Interview met Breyten Breytenbach
Een boek is een bot, de schrijver de hond die het opgraaft
Door Guus Bauer (26 april 2009)


‘Als je schrijft, vind je een niet bestaand individu uit: de schrijver. Gelukkig is er ook de lezer die met zijn aanwezigheid zorgt dat het boek zijn evenwicht bewaart. Het boek is het trefpunt en het gemeenschappelijke bestaan. Misschien zoek ik als schrijver mijzelf. Misschien besta ik alleen bij de gratie van de gedachten van de lezer.’

Van de Zuid-Afrikaanse dichter, schrijver, schilder en activist Breyten Breytenbach (1939) verschenen vorig jaar maar liefst twee boeken in vertaling: de bekroonde dichtbundel De windvanger, een keuze uit zijn omvangrijke poëtische oeuvre, en Woordvogel, na het in 2006 verschenen Intieme vreemde het tweede deel van zijn vierdelige schrijfbiografie The Middle World Quartet. Het lijkt of Zuid-Afrikaanse auteurs, zoals J.M. Coetzee, Etienne van Heerden, Ingrid Winterbach en van de jonge garde Richard de Nooy, patent hebben op taalgevoelige boeken met identiteitsverschuivingen. Ook Woordvogel is geen autobiografie in de klassieke zin.

In Woordvogel voert u met Breyten Woorddwaas een extra ‘ik’ op.
In de loop der jaren is het voor mij duidelijk geworden dat er zich bij het schrijven een tweede bewustzijn vormt. Tijdens het proces kristalliseert zich als het ware een extra personage naast je uit dat het mogelijk maakt om op twee gedachten te hinken. Net zoals wanneer ik schilder. Dan is een ander gedeelte van mijn brein bezig met zeg maar ‘kliekjesgedachten’, parallelle hersenspinsels. Ik denk bijvoorbeeld aan de vrouw die mij eerder op de dag hinderde in het verkeer en begin te vloeken, een instinctieve duplicatie.

Altijd een notitieblok bij de hand voor nevengedachten?
Er is een voortdurende conversatie met jezelf en de omgeving. Uiteindelijk wordt een gedeelte daarvan wellicht vertaald in nieuw werk. Ik noteer weleens een lijn, een observatie of een treffend beeld. Mijn studenten in New York leer ik om in de morgen te werken, met regelmaat, in blokken van maximaal twee uur. Ik zeg dat ze altijd pen en papier bij de hand moeten hebben. Ze dienen hun notitieblok te zien als een extern seksorgaan. Zelf doe ik dat alles niet. En ik heb het ook nooit gedaan. Onlangs ben ik mijn koffer kwijtgeraakt tijdens een reis van Dakar naar Barcelona. Daar zaten notitieboeken in van belang voor het manuscript waaraan ik nu werk. Vroeger zou me dat niet deren, maar mijn geheugen is met het klimmen der jaren eenvoudigweg minder geworden.

U leeft bijna in een vliegtuigstoel.
Ik heb een zogenaamde ‘internationale agenda’. Ik heb nog steeds een bijna onafnemende behoefte om mij overal over uit te spreken. Misschien dat ik daarom in de vier ‘taalboeken’ een dialoog met mijzelf nodig had. Hoe meer je reist, hoe meer je geïsoleerd raakt. Je hebt iemand nodig waarmee je ideeën kunt uitwisselen, als een spiegelnotitie.

Dat verklaart wellicht ook waarom de meegemaakte gebeurtenissen in Woordvogel van ondergeschikt belang lijken.
Ik kan mij niet voorstellen om een recht toe rechtaan autobiografie te schrijven. Jezelf ‘van belang vinden’ is pompeus, meer iets voor politici. Ik weet dat men in dit genre verwacht dat je schrijft over de dingen die je hebt gedaan, de ‘belangrijke’ mensen die je kent. Vertel me over het diner met Mitterand of hoe is Mandela nu echt. Ik zou dat niet op papier kunnen zetten, maar indirect wel in het brein van iemand anders kunnen stoppen. Ik speel de twee Breytens tegen elkaar uit. Het zijn schaduwboksers.

Onze herinneringen zijn gekleurd?
Het klinkt als een paradox maar we moeten het verleden vertalen via de verbeelding. Anders is er geen toegang tot de realiteit. Het personage Woorddwaas toetst de fictie aan de werkelijkheid en vice versa. Al onze herinneringen worden door de tijd geverfd. We spelen voortdurend toneel, een menselijke noodzaak. Interessant daarbij is de ethische component. Tot welk punt mag je gaan. Een schrijver moet zich bewust zijn van de gevolgen van zijn verbeelding. In zijn personages en in zijn taal. Let wel: ik doel niet op een morele verplichting.

Intieme vreemde en Woordvogel lijken wel onderdeel van een manifest. De ouder wordende man die zijn literaire testament schrijft?
De boeken zijn ontstaan uit projecten met mijn Amerikaanse studenten. Ik voelde de noodzaak, waarschijnlijk vanwege een restje calvinistisch schuldgevoel, om zo nu en dan de resultaten van de discussies die we voerden op papier te zetten. Dat was overigens niet erg succesvol want de studenten gaven weinig tot geen respons op mijn stukken. Waarschijnlijk een culturele barrière. Bij mij was er ook de noodzaak om een balans op te maken. Begrijp ik op dit moment nog wie ik ben? Je bent geen afgebakend persoon, maar een prisma. Schrijven is voor mij het achterlaten van resten van het proces van verandering.

Wij hebben echt met deze boeken een dag of veertien ‘geleefd’. Ze nodigen uit tot reflectie.
Als iemand die omgaat met gedichten ben ik mij heel erg bewust van het belang van ritme in een boek. Er bestaat zoiets als een natuurlijke adem van een tekst. Voor mij is de essentie het bijna instinctief zoeken naar de absoluut noodzakelijke bestanddelen. Maar zelden weet je of je het gevonden hebt. Het diepere ritme is de verpersoonlijking van een denkwijze.

U schrijft in het Zuid-Afrikaans, u woont grotendeels in Frankrijk en u geeft les in het Engels. Heeft dat invloed op uw taalgebruik?
Het is als het bespelen van klavieren. Wanneer ik filosofische stukken wil schrijven, dan gaat dat beter in het Frans, toch een taal waarin je makkelijker kunt uitweiden. Langere prozateksten schrijf ik in het Engels. Zoals bij elke ouderwordende pianist zijn de vingers wel wat stroever dan voorheen. De gedichten schrijf ik bijna zonder uitzondering in het Zuid-Afrikaans.

Is meertaligheid een groot voordeel bij het schrijven?
Absoluut. Je kunt bijvoorbeeld gezegdes en spreekwoorden letterlijk vertalen en opeens heb je bijzonder originele beelden. ‘To look the cat out of the tree’ klinkt als het begin van een surrealistisch sprookje. Je kunt een vreemde taal gebruiken als maatstaf. Ook hier is het weer een spiegelgevecht.

Vandaar ook de drang om te reizen?
Het is opnieuw paradoxaal. Ik reis om nieuwe werkelijkheden te openen. Maar tegenwoordig is het ook vaak een terugreis naar een plaats waar ik al meerdere malen ben geweest. Nergens word ik zo dicht op mijzelf teruggeworpen als wanneer ik rondtrek. Denk aan de spontane, niet noodzakelijkerwijs prettige, interacties op een luchthaven, bij uitstek een neutrale, bijna antiseptische omgeving.

Alleen in de taal bent u werkelijk thuis?
Het woord als reisgenoot. Ik zit vaak notities te maken op een plaats waar niemand mijn taal beheerst. In dat geval is de taal bijna een persoon waarmee je dialogen voert.

In Zuid-Afrika hebt u ten tijde van het apartheidregime een aantal jaren gevangengezeten vanwege uw teksten en activiteiten. Is het niet vermoeiend dat u nog steeds wordt uitgenodigd als gastspreker op seminars over bijvoorbeeld censuur?
Ik ervaar het als een groot probleem. Ik ben niet de verpersoonlijking van verzet, maar dichter, auteur en beeldend kunstenaar. Het levert veel misverstanden op. Mensen projecteren hún verbeelding op jou en hun behoefte om empathie en sympathie te tonen. Dat levert een scheve verhouding op, want je kunt niemand écht vertellen hoe het daadwerkelijk was. Elke extreme gebeurtenis herbergt het bijna automatisch in zich dat die niet exact in woorden is onder te brengen. Ik krijg steeds de behoefte om mensen te schofferen en ze zodoende uit hun denkbeeld over jou wakker te schudden. In feite ben je na de celstraf opnieuw gevangen, bijna gebalsemd in de illusies van anderen.

U schrijft: ‘De gevangenschap heeft mij voor altijd getekend, maar mij daarnaast ook voorgoed bevrijd van literaire angst.’
Soms moet je een beetje opscheppen. In de trant van: kom maar op als je durft. Iedereen die in een cel heeft gezeten of tegen zijn wil buiten het vaderland moest verblijven, leeft meer dan alleen letterlijk in ballingschap. Het breekt uiteindelijk het raamwerk van conventies af. Je bent niet meer bang om jezelf voor gek te zetten. Een vreemd bevrijd gevoel, ook een stuk zelfbescherming.

U bent nog altijd ‘ politiek’ actief. Bent u nog steeds heel uitgesproken? Of vindt u dat u als dissident het meeste werk wel hebt verzet?
Ik ben milder geworden, minder uit op het shockeffect. Mijn meningen zijn door de tijd met de kaasschaaf bewerkt. Een overtuiging wordt een keuze. Als je jong bent is jóuw doel het meest belangrijke. Er bereiken mij dagelijks brieven van overal over de wereld met verzoeken om steunbetuigingen. Ik raad de meeste mensen aan om eerst een beetje meer te leven. Sommige vroege overtuigingen zijn in de loop van mijn leven ‘de waarheid’ geworden. Mijn relatie met de overheid is een constante. Ik ben altijd op mijn hoede voor zichzelf rechtvaardigend machtsmisbruik en zal altijd een voorvechter blijven van de mens als vol functionerend burger, sociaal, cultureel en economisch. In Zuid-Afrika is de scheiding tussen de elite en de rest van het volk heel groot.

Is kunst in algemene zin het geneesmiddel? Lucebert schreef een gedichtenserie ten tijde van uw gevangenschap. Hebt u zelf ook de behoefte om dit voor derden te doen?
Absoluut. Het gebaar van solidariteit is van onschatbare waarde. Ook al krijgt men het in de cel vaak niet onder ogen. Remco Campert stelde in die tijd een bundel samen. Het respect dat daaruit spreekt is belangrijk. Het is geen medicijn, maar laat ik zeggen dat je je er aan kunt laven. Als je het geluk hebt om het te overleven.

Wordt een schrijver beter van groot persoonlijk leed?
Ik denk van wel. Alleen al door de vragen die een dergelijke situatie oproept. De confrontatie maakt je bewust van de noodzaak om helder te schrijven, om te zoeken naar diepere ritmes en structuren. En daarbij onvermijdelijk naar de sociale verantwoordelijkheden. De schrijver kan er na het bloeien weer van opbloeien.

De jonge schrijvers hebben geen oorlog, geen getto, geen IJzeren Gordijn. Waar moeten zij uit putten?
+ Ik gun ze geen tralies of bittere strijd. Werkelijke opties te herkennen is de nieuwe uitdaging. Ik vind het al knap hoe jonge mensen zich staande weten te houden in de consumentenoorlog.

De boeken van Breyten Breytenbach zijn het beste in zijn eigen taal te kwalificeren, de taal die hij heeft opgeëist om in het reine te komen met chaos en opschudding. Hij vilt de woorden tot ze schitteren als primaire tekens, de symbolen van een vergeten samenzijn van de wereld binnen en buiten ons. De vorm en het patroon, en het doorbreken ervan, geven resonantie en bevorderen daarmee de bewustwording. Een bitterzoete toon vult de holte van het leed.

Intieme vreemde en Woordvogel zijn geen vluchtwegen, maar genuanceerde toegangspoorten tot de werkelijkheid. Breytenbach brengt een nieuw gebied in kaart en tegelijkertijd het tijdloze in herinnering. Poëzie is zijn moedertaal, in welke woorden die zich ook ophoudt of verstopt. Breytenbach is een man die je misschien ontheemd zou kunnen noemen, slechts thuis in zijn taal en herinneringen. Beweging is zijn bron van bestaan. Iemand die moet blijven reizen omdat de aarde ontdekt en herinnerd moet worden, steeds weer opnieuw, anders wordt ze koud en ondoorgrondelijk. De dichter is gedoemd geen rust te kennen. De poëzie als serpentine van het bewustzijn, de worm van vluchtigheid, is per definitie niet bezig vrede te zoeken of vrede te sluiten.

Breyten Woorddwaas is de woordmeester die toezicht houdt over de uitvoering van een gewichtig project. Haarscherp bekritiseert hij tussen de regels door de politici en de misstanden van deze wereld. Om met zijn beroemdste roman te spreken: De ware bekentenissen van een witte terrorist.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Door Guus Bauer (22-03-2019)
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)