.’

Het begon met een zin
Feldman en ik had hij toen al ingeleverd bij zijn redacteur. Niet eerder had hij zo probleemloos aan een roman gewerkt. Voor het eerst vertrouwde Benali volledig op zijn schrijverschap. De eerste versie kwam op papier te staan tijdens de siësta’s van een veertiendaagse vakantie op Stromboli. Het begon, vertelt Benali, met een zin die in zijn hoofd bleef hangen: ‘Die bewuste ochtend toen ik de brief ontving.’ Benali: ‘Die zin prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Van wie is die brief, waarom wordt hij verstuurd, wat staat erin? Als het lukt om te schrijven in de geest van zo’n eerste zin, dan weet je: het komt wel goed met het boek.’

De roman gaat, het wordt hoog tijd erbij stil te staan, over Andes die een brief ontvangt van zijn beminde vriend Maxime Feldman. Feldman is zijn ‘door iedereen allang doodgewaande bloedbroeder’. De brief zorgt voor een beslissende wending in het leven van Andes, die tot dan toe een overzichtelijk leven leidde als jurist. Andes besluit de brief niet open te maken en raakt langzaam maar zeker de grip op zijn leven kwijt. Zozeer, dat hij op zeker moment niet meer weet wie hij nou is: Feldman of zichzelf.

De lezer kan zich in het boek laven aan wonderlijke gebeurtenissen en bizarre wendingen, tot en met de letterlijke, fysieke desintegratie van Andes. Maar de existentiële spanning kleurt iedere pagina: die tussen zijn wie ánderen van je maken en autonomie, tussen sociale gebondenheid en persoonlijke vrijheid.

‘De roman verzet zich tegen het idee dat je jezelf al bij voorbaat kunt definiëren, of dat anderen dat kunnen,’ zegt Benali. ‘Achteraf zie ik dat deze thematiek als een rode draad door mijn oeuvre loopt. Over mijn debuut schreven critici dat ik zo’n leuke schrijver over Marokko was. Dat etiket was een oordeel: jij bent dit wel en dát dus niet. Daarmee definiëren ze zichzelf automatisch ook, als dat wat die ander niet is. In mijn debuut wilde ik dat simpele, dualistische denken juist onderuit halen.

Vijftien minuten per dag frustratie
Hoe meer Andes van zijn omgeving onthecht raakt, hoe kleurrijker de nacht bij hem wordt. Tegelijkertijd luidt de vraag: je kunt wel in volledige vrijheid willen leven, maar wat betekent “vrijheid” eigenlijk? En met wie wil je die vrijheid delen? Met mijn geliefde, zeg je dan natuurlijk, maar kun je wel zo selectief kiezen? Hoe sluit je de moordenaar uit? Het zijn vragen die horen bij de samenleving van vandaag.’

Benali heeft, zegt hij, ‘vijftien minuten per dag frustratie’ over het huidige hokjesdenken van mensen. ‘Natúúrlijk heeft dat met mijn autobiografie te maken. Ik heb nooit binnen de lijntjes willen kleuren, terwijl anderen voortdurend willen dat ik dat doe. Anderen verzinnen voor mij een identiteit. In mijn volgende romans zal ik dit thema verder op de spits drijven. Ik heb er iets in te bewijzen.’

Hij vindt het de gewoonste zaak van de wereld om als schrijver geëngageerd te zijn. In kranten en tijdschriften schrijft hij over de islam, vluchtelingen, de spanning tussen oost en west. ‘Ik kan schrijven, ik heb bekendheid, ik heb prijzen gewonnen: daar wil ik iets zinnigs mee doen. Deze tijd is heel spannend en ik meen dat ik wat te melden heb met betrekking tot deze materie. Al laat ik me er niet meer door meeslepen, ik houd wel afstand. Toen ik werd gebeld om iets te schrijven over de afgelasting van de opera Idomeneo in Duitsland, zei ik: loket Mohammed gesloten.’

Het mechanisme van de berichtgeving
In zijn romans zal hij de actualiteit niet expliciet een rol geven. ‘In de media gaat het een tijdje over Theo van Gogh, over de cartoonkwestie in Denemarken, over Idomeneo, daarna richt het discours zich weer op iets anders. Dit kortetermijnnieuws is voor mij als romanschrijver niet interessant. Maar het mechanisme van de berichtgeving blijft hetzelfde en daar ben ik in geïnteresseerd. Als de paus naar Turkije komt terwijl hij zich eerder heeft uitgesproken tegen een Turks EU-lidmaatschap, zie je boze moslims op de voorpagina van de krant, je ziet ze op de buitenlandpagina, op de opiniepagina staat een cartoon van een boze moslim en op de sportpagina kom je er ook nog eens een tegen. Ik wil de angst voor een radicale islam niet wegpoetsen, ik wil er niet lacherig over doen, maar ik wil die angst wel kritisch onderzoeken.’

Hij voelt zich verwant met schrijvers die in hun werk de ‘schuivende, veranderende’ wereld betrekken, die schrijven ‘over de plaats van de mens in deze wereld en de interactie met de wereld om hen heen’. Hij noemt de recente Nobelprijswinnaar Orham Pamuk, Thomas Mann, Haruki Murakami. Hij ziet ze als erfgenamen van de zestiende-eeuwse humanist Thomas More. Benali vertelt dat hij een paar dagen geleden met zijn nieuwe vriendin in Rome was. In Palazzo Barberini hing een portret van More, geschilderd door Holbein. Het sloeg hem met stomheid. ‘Die intense, zacht spottende blik van hem! Ik zag een intellectueel die getaand was door het vele reizen. Hij straalde de rust van de nieuwsgierigheid uit. Ik dacht: als die man van het schilderij zou stappen, zou dat absoluut niet vreemd zijn. Meer dan wie ook zou hij onze samenleving begrijpen, zou hij ons iets te vertellen hebben.’

Voor een volgende generatie lezers
Dezer dagen zullen de recensies op Benali’s roman verschijnen. Zijn redacteur waarschuwde hem: er zal gerust ook kritiek op je boek komen. Benali haalt er zijn schouders over op. ‘Ik zit in de cockpit en bestuur het vliegtuig,’ zegt hij. ‘Vanuit het passagiersgedeelte klinkt allerlei commentaar op mijn stuurkunst, maar het enige wat ik kan doen is op mijn manier blijven vliegen. Als ik crash, dan crash ik, maar dan kíes ik ervoor om te crashen.’

Soms, zegt hij dan, denkt hij dat hij zijn romans schrijft voor een volgende generatie lezers. Deze lezers zullen hem beter begrijpen. ‘Omdat ze nieuwsgieriger zijn, omdat ze me niet meer zullen zien als die allochtone schrijver, omdat ze gewend zijn aan een cultuur van diversiteit.’ Bij jongeren neemt hij die verandering al waar. ‘Zij reizen veel en hebben een open blik. Hoe luidt dat citaat uit Startrek ook alweer? “It’s life, but not as we know it.” Zo kijken ze naar de wereld. Precies ook vanuit dat perspectief schrijf ik mijn boeken.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)