Interview met Anne Vegter
‘Ik ben zélf verliefd op Appelman’
Door door Annemiek Neefjes (6 juni 2006)


Een paar deadlines, vakantietassen van zonen die ze pakken moet, een poëzie-optreden: de week van Anne Vegter is bepaald hectisch. Het geven van dit interview past met wat moeite nog wel ergens tussen. ‘Wij vrouwen doén alles toch altijd maar gewoon,’ zegt ze vriendelijk-ironisch, als ik bij haar thuis ben in het Rotterdamse Kralingen. Boven de tafel in haar werkkamer schijnt het kale licht van een peertje. Op een spiegel staat met roze, verweerde lippenstiftletters: let’s fuck not fight. Aan de zijkant van een boekenkast hangen de twintig ‘verse bekken’ van het figuurtje Heel Kort, meesterlijk getekend door Geerten Ten Bosch. Ze stonden in Vegters veelgeprezen, tweede kinderboek Verse bekken! (1990).

Mensen in beweging krijgen
Nu, zestien jaar later, is haar derde kinderboek Sprookjes van de planeet aarde uitgekomen. Geerten Ten Bosch leverde ook hiervoor, samen met haar zus Judith, de illustraties. In de jaren ertussen schreef Vegter proza (Ongekuiste versies), poëzie (Aandelen en obligaties) en toneel (Het recht op fatsoen). ‘De genres beïnvloeden elkaar,’ zegt de schrijfster. ‘Als ik mijn eerdere kinderboeken teruglees, valt me op hoe weinig erin gebeurt. Ik zocht het toen erg in de taligheid. In mijn nieuwste boek is de handeling juist belangrijk. Door het schrijven van toneel heb ik geleerd mensen in beweging te krijgen.’

Als in een klassiek sprookje moest Vegter een aantal tegenslagen overwinnen, voordat het boek er komen kon. Een eerder manuscript van haar werd afgewezen door haar uitgever. ‘Het bestond uit weirde verhaaltjes, een beetje zoals Los Cronopios van de Zuid-Amerikaanse schrijver Julio Cortázar. Mijn uitgever vond ze te extreem, die wilde meer toegankelijke verhalen. Ik raakte in een crisis, ik dacht: hoe moet ik dan schrijven? Ik dacht ook: heb ik nog wel lezers? Vervolgens voelde ik me uitgedaagd. Ken je de Japanse verdedigingssport Aikido? Daar leek het proces wel op: ik zocht naar wat de ander wilde, ik bewoog mee, zonder mezelf te verliezen. Met de sprookjes heb ik mezelf opnieuw in het genre moeten bewijzen. Ik denk dat het me is gelukt.’

Over de tweede tegenslag wil Vegter minder kwijt. ‘Hoe gaat dat vaak in recensies van kinderboeken?’ vraagt ze retorisch. ‘De tekst krijgt alle aandacht, de tekeningen worden gezien als plaatje bij het praatje. Toen ik in 2004 de Anna Blaman-prijs kreeg (voor haar gehele oeuvre: AN), ging alle aandacht opnieuw naar de auteur, terwijl Geerten drie van mijn boeken had geïllustreerd. Ze had er genoeg van, ze is toen gestopt met ons sprookjesproject. Pas na lange tijd is haar zus Judith met de illustraties verdergegaan en op zeker moment raakte Geerten toch ook weer betrokken.’

In Sprookjes van de planeet aarde wemelt het van de prinsen, prinsessen, dwergen en reuzen. Er komen kikkers in voor, een heks, een tovenaar, en vertrouwde ingrediënten als de appel en de spiegel. ‘Sprookjes zitten vol oerbeelden,’ zegt Vegter. ‘Als kinderen in een sprookje het woord appel horen, weten ze: vergif, gevaar. Die oerbeelden horen bij onze cultuur.’


Het kan gebeuren dat…
In sommige van de negen verhalen schemeren bekende sprookjes door. Bij het lezen van ‘Prinses Hemeltje’ is het moeilijk niet te denken aan Sneeuwwitje. Toch is het niet de bedoeling geweest van de schrijfster om Grimm of Andersen te herschrijven. ‘Ik ben mijn eigen gang gegaan,’ zegt ze.

En dat is te merken. Haar figuren zijn dwars en volkomen eigen, de taal flonkert en danst, de wendingen in de verhalen zijn wonderlijk en geestig. In bijvoorbeeld ‘De kleine laarsjes’ brengt de jongen met de naam Vogel namens zijn moeder (‘de Bakster’) vers gebakken laarsjes naar de kikkerkoning in het bos, als cadeautje voor diens pas geboren kikkerkind. Eenmaal in het bos, duikt niet de boze wolf op maar de gevreesde bosnerf, een wezen dat uit twee katten bestaat: ‘Hun staartjes draaiden in elkaar. Hun poten kruisten. Ze persten hun smalle kopjes tegen elkaar. (…) De ene had een vrouwtjesstem. De andere klonk als een mannetje.’

Vegter: ‘”Het kan gebeuren dat…”: deze woorden vormden voor mij het uitgangspunt. Ze zijn een statement, ze betekenen groen licht voor de verbeelding. Ik houd van sprookjes, ik vind het mooi om een betoverende sfeer op te roepen, om wonderen te laten gebeuren. Het was ook een denkexperiment: hoe ver kan ik gaan in het scheppen van onverklaarbaarheden, terwijl de lezer toch het gevoel houdt dat het over hem gaat.’ Toen ze aan haar sprookjesproject werkte, realiseerde ze zich dat ze al in Ongekuiste versies (1994), een bundel literair hoogstaande, erotische verhalen, met sprookjeselementen werkte.

In Sprookjes van de planeet aarde wilde ze in ieder verhaal een dilemma uitbeelden, dat paste bij de figuur die ze had bedacht. ‘Als je een egoïst bent, is honger leiden niet het ergste wat je kan overkomen. Dat is het wél als je een vreetzak bent. Ieder verhaal moest zijn eigen logica hebben.’ De prins in ‘De rode schoenen’ ís een enorme vreetzak (‘Na het eten zette de lakei de prins met de grootste moeite overeind.’). En dus krijgt de prins, als zijn vader het zat is, twee schoenen ‘hard als goud, zoet als suiker’. En dan gebeurt het volgende:

‘”Die schoentjes zijn om te smullen,” smakte de dikzak.
Hij rekte zijn tong uit.
Hij wilde bij zijn schoenen.
Hij kon niet bij zijn schoenen.
Hij wilde.
Hij kon niet.
Hij werd mager van verlangen.
Steeds magerder.
Op een dag was de prins op.
Maar de rode schoenen leefden nog lang en gelukkig.’


Leren vertrouwen op eigen kracht
Goed en kwaad, straf en beloning: deze klassieke, moralistische elementen van het sprookje tref je ook bij Vegter aan. ‘Bij mij legt het kwade het af tegen het goede. Mooi hè?] Daarmee ben ik vast uit de mode. Dat kan me geen donder schelen. Waar in deze eeuw moeten kinderen het vertrouwen vandaan halen dat dingen goed kunnen komen, dat er oplossingen zijn? Ik vind het belangrijk dat kinderen dit geruststellende gevoel wél kennen. Het gaat erom dat ze leren vertrouwen op hun kracht, en dat ze weten dat er hulp is, als het nodig is.’

Ze aarzelt, zegt dan: ‘Nu je op tv de beelden ziet van de aardbeving op Java, kun je denken: wie is er gebaat bij zo’n opvatting als de mijne? Toch geloof ik in de overwinning van het goede, ook in het leven. Ik heb geen finaal destructieve levensopvatting.’

Reus Bergsma, het jongste zusje Bis, de lakei, prinses Korenbloem: al deze figuren in haar sprookjes gaf Vegter één gemeenschappelijke eigenschap: dapperheid. Vegter pakt het verhaal ‘Appelman’ erbij, waarin prinses Korenbloem smoorverliefd raakt op een jongeman die door een heks in een appel is omgetoverd (‘Het was in de tijd dat wensen nog in vervulling gingen.’). De schrijfster geniet zichtbaar van haar verhaal. ‘Ik ben zélf verliefd op Appelman,’ roept ze vrolijk.

Dan: ‘Als Appelman op een dag verdwenen is, legt Korenbloem het advies van haar moeder – zoek maar een ander appeltje - naast zich neer. Ze negeert de pijn op haar barre tocht door de bergen, op zoek naar Appelman. Zelfs in de Faustiaanse onderwereld van de heks overwint ze haar angsten. Dit alles lukt de prinses alleen maar vanuit haar verlangen naar rechtvaardigheid – dát leidt tot dapperheid. Het zijn geen krachten van buitenaf die voor een goede afloop zorgen; mijn figuren moeten de problemen zelf opknappen.’

Het geluksgevoel tastbaar maken
Vegter gunt haar figuren een lang en gelukkig leven. Zo gaat dat al eeuwen in sprookjes, natuurlijk, maar de schrijfster geeft een zinnelijke invulling aan de klassieke slotregels. ‘Ze kusten elkaar lang en werden daardoor erg gelukkig’, hiermee eindigt bijvoorbeeld ‘Appelman’. Vegter: ‘Liefde is een niet te onderschatten kracht, hoor. Eerder noemde ik rechtvaardigheid, maar óók dankzij haar liefde voor Appelman houdt Korenbloems dapperheid stand.

In de sprookjes van Andersen en Grimm valt geen passie te ontdekken. Stap voor stap ga je richting overwinning en dan op het eind krijg je hooguit een mooie prins. Daar word je niet gelukkig van. Nee toch? Ik wilde het geluksgevoel tastbaar maken. In “Appelman” staan zelfs expliciet erotische regels. Natúúrlijk heb ik dat op twee niveaus geschreven, ja. Hoewel kinderen om sommige van die zinnen vreselijk moeten lachen. “Appelman is een lekker ding”: als ik dat in een klas voorlees, zitten ze allemaal te grinniken.’

Vegter hoopt vurig dat haar boek door lezers ontdekt zal worden. Haar uitgeverij maakt maar voor een beperkt aantal titels publiciteit en Sprookjes van de planeet aarde hoort daar niet bij. Ze krijgt wel prijzen voor haar werk, zegt ze, en dat is eervol, maar van eer kun je niet leven. ‘De royalty’s van een boek zijn een soort fooi.’ Dan haalt ze haar schouders op. ‘Ik weet het, het is een cliché, maar met mijn geliefden om me heen voel ik me weer wel rijk bedeeld.’

Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)