Interview met Ariëlla Kornmehl
‘Voor velen begon de oorlog pas na 1945’
Door Guus Bauer (31 december 2013)
Voor haar roman Een stille moeder ontving Ariëlla Kornmehl (1975) de Boek-delenprijs 2011 voor het beste leesclubboek. Haar nieuwe roman Wat ik moest verzwijgen is opnieuw een ‘good read’. Het boek is gebaseerd op verhalen die de grootmoeder van de schrijfster vertelde over de vervolging en de onderduik.

De vader van hoofdpersoon Jet verhuurt een groot aantal panden in de Amsterdamse binnenstad. De broer van een van zijn huurders wil zijn dochter kort na het ingaan van de Duitse bezetting laten onderduiken. Ze is blond en kan zo voor een dienstmeid doorgaan. Jet heeft voor de hardhorende drukker Henk twee verrassingen meegenomen. Een schilderij van Degas, voorstellende een danseres met vurige ogen getiteld ‘Tini in Paris’ en haar vriendje Mischa, een vluchteling uit Duitsland. Het schilderij gaat aan de muur in de woonkamer en Mischa krijgt tegen wil en dank een matras in de kelder.

Patstelling
Dan komt iemand ‘uit de verkeerde hoek’ naast hen wonen. Deze Van Keulen, getrouwd en vader van een paar dochters, wordt verliefd op Jet. Hij weet dat ze joods is en maakt schaamteloos gebruik van de situatie. Wanneer hij zin in haar heeft, moet ze klaarstaan. Een gruwelijke patstelling die uiteindelijk uitmondt in een zwangerschap en de geboorte van een jongetje: Otto. Met een smoesje neemt Van Keulen het kind op in zijn gezin. Al eerder had hij zich ‘uit veiligheidsoverwegingen’ ontfermd over het danseresje Tini. Jet spreekt met Van Keulen af dat ze – alsof ze een andere optie had – niemand iets zal vertellen over de herkomst van het kind.

‘Mijn oma heeft in de oorlogsjaren ondergedoken gezeten naast een NSB’er die smoorverliefd op haar was en altijd haar aandacht vroeg. Als dekmantel werkte ze als dienstmeisje. De buurman wist na verloop van tijd ook dat ze joods was, maar heeft haar niet verraden. Dit was de enige informatie die mijn oma kwijt wilde. Het was duidelijk dat er verder geen vragen mochten worden gesteld. Veel heb ik ook niet durven vragen. Op een of andere manier was dat ongepast. Ik had best graag wat meer willen horen over die buurman, maar het ontbreken van meer informatie gaf me ook de vrijheid om een “wat als?” te creëren. Een situatie die helemaal uit de hand liep en leidde tot de geboorte van een kind.’

Dialoog aangaan
‘Ook voor zo’n kind is dat heel interessant. Het is een heel reële situatie. Zo’n kind voelt dat er iets botst. En als het niet duidelijk gemaakt wordt door de ouders, dan zorgt de omgeving daar wel voor. Het huwelijk van Van Keulen en zijn vrouw is gebaseerd op scheve verhoudingen. Het is natuurlijk bizar dat de echtgenote van Van Keulen zomaar een kind opneemt. Waarschijnlijk heeft ze wel door dat haar man haar een verhaaltje over een collega op de mouw spelt, maar ze slikt het voor zoete koek, volgzaam als ze is. Dat geeft wel aan dat er weinig intimiteit is, dat er eigenlijk geen sprake is van een echte relatie. Wanneer de jongen later zelf trouwt – met een joodse vrouw, ergens zit dat nog in hem – kopieert hij het gedrag van zijn opvoeders. Ook hij heeft een buitenechtelijk verhouding.’

‘Mijn romans zijn in het Duits vertaald en dus geef ik veel lezingen bij de oosterburen. Ik merkte dat er veel overeenkomsten zijn tussen joodse kinderen en kinderen van nazi’s van de derde generatie en dat er daar een grote behoefte is om de dialoog aan te gaan.’

Ambivalentie
‘Als kind wilde ik alles in hokjes plaatsen, kinderen zoeken toch naar een bepaald kader. Toen ik een jaar of zes was, zei mijn vader dat alles niet zo zwart wit is. “Als je ouder wordt, ga je inzien dat het leven veel grijzer is.” Dat is heel wijs en laat ook de mogelijkheid voor verzoening open. Wanneer je zo denkt, maak je (over)leven wat eenvoudiger. Het is bijna gênant om te vertellen, maar als kind nam ik de opmerking van mijn vader letterlijk. Ik dacht dat daarom oude mensen grijs haar kregen.’

‘Aan die opmerking van mijn vader heb ik veel gehad. Ik heb filosofie gestudeerd en tijdens de studie werd nogmaals bevestigd dat oordelen een zwakte is. Ambivalentie is interessant, daarom heb ik Van Keulen verschillende kanten gegeven. Mensen zijn niet zo eendimensionaal als sommigen graag willen geloven. Het is wellicht moeilijk te verkroppen, maar naast zijn verderfelijke bezigheden voor de partij is hij een goede huisvader.’

Kleine wereld
‘Het is heel pijnlijk voor Jet dat Van Keulen een steeds belangrijker rol in haar leven krijgt. In heb geprobeerd om het alledaagse leven gedurende de bezetting neer te zetten, zonder de hele tijd de oorlog te noemen. Ze is huishoudster en het gaat redelijk goed met haar, de omstandigheden in acht genomen. Er zijn al heel wat familieleden afgevoerd. Er ontstaat een sterk afgebakende, kleine wereld. Extra gecompliceerd doordat in de kelder van het huis waar Jet werkt, ook nog een vluchteling zich schuilhoudt, de geliefde van Jet, mijn opa zogezegd. Door in te zoomen op een familiedrama, iets dat ik in al mijn boeken doe, ha, ik kan denkelijk niet anders, probeer ik het groter geheel te laten zien.’

Roofkunst
‘Het is heel vreemd om te zeggen, maar voor Jet had de oorlog eigenlijk nog wel voort mogen duren. Op die manier zag ze haar kind ten minste nog. Er is mij vaak verteld dat de oorlog voor velen pas na 1945 begon. Overlevenden kregen veelal een verre van warme ontvangst. In veel gevallen wilden Nederlanders die op bezittingen van joden hadden ‘gepast’, die niet meer teruggeven. Centraal in deze roman speelt ook het zeer actuele thema van de roofkunst. Ik heb bewust het verhuisbedrijf Büch bij naam genoemd. Toen ik zelf ging verhuizen, drukte mijn oma mij op het hart om vooral dat verhuisbedrijf te gebruiken. “Dat zijn goeie mensen,” zei ze, “die hebben me alles teruggegeven.”’

‘Ik heb dat bedrijf opgebeld en kreeg een neef van de oude Büch aan de lijn. Ik vertelde dat mijn oma in 1945 bij hen had aangeklopt voor de spullen van haar ouders. Let wel, zonder bewijsstukken. “Daarvoor belt u mij op,” zei de man, “dat is toch normaal.’ Voor hem was dat normaal, wellicht eerder een uitzondering dan regel, maar er waren natuurlijk ook goede mensen. Mensen focussen kennelijk graag op de negatieve kant.’

Ultieme offer
‘Ik was overigens nooit van plan om de Tweede Wereldoorlog mee te nemen in mijn oeuvre, ervan overtuigd dat de generatie van Marcel Möring, Leon de Winter en Jessica Durlacher dat al voldoende had gedaan. Ik ben een derdegeneratie Joodse auteur – dat stempel heb ik ten minste na mijn debuut opgeplakt gekregen, en dat vind ik best – en bij ons speelt het thema van de oorlog minder. Er is een zekere afstand ontstaan. Mijn ouders zijn van na 1945 en zijn dus niet getraumatiseerd, althans niet direct. Natuurlijk hebben ze de bagage meegekregen, maar het niet aan den lijve ondervonden. De eerste generatie slachtoffers is aan het verdwijnen en het voelde echt als een soort plicht, misschien wel ten opzichte van mijn oma, om de verhalen te blijven vertellen.’

‘Jet ziet op een bepaald moment haar kind als volwassene terug. Ze besluit dat het beter is om hem niets te vertellen over zijn echte achtergrond. Ik heb de scène waarbij ze elkaar bij de begrafenis van Van Keulen kort ontmoeten, wel honderd keer gelezen. Elk keer wilde ik schreeuwen: “Het is je moeder!” Maar Jet brengt hier het ultieme offer dat een moeder kan geven. Ze ziet dat het beter voor hem is als ze er het zwijgen toe doet. Het gaat hem goed en ze wil hem sparen. Maar op haar sterfbed moet ze het toch vertellen, want als je het niet een keer hebt gedeeld, dan is het er niet meer. Daarom vertelt ze het aan haar kleindochter. De kracht van het woord. Op dat moment legt ze het geheim in haar handen. Zij moet dan beslissen wat ze met de kennis doet.’

Open einde
‘Mijn oma besloot op een gegeven moment dat haar leven op was en dat ze middels de onthouding van eten en drinken langzaam wilde versterven. Mijn moeder en ik hebben de laatste weken bij haar doorgebracht. Natuurlijk heb ik de gebeurtenissen daaromtrent aangepast aan mijn personage, maar ik vond het afscheid van mijn oma zo intiem dat ik het in een roman wilde vastleggen. Het moest mij overleven. Niet zozeer in het kader: wie schrijft die blijft, maar meer omdat die ervaring belangrijker is dan ik. De ziel van de schrijver bevindt zich in de tekst, zo men wil. Het was een ervaring die dicht op mijn huid zit. Ik hoop dat die intensiteit in de tekst doorsijpelt.’

‘Ik heb het boek opgedragen aan mijn kinderen, twee meisjes van negen en elf. Ik vertelde ze dat ik een verrassing voor ze had. Toen ze uit school kwamen, waren ze heel benieuwd. Toen ik de opdracht in de roman liet zien, keek de oudste een beetje beteuterd. Ze had graag een dwerghamster gehad. “Dus je hebt het voor ons gemaakt,” zei de jongste. Eigenlijk wel. Voor hen en voor alle kinderen van deze generatie. Opdat zij later de verhalen toch zullen kennen en de nuances inzien. Daarom heeft deze roman ook een open einde. Op die manier kan iedereen een eigen invulling aan de geschiedenis geven.’


Foto Ariëlla Kornmehl: copyright Ekko von Schwichow.
Foto onder: Frank Hockx reikt de Boek-delenprijs 2011 uit aan Ariëlla Kornmehl.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)