Interview met Alexis Jenni
‘De kern van het schrijven is leren, onderzoeken’
Door Guus Bauer (2 mei 2013)
November 2011 werd de debuutroman In tijden van oorlog van Alexis Jenni (1963) bekroond met de Prix Goncourt, de belangrijkste Franse literaire prijs. Prompt werd het vuistdikke boek een megaseller in Frankrijk en de auteur een wereldwijde literaire ster. Jenni geeft biologieles op een middelbare school in Lyon. Al na een pagina is het duidelijk dat we hier, gelukkig maar, niet te maken hebben met het zo typische lerarenproza, dat braaf feitjes oplepelt en bol staat van uitleg.

Oorlogsveteraan Victor Salagnon geeft in een buitenwijk van Lyon schilder- én levenslessen aan een jongeman, die als wederdienst het verhaal van de kapitein bij de paratroepen belooft op te tekenen. Met veel geluk heeft Salagnon zowel de Tweede Wereldoorlog, de Franse strijd in Indo-China als de burgeroorlog in Algerije overleefd. Weliswaar nam hij deel aan het oorlogsgeweld, daarin meegesleurd door het groepsgedrag, maar een stuk van zijn ‘onoverwinnelijkheid’ moet ook gezocht worden in zijn trouw aan het penseel en aan Eurydice, de Algerijnse liefde van zijn leven.

U debuteert als het ware met uw magnum opus. Vijf jaar heeft u er aan geschreven, tussen de lessen door en in de weekenden en de schoolvakanties. Werd u niet belemmerd door uw baan?
Ik schrijf al meer dan vijfentwintig jaar. Natuurlijk zond ik af en toe een probeersel naar een uitgever, maar alle voorstellen werden resoluut afgewezen. Het deerde me niet, ik was op een zoektocht. De kern van het schrijven is leren, onderzoeken. Je moet een oprecht nieuwsgierig mens zijn wanneer je werkelijk schrijver wilt worden. Ook na het succes probeer ik het evenwicht in mijn leven te bewaren, al is dat soms lastig. Er was jaloezie en ik kreeg ook wel vervelende reacties op de nieuwe schutting: het internet. Anoniem uiteraard. Mijn leerlingen vonden het voornamelijk heel leuk dat ik met mijn hoofd op tv kwam. Sommige collega’s dachten dat ik wel naast mijn schoenen zou gaan lopen. Maar dan kennen ze me niet werkelijk. Ik mediteer en doe aan tai chi. Daardoor kan ik snel schakelen tussen verschillende werelden. Ik blijf absoluut lesgeven.

Bij het schrijven zult u nu toch wel enige druk voelen?
Eigenlijk helemaal niet. Ik voel me nog steeds een zondagsschrijver. Vergelijk me maar met iemand die een grote prijs gewonnen heeft in een loterij. Ik heb de mogelijkheid om iets heel duurs te kopen, bijvoorbeeld mijn absolute vrijheid, maar zie er toch van af omdat ik mijn leven niet wil veranderen. Er ligt na een kwart eeuw tikken natuurlijk ook een hoop in voorraad, maar ik wil toch met iets nieuws komen.

Hoe bent u tot de nogal aparte constructie gekomen, avonturenromans gecombineerd met beschouwingen?
De vorm diende zich eigenlijk als vanzelf aan. Ik had een hoofdpersoon nodig met kennis van zaken en een jonger iemand die verlangde naar verhalen. De laatste protagonist staat het dichtst bij mijzelf. Van mijn ouders heb ik nooit veel gehoord over de oorlogen die zij bewust hebben meegemaakt. Moeilijke tijden worden nu eenmaal het liefst verzwegen. Ik wilde een totaalbeeld proberen te schetsen. De stukken waarin de verschillende oorlogen worden verwoord, zou je inderdaad avonturenromans kunnen noemen. De essayistische hoofdstukken zijn als tegenwicht bedoeld. Ik wilde niet moraliseren, maar wel de kans hebben om commentaar te geven. Waarschijnlijk was ik ook hier op zoek naar de balans.

De positie van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog is duidelijk, maar de postkoloniale oorlog in Algerije van eind jaren vijftig lijkt nog steeds een pijnpunt.
Vergeet niet dat er in die tijd meer dan tweeënhalf miljoen Franse soldaten naartoe zijn gestuurd, de helft dienstplichtige jongens van een jaar of achttien. Ze wisten niet beter of ze moesten de belangen verdedigen van Frankrijk en de Franse inwoners van Algerije, de pied-noirs, tegen bommengooiers beschermen. In Algerije werden schuldigen gecreëerd door iedereen op te pakken. Later werden de veteranen vooral door links Frankrijk gezien als oorlogsmisdadigers en door rechts als verdedigers van de nationale eer. Zwart-wit denken zorgt onherroepelijk voor problemen. Er zijn altijd grijstinten. Wie is de held en wie de schurk? Ik vraag me wel eens af hoeveel moordenaars er in mijn eigen wijk wonen. Wie is gebrandmerkt door de koloniale geschiedenis, hetzij als veteraan, pied-noir of Algerijn? Tien procent van de Franse bevolking was direct bij die oorlog betrokken. Ik denk dat mijn boek mede zo’n succes is geworden omdat de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog voorheen nog niet vanuit een menselijk oogpunt geschreven was.

Is dat uw ‘roeping’, het steeds maar weer herschrijven van de geschiedenis, net zoals generaal De Gaulle, die u een romanschrijver noemt?
De Gaulle is in die zin een romanschrijver dat hij de werkelijkheid naar zijn hand zette. Hij was een begaafd retoricus, die de taal gebruikte om een wereld voor ons Fransen te scheppen waarin wij ons thuis zouden kunnen voelen. Hij gaf ons redenen om trots te zijn op de natie. We leven nu op zijn ruïnes omdat hij nog steeds onaantastbaar is. De woorden van De Gaulle waren en blijven voor velen heilig. Geschiedenis moet met het inzicht van de nieuwe tijd herschreven kunnen worden.

U trekt een lijn door naar de problemen in de Franse steden. Sommige buitenwijken vergelijkt u met oorlogsgebieden.
Juist omdat we worstelen met het verleden, is de weg naar de toekomst zo lastig. We weten eigenlijk niet wie we zijn en daarom willen we de mensen die anders zijn weg hebben. Momenteel zijn er grote problemen met moslimjongeren, ook in de relatief kleine stad Lyon waar ik woon en werk. Deze jongeren worden echt gezien als de vijand. De politiemensen die naar die ‘warzones’ gaan hebben iets militaristisch. In pantsers worden ze in de buitenwijken afgeleverd. Ze herstellen met geweld de orde en vertrekken weer. Zo gaat het ook in tijden van oorlog. Ik vraag me af waar de gedachte vandaan komt dat er rust ontstaat wanneer er flink wordt opgetreden. Je kunt mensen niet over vrijheid, gelijkheid en broederschap onderrichten als ze die niet krijgen. Het is daarnaast typisch Frans om weg te kijken, niets te doen, maar er wel het zijne van te denken.

Waar komt uw fascinatie voor oorlog vandaan?
Wij Fransen, en misschien wel de meeste burgers in democratieën, weten niet goed wat we met onze militairen aanmoeten en al zeker niet met veteranen. We houden ze het liefst op afstand, met hun eigen taaltje en hun beroep dat nauw betrokken is bij de dood. In ons geval in streng afgegrendelde bases in Zuid-Frankrijk. Desnoods sturen we ze de wereld in om de schamele resten van de koloniën te bewaken. Met de oorlog in Irak in 1991 kwam daar voor het eerst sinds 1914 verandering in. We zagen soldaten op de tv die afscheid namen van hun gezin, mensen van vlees en bloed. Zoals ik schreef: ‘Het leger keerde terug in de samenleving.’ Net als nu met de acties in Mali. Maar eigenlijk gaat In tijden van oorlog over alle grote thema’s. Het is zelfs eerder een roman over esthetiek en liefde dan over de verschillende slagvelden. De jongen is in gevecht met de wereld. Salagnon leert hem kijken met een liefhebbend schildersoog. Hij moet in beeld brengen door te tekenen. Wie schildert redt zijn ziel. Zo heeft Salagnon immers alle gruwelijkheden kunnen doorstaan. Ik had graag goed willen kunnen tekenen, maar ik kan alleen proberen te schilderen met woorden.

Foto Alexis Jenni: Gallimard.

Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)