Interview met David de Poel over Frans Pointl
“Ik schaam me wel een beetje voor wat er in staat” zei Frans.
Door Guus Bauer (1 oktober 2019)
Er zijn schrijvers die eigenlijk steeds weer hetzelfde boek schrijven, of zo men wilt, aan één groot levenswerk sleutelen. Die keer op keer terugkomen bij hetzelfde thema, stukjes tekst hergebruiken, over de jaren heen verschillende versies van gedichten of verhalen maken. En toch krijg je er gewoonweg geen genoeg van, zoals van bijvoorbeeld het werk van de fijne misantroop met aanstekelijke lichte toets Frans Pointl (1933 – 2015), vooral bekend van de bestseller De kip die over de soep vloog. Het is het kleine geluid dat ver draagt. De hospita’s, zijn door de oorlog getraumatiseerde moeder, de kleine man met een onbetekenend baantje en dito liefdesleven. Het jezelf wegcijferen met een Joodse knipoog.

Schrijver David de Poel (1973) raakte gefascineerd door deze aangename zonderling, opperde het schrijven van een biografie en werd van lieverlee vriend, mantelzorger en literair erfgenaam. Tegelijkertijd met de verschijning van het Verzameld Werk van Frans Pointl, toch nog een kloeke duizend pagina’s dik, ziet de langverwachte biografie De schrijver die over de soep vloog het licht, heel toepasselijk op 1 oktober, Pointls sterfdag.

De Poel: ‘Begin jaren negentig las ik voor het eerst een verhalenbundel van Frans Pointl en ik was verrast door zijn frisse en laconieke stijl: hij was in staat om op een luchtige manier zware onderwerpen als de Jodenvervolging te beschrijven. Naarmate ik meer over hem te weten kwam, realiseerde ik me dat zijn leven zich goed zou lenen voor een biografie. Ik liep een tijd met het idee rond, maar er dwongen zich steeds romans en verhalen op en dus drong ik mijn plan naar de achtergrond. In 2006 verhuisde ik van de Amsterdamse Watergraafsmeer naar de Plantagebuurt en op een dag liep ik Frans Pointl tegen het broze lijf. Ik had me hem voorgesteld als een norse, ietwat bozige man, maar hij bleek uiterst vriendelijk. We raakten in gesprek, ontmoetten elkaar vaker op straat en tijdens ons derde praatje vroeg hij me of ik interesse had zijn biografie te gaan schrijven. Ik twijfelde enigszins omdat ik opzag tegen de enorme hoeveelheid werk die me te wachten stond. Ik vind namelijk: als je een biografie schrijft, moet je het goed doen, als biograaf ben je dat verplicht aan de hoofdpersoon. Na een nachtje slapen zei ik hem dat ik het wilde doen. Vreemd genoeg leek hij zelf toen al minder enthousiast. Later wilde hij zelfs dat ik helemaal met het project stopte.’

De schrijver die over de soep vloog is een eerbetoon geworden aan een vriendschap, het is liefdevol geschreven maar beslist niet kritiekloos. Het is een bijzonder, haast romaneske vorm, waarbij de feiten en getallen worden afgewisseld met een persoonlijk verslag van de biograaf over de laatste gemeenschappelijke jaren. Een ‘fusion’ die ervoor zorgt dat er afstand tot het onderwerp is, terwijl tegelijkertijd alle facetten van deze bijzondere misantroop met droge humor belicht worden.

‘Frans Pointl was een heel komische man met een bijzonder scherp geest en vanaf de eerste dag dat ik met hem omging, besloot ik een dagboek bij te houden waarin ik noteerde hoe onze gesprekken verliepen. Hij was geestig en bovendien spitsvondig. In zekere zin was ik geïnspireerd door de boeken van Bart Chabot over Herman Brood. Zo’n serie wilde ik ook over Pointl maken. Pointl was niet aan de drugs en maakte geen muziek, maar qua originaliteit en taalgrappen waren hij en Brood aan elkaar gewaagd. Kort nadat ik met Frans Pointl om begon te gaan, werd hij ernstig ziek. Ik verwachtte dat hij snel dood zou gaan, maar hij was taai en mij dagboek bleef groeien. Ondertussen werkte ik door aan de biografie. Na verloop van tijd had ik twee kloeke boeken. In eerste instantie ze beide apart uitbrengen, maar de uitgever stelde voor de twee boeken te vervlechten en er één boek van te maken.’

Het resultaat mag er zijn. De verhaallijnen versterken elkaar en omdat je als lezer de vroegere en de huidige Frans Pointl leert kennen, begrijp je beter waarom hij doet wat hij doet en deed wat hij deed. Het is naast een biografie ook een indringend verslag van de mantelzorg, van de makken van het zorgstelsel, de zware weg van het onvermijdelijke verval, de problematiek rond euthanasie. De Poel sluit stijlmatig goed bij Pointl aan. Deze biografische schets is nergens larmoyant, sentimenteel. Eerder humorvol, laconiek, en daardoor ontroerend. Je hebt een schrijver nodig, om de biografie van een schrijver zo vermakelijk, met een lichte melancholische toon, neer te kunnen zetten. Het eerste gedeelte van De schrijver die over de soep vloog maakt duidelijk dat de jonge Pointl de verbeelding al inzet om met het leven overweg te kunnen. In die zin legt deze biografie ook de ontwikkeling van een schrijverschap bloot.

‘Frans Pointl had een levendige fantasie, zo sterk zelfs dat hij in zijn eigen verzonnen verhalen begon te geloven, zo gauw hij ze verteld of opgeschreven had. Die verzonnen waarheid werd op een gegeven moment de werkelijke waarheid voor hem. Voor de mensen om hem heen was dat wel eens pijnlijk. Om een voorbeeld te geven: Pointl zat in 1989 bij Adriaan van Dis aan tafel om voor heel televisiekijkend Nederland te vertellen hoe slecht hij gedurende de oorlog door zijn toenmalige pleegouders was behandeld. Later ontdekte ik dat hij dat verhaal verzonnen had. Toen ik hem met die “leugen” confronteerde was hij overigens de eerste om toe te geven dat hij zich moet hebben vergist. Ik vermoed dat hij wat pleeggezinnen door elkaar gehaald heeft.’

Deze biografie is bescheiden van omvang, maar tussen de regels door merk je dat er door De Poel enorm veel werk is verzet, er heel zorgvuldig te werk is gegaan. Ook biografisch schrijven is schrappen. Het heeft een heel ingetogen, maar toch rijk boek opgeleverd.

‘Ja, ik denk dat de vorm en wellicht ook de stijl aansluiten bij het werk van Pointl. Als biograaf moet je proberen om tot de kern van je hoofdpersoon te komen en dat hoeft niet eens met zoveel woorden. Ik heb lang aan het boek gewerkt – met tussenpozen elf jaar. Ik had dus alle tijd om over Pointl na te denken en met anderen die hem ook hadden gekend van gedachten te wisselen. Als je lang aan een biografie werkt, ga je dingen steeds scherper zien. Ik wilde ook zorgvuldig zijn, was als de dood dat ik een belangrijke gebeurtenis in zijn leven zou missen. Frans heeft de eerste versie trouwens zelf gelezen. Hij was er tevreden mee, zei hij, maar ik moest wachten met uitbrengen tot hij er niet meer zou zijn. Hij schaamde zich voor sommige ontboezemingen die er in het boek worden gedaan.’

Frans Pointl liet maar hoogst zelden iemand toe. Het moet voor de biograaf, voor de mantelzorger moeilijk zijn geweest dat Pointl de vriendschap kenschetste als ‘samenwerking’.

‘In zekere zin waren Frans Pointl en ik van elkaar afhankelijk. Ik deed zijn administratie en hielp hem met allerlei klusjes die hij zelf niet meer kon, zoals het kopen van pyjama’s en het leeghalen van zijn postbus. Ik kon de vriendschap niet opzeggen omdat ik hem nodig had voor het schrijven van zijn biografie. Eerlijk gezegd vond ik het best pijnlijk dat hij ons contact als “samenwerking” betitelde. Maar diep in mijn hart wist ik dat hij genegenheid voor me voelde. Dat zag ik aan zijn ogen, elke keer als in zijn kamertje in het Dr. Sarphatihuis binnenstapte, die kregen ineens een warmere uitstraling. En hoewel hij nogal smetvrezerig was en gruwde van lichamelijk contact, heeft hij me na een woordenwisseling weleens een knuffel gegeven. Hij wilde me niet te dichtbij laten komen omdat ik hem dan zou kunnen kwetsen. Dat is de reden dat hij altijd probeerde afstand te houden. Maar ik doorzag hem en wist dat hij gesteld op me was.’

Het moet een bijzonder proces zijn geweest. De biograaf leefde als het ware in de redelijke beperkte biografische werkelijkheid van zijn onderwerp en niets menselijks zal hem daarom vreemd zijn voorgekomen, of is er toch nog wat nieuws aan het licht gekomen?

‘Ja, er zijn zeker zaken die me hebben verbaasd, zaken waar Frans Pointl zich voor schaamde. Dat is ook de reden waarom hij en ik hadden afgesproken dat ik zijn biografie pas na zijn dood zou publiceren. Ik ga ze in dit interview niet allemaal prijsgeven, daarvoor is er de biografie. Een paar wil ik er wel zeggen: ik wist bijvoorbeeld niet dat hij gedurende de oorlog in een gesticht voor geestelijk gehandicapten had gewoond. Zelf was hij verre van geestelijk gehandicapt en hij was nog maar een kind, dus dat moet een vreselijke ervaring voor hem zijn geweest. Tijdens het schrijven ontdekte ik ook dat ik in hetzelfde huis woonde als waar tijdens de oorlog zijn moeder, grootvader, oom en tante en twee neven hadden geleefd. Tijdens een razzia zijn ze er weggehaald. Omdat Frans’ moeder toevallig een boodschapje deed, was ze de dans ontsprongen. Dichter dan dit kun je als biograaf niet bij je onderwerp komen, lijkt me. Toen ik die ontdekking deed, werd ik er naar van. Frans Pointl zelf werd emotioneel toen ik het hem vertelde. Wat me zeker verrast heeft, zijn de regelmatige bezoeken aan het casino op het Leidse Plein. Frans Pointl gaf voor zichzelf niet graag geld uit. Behalve dan in het casino. Ik realiseerde me gaandeweg het schrijven dat een gokhuis in zekere zin de perfecte plek was voor hem. Hij was onder de mensen en werd er toch met rust gelaten.’

Frans Pointl was ergens een opportunist, maar toch eentje die je door zijn kwetsbaarheid, dat met gemak vergaf. Het soort opportunisme dat eerder een vertederende glimlach opriep. In zake publiciteit, met betrekking tot zijn Joodse achtergrond.

‘Enig opportunisme was Frans niet vreemd, dat klopt. Om een voorbeeld te geven: hij wilde niet dat een van zijn eerste dichtbundels gerecenseerd werd door de Telegraaf, omdat hij dat een ‘foute, schreeuwerige krant’ vond. Later realiseerde hij zich dat aandacht in die krant wellicht zijn boekverkoop zou opstuwen en ging hij toch akkoord. Maar de hele schrijverswereld zit vol met opportunisten. Ga maar eens naar een auteursborrel. Het ziet er gezellig en gemoedelijk uit, maar feitelijk is iedereen aan het netwerken: ik zit nu leuk met jou te praten, maar eigenlijk ben ik op zoek naar iemand die me verder kan helpen in mijn carrière. Frans was trouwens niet alleen opportunistisch, hij was ook gul, zeker waar het om poezen ging. Herhaaldelijk liep hij naar de Poezenboot aan het Singel in Amsterdam om geld te doneren. Maar ook tegenover zijn medemens was hij niet gierig. In de tijd dat hij in het Dr. Sarphatihuis woonde, was er een medewerker die slecht Nederlands sprak, maar het wel graag wilde leren. Frans bood meteen aan een cursus Nederlands voor hem te betalen. ‘

‘En bedenk dat als je eerste verhalenbundel meteen een bestseller wordt (hij verkocht zo’n 140.000 exemplaren van De kip die over de soep vloog), kan het daarna alleen nog maar tegenvallen. Frans had het daar wel moeilijk mee, maar toch verkocht hij van latere boeken geen kinderachtige aantallen. Nog steeds ging het om enkele tienduizenden exemplaren per titel. Dat is veel, zeker voor iemand die erg op zichzelf was en nauwelijks contacten onderhield in de literaire wereld. Veel bekende auteurs halen die aantallen niet eens. Maar Frans schreef niet per se voor het geld. Ik denk dat het hem ook om de aandacht ging. Van Frans zelf hoefde zijn biografie er niet te komen (“Er zijn wel belangrijkere personen om een boek over te schrijven,” zei hij me.). Maar toch was hij trots toen ik hem mijn eerste versie liet lezen. “Ik schaam me wel een beetje voor wat er in staat,” zei hij toen hij het uit had. “We kunnen twee dingen doen: of je schrapt de pikante passages. Of je laat het staan, maar dan moet je wachten tot ik dood ben. Daarna maakt het me niet meer uit wat de mensen van me denken.”’

David de Poel stond heel dicht bij zijn onderwerp, te dicht aldus subsidieverstrekkers. Maar daarmee rekenden ze buiten de kracht van de schrijver als biograaf, als degene bij uitstek die óók uit het vogelperspectief naar het onderwerp kan kijken. David de Poel heeft heel goed geobserveerd en juist, door de hechte relatie en door de lange tijdspanne waarin hij aan het boek heeft gewerkt, dat gevaar goed onderkend en zeer weloverwogen gewikt en gewogen. Dat maakt De schrijver die over de soep vloog tot een waar biografisch, romanesk kunststuk.

‘Het is zeker goed om als biograaf veel met je onderwerp op te trekken. Maar je moet er wel tegen kunnen. Er waren wel momenten dat ik Frans helemaal zat was, en hij mij ook. Om een voorbeeld te geven: Frans had een postbus aan het Singel in Amsterdam. Ik woonde in die tijd in Amstelveen en hij verwachte dat ik twee keer per week naar zijn postbus fietste om te kijken of er post lag. Dat was een fietstocht van 45 minuten heen en 45 minuten terug. Ik had het in die tijd druk met een baantje, kleine kinderen en een band en meestal was zijn postvakje leeg. Herhaaldelijk stelde ik voor om die postbus op te zeggen, maar dat wilde hij niet, want hij was die “postbus nu eenmaal gewend”.’
Delen
Meer interviews
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)