Interview met Arjan Visser
‘Ik schrijf om het leven te bezweren’
Door door Annemiek Neefjes (23 maart 2006)


‘Ze zijn meer dan een kijkje in iemands leven,’ zegt Arjan Visser over de interviews die hij sinds januari 1998 voor het dagblad Trouw maakt. Rode draad zijn telkens de tien geboden. ‘Die interviews zorgen voor herkenning, of juist afkeer. Ze leiden tot debat.’ Als romancier debuteerde hij in 2003 met De laatste dagen, in de kritiek met tromgeroffel begroet. Naar aanleiding van het verschijnen onlangs van Hemelval, zijn tweede roman, sprak Annemiek Neefjes met de schrijver en doorgewinterde interviewer.

Drie jaar geleden was Arjan Visser dé debutant van het jaar. Zijn roman De laatste dagen werd hogelijk geprezen en kreeg verschillende prijzen. Nu is zijn tweede roman verschenen, Hemelval, en er gebeurde, tja, wat de titel van het boek ironisch genoeg al aangeeft: na een hemelse ontvangst liet de kritiek (op een enkele krant na) hem nu genadeloos vallen. Visser: ‘Ik voel me bij de negatieve stukken flink in mijn hemd gezet. Maar ik betrap me er ook op dat ik denk: die recensie is gewoon slecht, die man gebruikt helemaal geen argumenten!’ Na een kleine pauze: ‘Reageer ik dan defensief? Of ís die recensie echt slecht?’

Huil je uit bij je uitgever?
‘Ik krijg veel enthousiaste brieven en het boek verkoopt goed. Dus dat troost. Mijn dochter van twaalf reageerde ook lief. Ze stuurde onder pseudoniem een boze mail naar Vrij Nederland, omdat het boek in dit weekblad werd weggezet als een “biografie van een saaie piet”. Maar ze werd ontmaskerd als familie. Ze was vergeten dat in het emailadres de naam Visser voorkwam.’

Lode Bast, de duivenmelker uit je roman, is toch een saaie Piet?
‘Zeker! Maar waarom zou een duivenmelker niet de moeite waard zijn om over te lezen? Waarom moet een boek over een mooie vrouw gaan, die dan op het eind een mooie man ontmoet? Ik heb alles op alles gezet om de man zo onbeduidend, zo sneu mogelijk te maken. Doordat ik hem zo klein maak, wordt zijn vrije val op het einde van de roman juist extra groot.’

Waarom koos je voor zo’n personage?
‘Het begon bij een duif. Een vriend van me vertelde me eens dat hij als kind vaak bij zijn buurman zat, die duivenmelker was. Hij vertelde hoe die man helemaal opging in zijn sport, hoe lyrisch hij kon zijn over de vlucht van een duif, over hoe een duif kon “vallen” - zo heet het als een duif na een vlucht terugkomt op zijn hok. Wat me het meest in zijn verhaal trof, was dat duiven altijd terugkeren naar de plek waar ze uit het ei zijn gekomen. “Ik kom naar huis”: het zijn de laatste woorden van de roman, maar in werkelijkheid zetten deze woorden het verhaal in gang.’

Lode Bast lijkt op zijn duiven, ook hij verlangt terug naar dat wat hij kent.
‘Lode staat bangig in het leven. Zelfs bij zijn vrouw Geesje voelt hij zich ongemakkelijk. Soms denkt hij met heimwee aan een moment in zijn kindertijd: hij staat met zijn moeder in de regen te dansen, achter op het plaatsje, vlak nadat zijn vader zelfmoord heeft gepleegd. Ze dansen uit opluchting, uit een gevoel van plotselinge vrijheid, want die vader was ondraaglijk dominant. Lode verlangt terug naar dat geluk. Maar ja, dat keert natuurlijk niet terug - Lode wordt nooit meer dat jongetje. Hij verlangt het onhaalbare. Dat geeft hem een tragische dimensie.’

Ken je het kleinburgerlijke milieu van Lode uit eigen ervaring?
‘Toen een vriendin mijn boek begon te lezen, riep ze al na één bladzijde: “Werkendam!” Dat is het streng protestante dorp in Brabant waar ik ben opgegroeid. Ik was stomverbaasd. Later ben ik me gaan realiseren hoe mijn verbeelding werkt. Geef me een pen en “plop” er komt van alles van vroeger naar boven, tot in de kleinste details. De babi pangang die Lode en Geesje samen eten, haalden wij ook af en toe bij de Chinees.’

Lodes wereld voelt behoorlijk benauwend.
‘Ja hè? De kleinburgerlijkheid, de sociale controle, het niks durven - niks mogen: ik ken het allemaal van vroeger. Mijn ouders waren niet streng gereformeerd, maar naast ons huis stond de “zwartekousenkerk”, een gebouw van zwart geteerde planken, waar iedere zondagochtend als in een rouwprocessie de in het zwart geklede mensen naar binnen gingen. Iedere week kwam lang voordat de kerkdienst begon, een oude, kreupele man op zijn fiets aan en verstopte die achter de heg van ons huis. Het was een zonde om niet-lopend naar de kerk te komen.’

Als schrijver heb je wel iets van een wrede god: je laat Lode en Geesje in hun leven geen steek verder komen.
‘Wie voor een dubbeltje geboren wordt, zal als een dubbeltje sterven: die naargeestige mentaliteit ken ik uit mijn dorp. Het is het doemscenario waar ikzelf aan ben ontsnapt. Juist omdat Lodes vader het leven van zijn zoon totaal overschaduwt, vind ik het mooi dat Lode toch geluk vindt, al is het bij zoiets onbenulligs als duiven. Dat kleine geluk ontroert me.’

Je straft de echtelieden op oudtestamentische wijze voor de fouten die ze maken.
‘Ik ben zelf een hartelijk iemand. Het zal de God van mijn jeugd wel zijn die me dit influistert. Aan het geloof hoef je geen geluk en hoop te koppelen. De verhalen uit de bijbel konden mij soms bang maken. Ik herinner me vooral het verhaal van Abraham en het offer van zijn zoon Isaac.’s Avonds in bed spookte dat door mijn hoofd: zou een vader echt bereid zijn zijn zoon te offeren? Als je je dat afvraagt, voel je je natuurlijk niet veilig.’

Kom je nog wel eens in je geboortedorp?
‘Toen ik twaalf was, en mijn eerste brommer had, schreef ik een briefje aan mijn ouders dat ik naar Parijs was vertrokken. Ik was nog maar net op weg, ter hoogte van Hank, toen het enorm begon te regenen. Ik ging maar weer naar huis. Mijn moeder had het briefje nog niet eens gevonden. Maar die avond zei mijn vader: “Morgen moet jij maar naar de dokter.” Ze dachten dat ik niet helemaal in orde was. Toen ik wel oud genoeg was, heb ik het dorp onmiddellijk verlaten.
Nog niet zo lang geleden ben ik er terug geweest. Ik wilde het dorp aan mijn kinderen laten zien. De buurt waar ik opgroeide was nog helemaal hetzelfde. Dat kán toch niet? Ik zag de achterstraatjes waar ik doorheen heb gerend, met van die betonnen platen als schutting, ik hoorde de echo van mijn voetstappen die ik toen ook hoorde - precies zoals ik er in mijn roman over schrijf. Ik zag de boom bij onze garage en was weer het jongetje dat erin klom. Zelfs de ijswinkel waar ik vroeger kwam bestond nog. Toen we daar naar binnen gingen, zag ik de verkoopster, vrouw Pipo, zij was daar veertig jaar blijven staan met haar softijs. Nu moet ik ophouden met erover vertellen, ik voel de tranen bijna komen.’

Verandert Werkendam in de terugblik toch nog in een idylle?
‘Nee nee, absoluut niet. Vrouw Pipo vroeg me: “Ben jij er niet eentje van Jan van Koos van bode Visser” – mijn opa was bode geweest, vandaar. Toen voelde ik gelijk weer die sociale controle, die enorme benauwenis. Tegelijkertijd werd ik in dat dorp wel degelijk overvallen door heimwee. Ik ben losgeslagen en verdwaald en ik had er zo graag bij willen horen – dat gevoel kwam rechtstreeks uit mijn hart. Dat gevoel zit denk ik ook in Hemelval.

Ben je al aan een volgend boek bezig?
‘Ik ben er pas mee begonnen - misschien wel opgejaagd door de recensies; dan hoef ik me daar in ieder geval niet mee bezig te houden. Schrijven doe ik tussen mijn werk als journalist door, en ik heb nog mijn kinderen. Gelukkig vind ik het niet moeilijk om in parallelle werelden te leven. Ik schrijf om het leven te bezweren, denk ik. Leven vind ik best moeilijk. Als je kind bent, is alles mogelijk, je kunt nog politieman worden, brandweerman, piloot. Maar als je uit huis gaat, eindelijk de grote wereld in, dan ontdek je dat helemaal niet alles mogelijk is, dat het leven tegenvalt. En dan kun je niet meer terug. Ik houd van romans waarin de actualiteit een rol speelt, maar in mijn boeken zul je die niet aantreffen, ik ben er te melancholiek voor. Ik heb een onbestemd verlangen naar wat voorbij is. Dat is de Lode Bast in mij.’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)