Interview met Edzard Mik
‘Ik heb groot respect voor het verlangen naar het losbreken uit de realiteit’
Door Annemiek Neefjes (21 oktober 2009)


Edzard Mik kijkt met verliefde ogen naar Goede tijden, zo aantrekkelijk vindt hij zijn nieuwe roman uitgegeven. Op het omslag staat een verstilde en-profil foto van een danseres. ‘Haar rug zie je precies op de rug van het boek, dat moet de vormgever bewust zo hebben gedaan.’ Dan, met een grijns: ‘Ze kijkt een beetje alsof ze ongewenst zwanger is.’

Goede tijden is Miks zevende roman in vijftien jaar. Behalve auteur is hij publicist kunst voor onder andere Vrij Nederland en NRC Handelsblad en geeft hij schrijflessen aan de Rietveld Academie. Ik spreek hem bij hem thuis in de Amsterdamse Rivierenbuurt, tegen een gezellig rumoerige achtergrond. Vanwege de herfstvakantie zijn de kinderen thuis en zijn schoonouders uit Griekenland logeren in het appartement.

In de turbulente roman is Sjef Lucius spilfiguur. Ooit danser, toen standwerker, nu zelfbenoemd goeroe bij wie de vrouwen niet zijn weg te slaan. Onder hen is zijn vroegere dansmaatje Julia. Tegenover Julia’s verlangen naar overgave staat de ambivalente levenshouding van haar echtgenoot Vink, advocaat van beroep. Terwijl Julia en Vink van elkaar wegdrijven en toch steeds weer naar elkaar toe worden getrokken, pleegt Lucius zelfmoord, is er een moord en is er overspel, en dit alles tegen een decor van almaar wassend water, verwijzend naar de overstromingen in de jaren negentig in Limburg.

Scheppen van een illusie
Mik: ‘De roman ontstond vanuit de vraag: hoe samen te leven met een vrouw die gelovig is, terwijl je dit zelf niet bent? Die vraag hield mij in mijn persoonlijk leven bezig. Mijn vrouw Calliope is Grieks Orthodox op een oorspronkelijke en ontroerende manier. Als ze de naam “Jezus” uitspreekt krijgt ze tranen in haar ogen. Zij kan door haar geloof diep geraakt zijn, dat kan ik niet zomaar wegwuiven, alhoewel ik zelf niets met geloof heb.’

Het fenomeen ‘geloof’ heeft Mik, zoals hij zegt, in de roman van alle kanten beslopen. Zo maakt hij voelbaar wat de aantrekkingskracht van Sjef is voor de vrouwen. Sjef wil niets van ze, vraagt niets van ze, ze zijn vrijgesteld van verplichtingen, van rollen die ze in het gewone leven moeten spelen. ‘Ze voelen zich door hem gezien, althans dat denken ze. De roman gaat ook over het scheppen van een illusie.’

Hij vertelt opnieuw over Calliope, die in Athene een geestelijk vader heeft, een letterkundige en oude priester met een baard die net als Sjef veel op de bank ligt en zo - inderdaad vooral - vrouwen ontvangt. ‘Ik ben ook wel eens bij hem geweest. Ik vond hem indrukwekkend. Het is toch fantastisch als je iemand hebt bij wie je altijd terecht kunt? De vrouwen schrijven hem ook brieven. Het gaat ze niet om een antwoord, ze zijn blij dat ze in de brieven kwijt kunnen wat ze willen zeggen.’ Dan minder enthousiast: ‘Calliope heeft me wel eens gezegd dat naast mij en haar vader deze priester de belangrijkste man in haar leven is. Het zal je maar gezegd worden!’

Tussen hemel en aarde
Mik heeft zijn personage Sjef dubbelzinniger gemaakt dan de Atheense priester, vertelt hij. ‘De mogelijkheid van charlatan en mislukkeling moest er zijn.’ Die mogelijkheid oppert Sjef zelf ook in het tweede deel ‘Tussen hemel en aarde’, waar hij als dode terugkijkt op zijn eigen leven. Zo meent hij dat hij meer kwaad dan goed heeft gedaan in het huwelijk van Julia en Vink, terwijl hij juist toenadering tussen de echtelieden nastreefde.

De rol voor de dode Sjef maakt al duidelijk dat de schrijver niet uit was op een psychologisch realistisch verhaal. Eerder moest het een groteske worden, met de overdrijving als instrument. Voorbeelden: Julia’s idolatrie van Sjef na diens dood en de ten top gevoerde huwelijksguerrilla van Julia en Vink. ‘Ik wil het vertrouwde graag mengen met het niet-vertrouwde. Net als in een opera, daar heb je ook uitvergrote thema’s en gebaren. Op die manier krijgt het verhaal lichtheid en een eigen glans.’

Naast de groteske zijn er andere inspiratiebronnen, zoals het heiligenleven met de erin opgevoerde miraculeuze gebeurtenissen. ‘Het verlangen om bevrijd te raken van de kerker van het bewustzijn is al te menselijk. Toen onze dochter vier was riep ze huilend: “Ik vind het zo erg dat ik niet kan vliegen!” Ik heb groot respect voor het verlangen naar het losbreken uit de realiteit. Dat verlangen is volstrekt oprecht en ook onvermijdelijk.’

Slechte Tijden
Ook aan de soap refereert hij, zie alleen al de titel: wie Goede Tijden zegt, zegt automatisch Slechte Tijden. ‘Ik ben nooit gek op soap geweest maar de snelle opeenvolging van verwikkelingen en het uitvergrote drama vind ik er wel leuk aan. En net als in soaps wissel ook ik steeds van perspectief - Julia en Vink om en om. Maar de titel is méér dan een knipoog naar de soap. Er is een permanente worsteling in het boek en dat komt omdat mensen slechte tijden wíllen hebben. Mensen zijn crisisdieren. Is er geen crisis dan creëren ze er wel een, ze knappen ervan op. Ik bedoel dan geen acute crises zoals een oorlog maar lauwe crises zoals de kredietcrisis of de varkensgriep.’

In de roman worstelen zowel Vink als Sjef met een dominante vader en ook al in eerder werk speelt het vader-zoonmotief. ‘Ik weet niet waar dat vandaan komt,’ zegt Mik, ‘mijn eigen vader is allang dood. Maar het klopt, het interesseert me, in mijn volgende boek zal het onderwerp denk ik zelfs centraal staan. Vink neemt het leven niet helemaal op de schouders, dat vind ik een typische zoonhouding. Die houding komt voort uit het afwijzen van de vader. Maar in de afwijzing maakt Vink zijn vader juist belangrijk. Vink wíl niet slagen en daarmee ontneemt hij zich een positie in de wereld.’

Offer
Het is uiteindelijk niet een mens maar de hond van Vinks vader die vader en zoon, Vink en Julia bij elkaar zal brengen (voor zolang het duurt). ‘Het heeft wel iets christelijks,’ grinnikt Mik, ‘dat had ik zo nog niet gezien: de hond wordt geofferd alsof hij een Christus is, iedereen verenigt zich als hij dood is.’ Dan serieus: ‘De lezer wordt in dezelfde positie gebracht als Vink: hij voelt ontroering voor de hond en is diep geraakt door diens dood. Het gaat me er niet om dat liefde voor een dier makkelijke liefde is, het gaat me om de oprechtheid van die liefde. Het dierlijke maakt die oprechtheid mogelijk. Als je erg van iemand houdt, dan houd je vooral ook van de dierlijkheid van die geliefde. Zelfs wanneer alles uit een relatie verdwenen is kan dat nog binden.’

Hij kijkt me vragend aan: snap ik wat hij bedoelt? Hij vindt het moeilijk om over zijn eigen boek te praten, zegt hij, hij kan er niet analytisch naar kijken zoals een criticus. ‘Ik ben de lezer van mijn eigen boek. Heb ik dingen gezegd die je verbaasden?’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)