Interview met Bregje Boonstra
‘Je kunt kinderen léren van boeken te houden’
Door Annemiek Neefjes (23 april 2009)


Bregje Boonstra wóónde als kind zo ongeveer in de plaatselijke bibliotheek, zo vaak kwam ze er. Later werd ze jeugdbibliothecaresse en ging ze scholen langs om onderwijzers en leerlingen boeken aan te bevelen. In 1983 vroeg een vriendin of Boonstra voor haar in wilde vallen als kinderboekenrecensente, bij NRC Handelsblad. Niet veel later las je in het Cultureel Supplement wekelijks haar opinie over nieuwe kinderboeken. Na tien jaar voor NRC schreef ze even zoveel jaren voor De Groene Amsterdammer, tot 2004.

Boonstra had als belangrijk uitgangspunt dat het kinderboek op zijn literaire merites werd beoordeeld. Nu komt ze met Wat een mooite!, een kloek boek met portretten van acht kinderboekenschrijvers die samen een ‘piepkleine gouden eeuw’ vormen. Die eeuw bloeide in de periode dat zij recenseerde, met Paul Biegel, Imme Dros, Guus Kuijer, Els Pelgrom, Toon Tellegen, Wim Hofman, Peter van Gestel en Joke van Leeuwen.

Boonstra: ‘Laatst zag ik in de Volkskrant een groot interview met Paul van Loon, die zo in de smaak bij kinderen valt.’

Is dat niet terecht?
‘Jawel, maar dan denk ik: hij verkoopt zichzelf wel, daar hoef je als recensent niet ook nog aandacht aan te besteden. Ik heb het altijd als mijn taak gezien, Taak met een hoofdletter,’ zegt ze licht spottend, ‘om ouders en onderwijzers te informeren over boeken die kinderen niet uit zichzelf pakken. Joke van Leeuwen kreeg eens een briefje van een meisje: “Jij hebt mij anders leren denken.’’ Het raakt mij dat zo’n kind dat schrijft.’

Hoe weet u als volwassene wat een kind mooi vindt?
‘Dat weet je natuurlijk nooit, er bestaat ook niet maar één soort kind. Ik herinner me dat mijn zoon eens een boek met rode oortjes las, dat heb ik toen in mijn recensie geschreven. Maar ik schreef ook waarom ík dat boek driemaal niks vond. Hier heb je dus het probleem van de kinderboekenrecensent in een notendop.’

Tellen de rode oortjes dan niet mee?
‘Natuurlijk wel - maar mij ging het erom dat je kinderen kunt léren houden van boeken. Op dit moment lijkt iedereen zich vooral af te vragen of een boek het kindervolk wel bevalt. Kees Fens zei eens: ‘’Ieder kind moet een keer een boek lezen dat precies in zijn hoofd en hart past.’’ Ik denk dat dit vaak een boek is dat iemand het kind aanreikt. Ik las ontzettend graag meidenboeken met happy endings. Toen gaf mijn oma mij Anna Menander van An Rutgers van der Loeff. Het is een verhaal over een meisje dat verliefd is, die verliefdheid speelt het hele boek door, maar op het einde van het boek besluit ze toch om niet met hem mee te gaan, ze denkt: er is meer in het leven. Dat inzicht sloeg bij mij in als een bom: zo vrij kon je dus denken. Zo’n leeservaring gun ik iedereen.’

Voor Wat een mooite! sprak Boonstra uitvoerig met de auteurs. Alle acht hebben zij voor hun werk de Theo Thijssen-prijs gekregen, de P.C. Hooft-prijs van de kinderliteratuur. Boonstra prijst taal en vorm, het kinderlijke en opene, de anti-mevrouwen en - meneren mentaliteit en de verbeeldingskracht van de oeuvres. Paul Biegel neemt voor haar een speciale plek in. ‘We kennen een lange traditie van realisme, van Ot-en-Sien en Afke’s tiental tot en met Annie M.G. Schmidt; ook haar verhalen en versjes komen duidelijk uit de Nederlandse klei. Biegel is de grootste verhalenverteller van Nederland. Je hoefde hem maar drie woorden te geven of hij stak van wal. Zijn verhalenwereld staat vol kastelen en herbergen en er lopen dwergen, reuzen en heksen in rond. De tuinen van Dorr bijvoorbeeld is vol fantasie en gaat toch over wezenlijke dingen, over moed en trouw en over liefde die sterker is dan de dood.’

Ze vertelt bevlogen en precies, alsof ze Biegels verhaal van de dappere prinses Mijnewel opnieuw beleeft. Precies daar is Biegel zo goed in, zegt ze: ‘Onwerkelijke verhalen als werkelijk laten ervaren. Thea Beckman is ook een goed verhalenverteller, maar met een taal waarbij je in slaap valt, met bordkartonnen figuren. En erg moralistisch.’

De meeste schrijvers uit Wat een mooite! zijn generatiegenoot van u, opgegroeid vlak na de Tweede Wereldoorlog. Speelt herkenning voor u een rol?
Verrast zegt ze: ‘Dat had ik zelf nog niet bedacht. Het zou goed kunnen. Ik ken de sfeer van de jaren vijftig, van doe maar gewoon, van strakke regels. Net als bij een aantal schrijvers in mijn boek komt daar misschien ook bij mij het verlangen naar dwarsheid vandaan.’

Dat ‘haar’ schrijvers tot een generatie behoren betekent niet, zegt ze er onmiddellijk bij, dat zij voor maar één generatie van waarde zouden zijn. ‘Als die indruk ontstaat zou ik dat erg vinden, dat zou het tegendeel zijn van mijn bedoeling. Ik ben op zoek - zo heb ik altijd geschreven - naar dat wat kan blijven. De ode aan dwarsheid en onaangepastheid kan ook vandaag nog gezongen worden: kinderen van nu moeten zich aanpassen aan hoe hun vaders en moeders leven, aan hun drukte, ze voelen de verwachting van groot worden en dan geld verdienen.’

Ze vertelt over Guus Kuijer, die met zijn Madelief-boeken de vrije jaren zeventig scherp neerzette maar met Madelief vooral ook een karakter schiep met een ‘grote mate van tijdloosheid’. Boonstra: ‘Kuijer vertelt het verhaal van een kind, hoe zij naar de wereld om haar heen kijkt, naar het gedoe van volwassenen. Schrijven vanuit het kinderperspectief is moeilijker dan het misschien lijkt. Ik heb net Tiffany Dop van Tjibbe Veldkamp gelezen, over een boos meisje van een jaar of dertien dat zo graag een kind wil, omdat dat de lieve kanten in haar naar boven brengt. Ze gaat op zoek naar zaadjes. Je zou kunnen zeggen dat het over deze tijd gaat, over tienerzwangerschap, en het verhaal is goed en geestig geschreven, maar het is niet geloofwaardig. Het meisje denkt schrijversdingen, je hoort de auteur er dwars doorheen.’

Het gouden eeuwtje is voorbij, schrijft u. En nu?
‘In de periode 1980-2000 was er een verbond tussen schrijvers, critici en uitgevers die probeerden het kinderboek in literair opzicht te emanciperen. Nu zie ik nogal eens dédain voor alles wat literatuur zou kunnen zijn. Het zal wel een reactie zijn. Maar ze gooien een mooi kind met het badwater weg.’ Strijdvaardig: ‘Ouders en onderwijzers voelen zich nog vaak hulpeloos, dan vraagt een moeder me: mijn kind wordt zeven, welk boek moet ik haar toch geven? Ik zou graag een boek schrijven dat wegwijs maakt in kinderboekenland, met tips die ik goed onderbouw. Als dit betweterig klinkt, nou, dan moet dat maar.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)