Interview met Christiaan Weijts
‘Ik inspecteer slechts de puinhopen’
Door door Annemiek Neefjes (10 november 2006)


Binnen de kortste keren werd Art. 285b dé roman die lezers elkaar aanbevolen. Het begon met de staande ovatie die hij kreeg van Geerten Meijsing in Vrij Nederland. De ene na de andere enthousiaste kritiek volgde. Vorige week ontving Christiaan Weijts voor zijn debuut de Anton Wachterprijs en het is bovendien genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Weijts, in het dagelijks leven redacteur van het Leidse universiteitsblad Mare: ‘Ik heb genoeg te doen om er niet te lang bij stil te staan.’

Was die bevestiging niet belangrijk voor je?
‘Nou ja, toch wel. Schrijven heeft iets treurigs, je zit opgesloten in je eigen megalomanie. Ik was zelf wel overtuigd van de kwaliteit, dat moét wel als je aan het schrijven bent, maar toen ik van een bevriend journalist bij NRC Handelsblad de mail kreeg: “Elsbeth Etty gaat je boek vrijdag briljant noemen,” was ik wel blij. Toch wennen die positieve recensies. Toen er een in Tubantia verscheen, ging er niet meer een fles champagne open.’

Je boek gaat over stalking. De titel met het wetsartikel verwijst ernaar. Je bent zelf aangeklaagd, vertelde je in een interview.
‘Toen ik nog maar kort met mijn boek bezig was, ging mijn relatie uit. Mijn ex-vriendin liep naar de politie en diende een aanklacht tegen me in. Ze vond dat ik haar bleef lastigvallen. Tja, hoe gaat dat? Je probeert, met telefoontjes, mails, sms’jes, het contact weer goed te krijgen, maar je bewerkstelligt het tegendeel. Alles wat je doet wordt als wapen tegen je ingezet. Ik praat nu in de je-vorm, maar ik bedoel “ik”. De Sebastiaan in mijn boek gaat wel verder dan ik ben gegaan.’

Waarom wilde je dit autobiografische gegeven gebruiken?
‘Ik was begonnen aan een roman in dagboekvorm, over een pianoleraar. De werktitel luidde Het nachtboek van Sebastiaan Steijn. Toen ik het laatst teruglas, viel me op hoe puberaal het was. De roman vond pas zijn vorm toen het element stalking erbij kwam. De hoofdstukken in de afstand scheppende hijvorm waarin het over “de verdachte” gaat, combineerden mooi met het ik-verhaal van Sebastiaan, waarin hij langzaam toewerkt naar het moment van het proces.’

Is je boek een literaire wraakoefening?
‘Volstrekt niet. Als er al op iemand of iets wraak wordt genomen, dan moet het object van die wraak toch vooral in de hoek van de ambtenaren van justitie gezocht worden. De aanklacht gaf mij wel een prettig soort energie bij het schrijven. Ik weet nog dat ik dacht: nu ik toch word aangeklaagd, ga ik helemaal tot het einde. Ik wilde niet dat de zaak met een taakstraf werd afgehandeld, ik wilde voor de rechter komen. Het creatieve proces werd door dit alles versterkt. Tegenstand stimuleert altijd. Je formuleert scherper als je een ruzie uitvecht dan wanneer je het samen roerend eens bent. Ovidius schreef prachtig werk toen hij in ballingschap leefde en weer in de gunst van de keizer wilde komen.’

Mail, sms, MNS, internet, spelen een belangrijke rol in je boek. Je legt een directe koppeling tussen deze moderne communicatiemiddelen en een geseksualiseerde samenleving.
‘Internet bestaat voor negenennegentig procent uit pornografie. Ik vind het wel begrijpelijk dat het zo’n omvang heeft aangenomen. Je wordt door niemand gecontroleerd, je kunt alles zien wat je maar wilt. Als je in een paar klikken bij de meest fantastische orgiën kunt komen, is de verleiding wel erg groot. De consequenties van internet op het seksuele leven van mensen is enorm. Als de eigen partner niet meer interessant is, of oud is en niet meer aantrekkelijk, dan kun je je voorkeuren gewoon op je pc vinden. Ik vind dat niet goed of slecht, ik moraliseer niet in mijn boek. Ik inspecteer slechts de puinhopen.’

Kees ’t Hart had als een van de weinige recensenten kritiek op je roman. Hij verweet je in De Groene Amsterdammer borrelpraat over vrouwen.
‘Als ik schrijf dat vrouwen door zoveel mogelijk ogen bekeken en begeerd willen worden, dan zeg ik toch niets vreemds? Dat is toch een gegeven? Verleiden is een van de identiteitskenmerken van een vrouw. De hele cultuur van de mode is daarop gericht.’

Geerten Meijsing prees je boek onder andere omdat je zo overtuigend beschrijft ‘dat alle vrouwen veil (…) en min of meer borderliner’ zijn.
‘Dat is zijn projectie. Dat alle vrouwen veil zijn, dat zeg ik nergens. Sebastiaans vriendin Victoria is dan wel een sloerie, maar zijn jonge Italiaanse liefde Rosetta is dat helemaal niet. Misschien wordt ze dat later nog wel, dat weet ik niet. Het vrouwbeeld in mijn boek is niet misogyn.’

Je noemt Sebastiaan in je boek een vrouwenredder. Dat ligt niet direct voor de hand.
‘Hij heeft het liefst dat Victoria stopt met haar bijverdiensten als stripteasedanseres. Oké, hij onderneemt geen concrete actie, hij geeft het haar ook niet te kennen. Ik bedoel het in de zin dat Victoria niet tot intimiteit in staat is en dat Sebastiaan haar toch steeds opnieuw probeert te benaderen. Het is een Orpheus-motiefje.’

Sebastiaan is pianoleraar en barpianist in een restaurant. Van Victoria, Rosetta en muziek is voor hem de laatste de voornaamste van de driehoek.
‘Muziek is ook voor mij altijd belangrijk geweest. Mijn vader speelde contrabas en mijn grootvader was dirigent, hij had een eigen orkest en hij was vioolleraar. Wat ik eventueel aan muzikale genen geërfd heb, is in de schrijverij gaan zitten. Schrijven heb ik altijd als een muzikale bezigheid beschouwd. Mijn klavier zijn de toetsen van mijn laptop.’

Ben je bij het schrijven door bepaalde muziek beïnvloed?
‘Scarlatti was belangrijk voor mij, zoals hij dat ook voor Sebastiaan is. Tussen het schrijven door liep ik voortdurend naar mijn piano om zijn sonates te spelen. Het was net of mijn taalcentrum dan tot rust kwam. Ik kreeg op die momenten de beste invallen, zoals je die ook vaak onder de douche krijgt of in bed. Maar je kunt niet de hele dag onder de douche staan.’

Sebastiaan speelt met ‘rigidez’, schrijf je, een vormprincipe dat het hartstochtelijke temperament bedwingt. Heb je het dan ook over je eigen aanpak?
‘Taalkundige uitspattingen heb ik met structuur in toom willen houden. Als staketsel voor de roman heb ik Scarlatti’s sonatevorm gebruikt. Dat zat niet van te voren in mijn hoofd, ik houd niet van planmatig schrijven, dan is het net of je een kleurplaat intekent. Al schrijvend ontdekte ik dat de opbouw van mijn boek op die van Scarlatti’s sonates lijkt. Vervolgens heb ik aan die structuur vastgehouden. Net als bij de sonate bijvoorbeeld komt het hoogtepunt vlak voor het midden van de roman.’

Wat heeft literatuur dat muziek niet heeft?
‘Als temporele kunsten hebben muziek en literatuur natuurlijk enorm veel raakvlakken en overeenkomsten. Beide bewegen zich op het terrein van de affecten, de bewegingen van de ziel. Literatuur heeft als voordeel dat je er ook rationele gedachten in kwijt kunt en de lezer heel gericht met visuele decors en theatrale settings door een imaginaire wereld kunt loodsen. Muziek is de enige taal die niet vertaald hoeft te worden, dat is waar, maar literatuur speelt ook dingen klaar waar de muziek niet bij komt. Literatuur kan dichter bij de concrete belevingswereld van mensen komen, waar muziek vaak een abstractere parallelwereld is die zich minder eenduidig tot de realiteit verhoudt.’

En nu je tweede boek. Wacht je uitgever ongeduldig?
‘Gelukkig niet. Een boek kent zijn eigen rijpingsproces. Ik heb al wel een globaal idee. Art. 285b heb ik vooral in vakanties geschreven, dat zal ik nu wel weer doen.’

En als je straks de 50.000 euro wint?
‘De AKO Literatuurprijs win ik zeker niet. En als ik hem zou winnen, zou ik gewoon doorgaan met mijn journalistieke werk bij Mare. Ik wil voorkomen dat ik volledig afdwaal naar mijn eigen fantasiewereld. Als ik win, zet ik de euro’s gewoon op de bank. Saai hè?’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)