Interview met Connie Palmen
‘Ik hou van vrouwen met een licht destructieve inslag’
Door Fleur Speet (5 maart 2010)


Van 10 tot en met 20 maart is het weer Boekenweek. Dit jaar is het thema Titaantjes - Opgroeien in de letteren. Voor de jubileumuitgave van de CPNB Titaantjes waren we, schrijvers schrijven zichzelf leverde Connie Palmen naast vele anderen een bijdrage. Palmen, die met haar pamflet Het geluk van de eenzaamheid de gemoederen vorig jaar danig bezighield – nee, je kunt aan de schrijfkunst geen eisen stellen, behalve als je er zelf de kunstenaar van bent –, nu aan het woord over jong zijn en ouder worden.

Hoe denkt u over de jeugd: is het een last of een zegen dat je die gaandeweg verliest?
‘Ouder worden is net als het weer, het komt vanzelf. Het behoort tot de orde van het onvermijdelijke. Pas aan hoe iemand zich verhoudt tot het lot, kun je iets aflezen. Zo is het eigenlijk met alles. Of je jong bent of oud, een islamiet of een katholiek, dat zegt allemaal niets. Hoe je ermee leeft en hoe het je leven bepaalt, daar beginnen de verhalen en daar ligt het onderzoeksterrein van de schrijver.’

Is er literatuur over dit thema die u aanspreekt?
‘De eerste pagina's van De minnaar (1984) van Marguerite Duras staan me bij als het beste wat een vrouw ooit over het lichamelijk opgroeien schreef. Alles draait daarin om het gezicht, een gezicht waarvan Duras schrijft dat het tussen haar achttiende en vijfentwintigste een onverwachte richting is ingeslagen. Dat vind ik indrukwekkend, ze gebruikt volstrekt onverwachte werkwoorden bij iets wat je op een dag in de spiegel ziet, wat schijnbaar vanzelf binnensloop, maar toch iets zichtbaar maakt wat er al zo veel langer was. “Ik heb een verwoest gezicht,” schrijft ze. Ik hou van vrouwen met verwoeste gezichten. Ik heb een afkeer van het ideaal en de daarmee samenhangende politiek van een lang leven, van de eeuwige jeugd, van de gezondheidscultus. Ik heb ook een afkeer van de opgerekte oogleden, de volgestopte lippen, het weggespoten leven in een gezicht.

Naar een lang leven verlang je volgens mij alleen maar als je meent dat het goede leven nog moet komen, dat je er recht op hebt en dat je net zo lang zult wachten tot je het ooit krijgt. Maar de waarheid is dat je niets krijgt, behalve dat lichaam waar je nooit om vroeg. En dat bladdert af vanaf je vijftigste. Dan moet je het doen met een rijke, gevulde geest, met een vitale woede, met nauwkeurige herinneringen en prachtige gedachten en met de geliefden en vrienden die je in die vijftig jaar terecht verleid hebt om deel uit te maken van jouw bestaan. Als je dat na je vijftigste nog allemaal moet doen, ben je te laat. Dan kun je spuiten en joggen wat je wilt.’

Het blijft een moeilijke combinatie: vrouwen en opgroeien, vanwege de ijdelheid.
‘Dat uiterlijk en ijdelheid met elkaar samenhangen heb ik altijd het gruwelijke cliché van een vrouwenleven gevonden. Dan krijg je uiteindelijk en altijd eerder dan gewenst dat eindeloze en stinkvervelende gezeur over rimpels in de huid, afzakkende oogleden, kraaienpootjes, smaller wordende lippen, hangende borsten, de ledige obsessie met hoe er naar je gekeken wordt als je niks anders kunt dan er goed uitzien of dat in elk geval heel belangrijk bent gaan vinden. Ik voelde en voel weerstand tegen wat er van me verwacht werd omdat ik een meisje was en later een vrouw. Of dat nu over mijn uiterlijk ging of over het gedrag dat je moet vertonen om voor vrouwelijk door te kunnen gaan, ik heb altijd de pest over in gehad.

Ik hou van vrouwen met een licht destructieve inslag. Het leven van een vrouw is ontworpen om te conserveren en goed te blijven, al was het maar om kroost te baren en daar zo lang mogelijk voor te kunnen blijven zorgen. Destructieve vrouwen zijn in mijn ervaring niet per se de aardigste, maar ze liggen me nu eenmaal beter. Helen Mirren sterkt me met haar prachtige kreukelkop nu eenmaal meer dan een opgespoten Nicole Kidman. Aan de zich tot driemaal toe in coma drinkende Marguerite Duras ontleen ik meer troost dan aan een vrouwelijke auteur die zich in de damesbladen zogenaamd eerlijk aan alle lezeressen gelijkmaakt door uitgebreid kond te doen van ooglidcorrecties, godvergeten diëten, halfjaarlijkse botoxinspuitingen of van het dagelijkse bezoek aan de sportschool. In de beschrijvingen van haar gezicht weet Duras de verwoesting ervan te verbinden met het leven en het schrijven, met het experiment dat zowel het een als het ander behelst. Dat herken ik. Het kan een romantische vergissing zijn, maar ik heb het schrijven altijd beschouwd als iets waarmee je jezelf op het spel zet, waarmee je jezelf onbelemmerd toestaat juist datgene te verspillen wat anderen uit behoudzucht en voorzichtigheid willen bewaken.’

Moet je eigenlijk niet wat ouder zijn, meer doorstaan en gezien hebben, om betere literatuur te kunnen schrijven?
‘Nee. Je kunt een literatuurkenner zijn op je achttiende, omdat je het geluk van de eenzaamheid zocht, omdat je een talent hebt voor die kunstvorm, omdat je, als je honger maar groot genoeg is, binnen een jaar tijd de twintig, vijftig of honderd boeken kunt lezen die er voor jou toe doen. Gerard Reve en Arnon Grunberg zijn bijvoorbeeld grote talenten. Het is bekend dat Reve altijd meesmuilend heeft teruggekeken op zijn debuut en van Grunberg weet ik het niet, maar het zou me, gezien zijn grandioze ontwikkeling als schrijver, niet verbazen als hij zijn debuut ook een van zijn mindere romans zal vinden. Hun debuten zijn ingenue, ze hebben – om het maar wat omfloerst uit te drukken – geen weet van zichzelf. Ik bedoel dat ze in de roman zelf geen signalen afgeven dat ze weten wat ze doen.

Dat maakt voor mij een roman altijd tot het summum van de literaire kunst, mits het gebeurt op een manier die me verrast. Dat wat een schrijver bijzonder maakt, is zowel bij Reve als Grunberg in hun debuten onmiskenbaar aanwezig: die onvervreemdbaar eigen stijl, de niet na te apen idiosyncratische manier van de wereld observeren en duiden, waar de juiste woorden en zinnen voor gevonden zijn om die aan de lezer duidelijk te maken. Zowel De Avonden als Blauwe maandagen worden gedragen door dat oeronderwerp van veel literaire debuten: hoe de held zich los moet maken uit het verstikkende web van de wereld en de denkbeelden van de ouders, van de tijd, van hun lot.’

Worden schrijvers dan wellicht met een oude ziel geboren?
‘Ja, dat denk ik. En zo ze er al niet mee geboren worden, dan verwerven ze er een, vaak tegen wil en dank, op jonge leeftijd. Het maakt ze vroeg in hun leven geschikt voor de kunst, omdat ze alleen daar iets vinden wat hen troost biedt, of geborgenheid. Het weer komt vanzelf, de regen, de sneeuw, de warmte. En ook of je mooi of lelijk bent, krom of recht. Ik ken geen goede schrijver die niet in opstand komt tegen de afhankelijkheid van de natuur, tegen de macht van het lot. Niet het geboren zijn, een gek die daar niet blij mee is, maar het daar en daar geboren zijn, als die en die, man of vrouw, zoon of dochter, bij voorkeur met liefhebbende ouders, dat is nog het allerergste, uitgerust met een kwellend mededogen – de innigste vriend van een zinderend verzet – dáár begint elk verlangen naar het eigen scheppen. Daarom wordt de wereld van de kunst gezocht, omdat de kunst de belofte inhoudt dat je een andere wereld kunt aantreffen en er ook een zelf kunt maken, een wereld waar de gesel van het noodlot geen greep op heeft.’



Foto’s Klaas Koppe:
Connie Palmen met Hans van Mierlo en Erwin Mortier bij de viering van de 75ste verjaardag van De Bezige Bij (12 december 2009).
Connie Palmen en Ischa Meijer (Amsterdam, 27 maart 1994).
In gedachten (Amsterdam, 30 september 2009).

Delen
Koppelingen
Personen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)