Interview met Arthur Japin
‘Als een zondagskind iemand is die kan doen wat hij leuk vindt, dan ben ik een zondagskind’
Door door Annemiek Neefjes (9 maart 2006)


Arthur Japin gaat als een Naturally Born Star op tournee. De schrijver van het Boekenweekgeschenk heeft de komende weken drie en soms wel vier optredens op een dag. Zondag 19 maart reist hij in zijn eigen Arthur Japin Express door het land, samen met het NS-Harmonieorkest. ‘Ik moet echt rare dingen doen. Maar ik vind het leuk. Als iets eigenlijk niet hoort, als mensen het niet verwachten, doe ik het juist graag. Vorig jaar vroeg Paul de Leeuw me of ik naakt wilde poseren voor een kalender met naakte BN-ers. Ik riep meteen ja. Uiteindelijk ging het niet door, want van de twaalf wilden alleen Huub Stapel en ik.’

Japin werkt in een Sport and Health Center iedere dag aan zijn conditie. Om zeker te zijn dat hij de Boekenweek doorkomt, heeft hij ook een griepprik gehaald. Voor Japin is het schrijven van het Boekenweekgeschenk De grote wereld de kroon op zijn schrijverschap. Dat begon precies tien jaar geleden met Magonische verhalen. Japin was toen veertig jaar en had al een bescheiden carrière achter de rug als acteur, operazanger en liedjes-schrijver. Op zijn naam staan inmiddels twee bestsellers, De zwarte met het witte hart (1997) en Een schitterend gebrek (2003), waarmee hij de Libris Literatuur Prijs won. Zojuist verscheen De klank van sneeuw, een bundel met twee novellen. Ook in het buitenland is zijn werk een groot succes.

Niet het type van de gekwelde kunstenaar
‘Heel lang wilde ik niet aan het schrijven toegeven,’ vertelt Japin in zijn huis in hartje Utrecht. ‘Mijn vader was schrijver en dat zag er alles behalve gelukkig uit. Pas toen ik bij de Nederlandse Opera tijdens een repetitie van La Vie Parisienne moest invallen voor Marco Bakker, voelde ik dat het theater niets was voor mij. Tegenover dat gigantische orkest kon ik amper mijn partij vasthouden, het was een traumatische ervaring. Ik snap nog altijd waarom iemand acteur wil worden, maar niet dat iemand het ook wil blíjven.’

Japin communiceert via zijn verhalen met zijn publiek, zegt hij. De eenzaamheid van de werkkamer valt hem alles behalve zwaar. ‘Ik ben niet het type van de gekwelde kunstenaar. Ik heb plezier in het schrijven. Ik vind het heerlijk om me in mijn figuren in te leven. Creëren gaat altijd gepaard met twijfel, maar het inleven kost me geen enkele moeite: ik doe mijn ogen dicht en ik zie ze voor me.’

In De grote wereld draait het om ‘kleine mensen’. Toen Japin in 1995 zijn ouderlijk huis leegruimde, vond hij drie briefkaarten die in de jaren dertig aan zijn vader waren verstuurd. Er stonden lilliputters op uit Märchenstadt Lilliput, een dwergdorp dat kort voor de Tweede Wereldoorlog als een mobiel attractiepark door Europa trok, net als vele andere dwergdorpen. Japin: ‘Later hoorde ik van leden van de Vereniging van Kleine Mensen dat zij nog in de jaren zeventig door Toni Boltini waren benaderd. Die wilde weer zo’n dorp beginnen.’

‘Als je verliefd bent, wil je alles van iemand weten, je voelt een grenzeloze nieuwsgierigheid. Dat had ik ook toen ik die briefkaarten zag. Ik wist meteen: dit moet een boek worden.’ Hij ging op zoek naar informatie. Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, waar hij zijn zoektocht begon, kon hij niets vinden. Wat later las hij in een studie dat de nazi-arts Josef Mengele een morbide belangstelling voor lilliputters had. ‘Zowel voor als tijdens de oorlog deed hij “wetenschappelijke” experimenten met ze. In Auschwitz liet hij ze voor hem optreden. Wat een waanzin, gewéldig – dat zeg ik als schrijver – en tegelijkertijd raakte ik vast. Ik vertrek in mijn werk graag vanuit de werkelijkheid, maar als ik eenmaal schrijf wil ik totale vrijheid hebben. Die heb je niet als je over Auschwitz schrijft.’

Ondermens, wondermens
Het project kwam op de plank terecht. Tot hij vorig jaar werd gevraagd voor het Boekenweekgeschenk. Bij traditie mag dit de negentig pagina’s niet overschrijden. ‘Toen dacht ik: als ik mijn verhaal nu eens laat eindigen in 1939. Het kwam opnieuw tot leven.’ In het verhaal blijft voor Mengele nog een bijrolletje over, in de figuur van een instituutsonderzoeker erfelijke biologie. ‘Ondermens, wondermens, maakt het dezer dagen nog iets uit?’ denkt Japins personage Lemmy, als die besluit zich tegen een vergoeding aan het bizarre onderzoek bloot te stellen.

Lemmy wordt in Dreamland geboren, het vroeg twintigste-eeuwse, spectaculaire amusementspark op Coney Island in New York, waar ook in werkelijkheid een dwergdorp bij hoorde. Zolang Lemmy tussen de kleine mensen woont, en zijn moeder hem binnenhoudt wanneer het dorp open is voor publiek, voelt hij zich als alle anderen. Maar wanneer hij voor het eerst ‘gewone mensen’ ziet, verschuift zijn perspectief op ingrijpende wijze. Hij voelt zich vanaf dat moment anders, hij voelt zich klein, hij voelt zich minder. Vanaf dat moment ook leert hij de wereld van het veinzen kennen, van de dwergen die van zichzelf een act maken - in de vergeefse hoop dat ze via de lach geaccepteerd zullen worden.

Japin vertelt dat hij pas later besefte dat hij met Lemmy een typisch Japin-personage had gecreëerd. En inderdaad. Lemmy is een buitenstaander, net als de twee zwarte prinsjes in De zwarte met het witte hart en net als Lucia in Een schitterend gebrek. Hij hoort er niet bij en dat voelt hij iedere seconde van de dag. Via Lemmy - en ook via Lemmy’s vrouw Rosa, zijn broodnuchtere grootmoeder, de clubdanseres Mazeppa - onderzoekt Japin het dilemma: aanpassen of afzonderen. ‘Toen het verhaal af was, heb ik delen eruit voorgelezen bij de Vereniging van Kleine Mensen. Zij konden zich in het verhaal herkennen. Ze voelden zich begrepen.’

Buitengesloten
Japin geeft zonder aarzelen toe dat het thema een autobiografische basis heeft. ‘Ik heb mezelf lange tijd buitengesloten gevoeld. Op school werd ik gepest, in elkaar geslagen. Eerst doe je nog je best om erbij te horen, verloochen je jezelf, maar op een gegeven moment ga je geloven dat zij gelijk hebben, dat je niet deugt. Je bedenkt een tweede werkelijkheid en raakt geïsoleerd.’

Hij heeft geen idee waaróm hij werd gepest. ‘Misschien voelden ze dat er bij mij thuis iets mis was,’ zegt hij, ‘dat ik kwetsbaar was.’ Hij herinnert zich hoe zijn vader zijn moeder met haar hoofd tegen de muur sloeg, Arthur Japin gooide een glas op de grond en stapte er met zijn voet in, om aandacht te trekken. ‘Mijn vader, die mij nooit sloeg, kwam naar me toe om me te troosten. Ik voelde altijd dreiging, was altijd op mijn hoede. Ik heb al vroeg geleerd om mensen en situaties in te schatten. Daarom is het voor mij misschien gemakkelijk om me in mijn personages in te leven. Het is mijn tweede natuur geworden.’

In de Boekenweektest 2006, het boekje dat tijdens de Boekenweek door de openbare bibliotheken cadeau wordt gedaan, staan tientallen foto’s uit het privé-fotoalbum van Japin, met onderschriften. Hij schrijft er onder meer dat hij zich tijdens zijn Amsterdamse studentenjaren vrij begon te voelen. Japin: ‘Ik ontmoette in die tijd Rosita Steenbeek. Zij durfde gewoon haar eigen gang te gaan. Ze leerde me dat ik me niet voor mezelf hoefde te schamen. Dat ik gewoon kon zijn wie ik was, was voor mij een enorme bevrijding.’

Japin wil dat zijn verhalen op het einde hoop bieden: ‘Er moet een hand zijn die de lezers kunnen grijpen.’ Als schrijver voelt hij zich een soort zendeling, zegt hij: luister naar mijn verhaal, misschien heeft u er iets aan. Maar de zendeling Japin heeft zijn publiek ook nódig. ‘Als acteur kon ik me niet blootgeven, als schrijver voor publiek kan ik dat wel. Als er honderd mensen in de zaal zitten, voel ik me met alle honderd verwant, alsof ik ze alle honderd persoonlijk ken. Deze mensen hebben zich in mijn verhaal herkend. Hebben zich in míj herkend. Niets voelt zo prettig als dat.’

Toch is Japin opmerkelijk laconiek over zijn literaire toekomst. ‘Ik ben nu aan het schilderen, dat vind ik ontzettend leuk. Misschien besluit ik wel om me de komende jaren hier aan te wijden. Als een zondagskind iemand is die kan doen wat hij leuk vindt, dan ben ik een zondagskind.’

Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)