Interview met Arno Geiger
‘Eén patiënt kan met gemak vier, vijf mensen uitputten’
Door Guus Bauer (18 april 2012)


Romans over een demente ouder zijn meestal uitsluitend intriest. Af en toe kunnen ze de lezer nog ontroeren of besmuikt laten glimlachen. De oude koning in zijn rijk van Deutscher Buchpreis-winnaar Arno Geiger (1968) graaft veel dieper. Het is niet alleen een tijdloos onderzoek naar een schimmig voorgeborchte van de dood, maar ook een relaas van een zoon die zich gaandeweg realiseert dat hij niet kwaad is op de persoon maar op de ziekte.

Wanneer is de ziekte van uw vader romanmateriaal geworden?
‘Ik heb een zuster en twee broers. Toen wij eindelijk doorhadden dat onze vader aan Alzheimer leed, ben ik een dagboek gaan bijhouden, haast op een krampachtige wijze. Ik wilde de wereld voor hem proberen vast te houden. En eigenlijk ook voor mijzelf. Er ontstond een spanningsboog toen ik besefte hoe afschuwelijk “het vergeten” eigenlijk is. Het boek dat eruit voort is gevloeid is geen fictie. Voor de eerste keer hoefde ik niets te verzinnen. Ik zou het een memoir willen noemen, een autobiografisch bericht over een ziekte.’

En over een verrassend sterke man?
‘Jazeker, maar ook over onze jeugd, over het gemeenschappelijke leven. Mijn moeder is jonger dan mijn vader en in eerste instantie dachten we dat de scheiding zijn passiviteit veroorzaakte. Hij was een uitstekende vader maar is ten opzichte van ons altijd ietwat afstandelijk geweest. Het heeft er lang op geleken dat zijn slechte gewoontes en eigenaardigheden alleen maar uitvergroot waren. Hij heeft het goed voor ons kunnen verbergen. Een paar dagen geleden was ik bij hem in het verzorgingstehuis. Hij is nog steeds een krachtige persoonlijkheid, iemand die blijft vechten. In het kader waarin we gedwongen zijn, kunnen we heel goed met elkaar communiceren.’

Beter dan vroeger?
‘Eigenlijk wel. Angst is een slechte raadgever. Zodra de diagnose is gesteld, verlies je als kind de moed. Ik dacht dat zijn leven eigenlijk voorgoed voorbij was. Het is een fout om de hoop relatief vroeg op te geven. De kwaliteit die overblijft, heeft me verrast. Geen enkel ziektebeeld is hetzelfde.’

Generaliseren is gevaarlijk?
‘Het is zaak om je kwaadheid en je irritatie te verleggen van de persoon naar de ziekte. Ik heb me een houding kunnen geven en vond het belangrijk om hierover te schrijven. Daarnaast wilde ik de patiënten die aan Alzheimer lijden, wat meer aanzien geven. Er wordt vaak besmuikt over ze gelachen. Omstanders zijn ongeduldig en kijken op ze neer. In de ogen van de snelle maatschappij zijn het uitgerangeerde mensen.’

Uit de hartverscheurende en tegelijk ontroerende dialogen tussen u en uw vader die voorafgaan aan de hoofdstukken, blijkt dat u zelf ook een nieuw idioom gebruikt.
‘Het heeft alles te maken met geborgenheid en solidariteit. Mensen die Alzheimer hebben, zijn constant letterlijk en figuurlijk op zoek naar hun huis, ook als ze bij de eigen open haard zitten. Je bent geneigd om de patiënt te corrigeren. “Vader, je bént thuis.” Toen hij op een gegeven moment voor de zoveelste keer aan mij vroeg wanneer hij naar huis mocht, heb ik gezegd dat ik met hem meeging. “Eindelijk iemand die me gelooft,” zei hij met een zucht van opluchting. Daarna stelde ik hem voor om in elk geval eerst onze koffie op te drinken. Ik appeleer daarmee aan zijn sociale geweten. Na een halfuur ging hij tevreden naar bed. Je wordt bevrijd van oppervlakkigheden. De verhouding is heel elementair. Je wordt gedwongen om los te laten.’

Uw vader kan heel bedachtzaam uit de hoek komen. Dat moet u als schrijver hebben geïntrigeerd?
‘Door de kortsluiting in zijn brein kan hij soms zijn zinnen niet afmaken. Dan zoekt hij vaak heel verassende omwegen. Zijn spontane antwoorden zijn soms heel slim. Als schrijver heb je daar een oor voor. Het is bijna niet te bevatten dat hij wel een hulp Duits kan leren, maar niet zelfstandig een boterham kan eten. Mijn zus is musicus en heeft veel met hem gezongen en muziek gemaakt. Ieder moet zijn eigen weg vinden om met de ziekte om te gaan.’

Hoe reageerde uw familie op de verschijning van dit intieme portret?
‘Ik heb het manuscript vooraf aan mijn moeder, broers en zus laten lezen. Mijn oudste broer is heel trots. Hij wil het boek het liefst de hele dag onder zijn arm meenemen om het aan iedereen te laten zien. Ik heb ook niets hoeven uitvinden, de feiten zijn correct weergegeven. Mijn perspectief hebben ze geaccepteerd. Tot mijn verbazing vond ook mijn moeder het een geweldig boek, terwijl ik geen blad voor mijn mond heb genomen over het huwelijk van mijn ouders. Hoewel de thuiszorg soms erg zwaar was, één patiënt kan met gemak vier, vijf mensen uitputten, heeft de ziekte ons als familie dichter bij elkaar gebracht. In een helder moment zei mijn vader, een familieman bij uitstek: “Dan is er toch nog wat goeds van gekomen.”’

Hij heeft zijn zachte kant getoond?
‘Hij kan onbezwaard vriendelijk zijn. Conflicten uit het verleden spelen geen grote rol meer. Ik heb alles tegen hem gezegd wat ik zeggen wilde. Natuurlijk maakt hij me nog weleens verwijten, de relatie tussen kinderen en ouders is vaak een slagveld, maar we kunnen ze nu gemakkelijker uit de weg helpen. Ik ben denkelijk ook zachtaardiger geworden.’

U schrijft: ‘Ik merkte dat ik op het punt stond iets over mezelf te weten te komen – het was alleen nog niet duidelijk wat.’
‘Toen hij de ziekte kreeg was ik eind twintig. Ik was jong en gezond en de wereld behoorde mij toe. Toen realiseerde ik me hoe machtig deze ziekte was en hoe zwak we als mens eigenlijk zijn. Onze familie schaarde zich toen om hem heen. Je hoopt dat als je zelf zwak bent dat iemand je dan ook bij de schouders grijpt. Een gebrek aan mogelijkheden heeft soms ook iets bevrijdends. Niet voor niets worden de alinea’s tegen het einde van het boek steeds korter. Ik heb leren reflecteren, meer met nuance kijken. De meeste bewoners van het verpleegtehuis blaken van levenslust, op een zeer elementaire wijze. Ze lijden een leven met plezier en droefenis. Ze kunnen spontaan zijn en ondanks alles toch krachtig. Het verschilt niet zoveel van het leven buiten de muren.’

U heeft ook veel in zijn nabijheid zitten werken.
‘Hij hield mijn schrift vast als ik zat te schrijven, alsof hij me bij mijn huiswerk hielp. Steeds vroeg hij me of hij me ergens mee kon helpen. Hij wilde zich graag nuttig maken. Ik heb hem meermaals gezegd dat hij me het meeste van allemaal heeft geholpen. Dan zei hij: “Zeg zoiets niet”. Toen het boek van de drukker kwam, ben ik naar hem toegegaan en heb hem bedankt voor de samenwerking. “Graag gedaan,” zei hij. “We hebben alles tot een goed einde gebracht.”’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)