Interview met Elly Kamp over Ferdinand en Johanna
'Ferdinand en Johanna hebben heel erg veel voor elkaar over gehad.'
Door Guus Bauer (9 december 2016)
Ferdinand en Johanna, dubbelbiografie van schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk – Roepman, door neerlandica Elly Kamp (1944), is uiterst nauwkeurig gedocumenteerd, secuur geschreven, heeft een aangename cadans en laat van de schrijver niet alleen de bekende norse terughoudendheid zien, maar ook de liefdevolle, charmante zijde. Dat is mede te danken aan de keuze om ook zijn vrouw er volop bij te betrekken.

Ferdinand Bordewijk behoort tot de Nederlandse canon, Johanna Bordewijk-Roepman is weliswaar in haar tijd ook meermaals bekroond, haar werk werd uitgevoerd in binnen- en buitenland, ze kreeg lof van niemand minder dan Darius Milhaud en werd bewonderd door koningin Wilhelmina - al gold die waardering van de volstrekt onmuzikale, zeg maar toondove vorstin vooral Johanna’s houding in de Tweede Wereldoorlog. Maar bij het grote publiek is zij niet meer zo bekend. De kracht van het dubbelportret is beslist dat Kamp een subtiel evenwicht heeft gevonden. Beide echtelieden krijgen zo goed als evenveel aandacht. En dat is terecht, want de wederzijdse invloed heeft geleid tot het ontstaan van unieke, eerlijke werken.

Tijdloos
Kamp: ‘Op de middelbare school las ook ik de bekende romans van Bordewijk uit de jaren dertig, zoals Blokken, Knorrende beesten en Bint. Het zijn wat omvang betreft goed behapbare werken, maar ze waren toen ook “hard”, in de zin van dat je als jeugdige lezer flink moet schakelen. Het is voor iemand van die leeftijd geen gezellige literatuur. Het loopt allemaal onduidelijk af. Maar op een of andere manier bleef het wel bij me hangen. Later zag ik de kracht in van de open eindes, kreeg meer oog voor de bijzondere stijl en thematiek. De stem van de Bordewijk van de jaren dertig is uniek in de Nederlandse letteren van die tijd, en tegelijk universeel, vandaag de dag nog net zo fris. Tijdloos. Er zit een grote gedrevenheid achter, op het agressieve af, denk maar aan het hoekige bij Bint, maar ook een enorme verbeeldingskracht. Door de combinatie van felheid, fantasie, en een psychologisch inzicht dat wijst op een grote gevoeligheid, sloot ik deze schrijver in mijn hart. Of misschien kun je beter zeggen dat ik hem ongelooflijk boeiend ging vinden, fascinerend, meer dan enige andere Nederlandse schrijver. Niet een schrijver met wie je je gemakkelijk identificeert, zeker niet aaibaar is, maar die op een heel onnadrukkelijke manier, met veel gevoel voor humor, de diepe, soms donkere lagen in de mens (en dus in zichzelf) weet aan te boren.’

Bint en Karakter staan nog steeds op de – voor zover aanwezig – verplichte leeslijsten en worden dus ook nog wel gelezen op school. Karakter is in 1997 verfilmd, met Jan Decleir en Fedja van Huêt in de hoofdrol. Het is enkele jaren geleden ook nog landelijk op toneel gebracht, net zoals nu sinds oktober Bint langs de theaters reist. Je zou dus kunnen spreken van een lichte opleving in de belangstelling. Er zijn signalen dat daarnaast de wat oudere generatie Bordewijks werk weer herleest.’

Johanna
‘Ik had in de loop der tijd al heel wat materiaal verzameld over Johanna, maar was toch verrast door de invloed die de twee echtelieden hebben gehad op elkaars werk. Het was lastig om de juiste balans te vinden, maar tegelijk ook de uitdaging die de meeste voldoening bracht. Ik droeg als het ware Ferdinand al veel langer met mij mee. Het structureren van het verhaal was daardoor de grootste klus. Het was geen kwestie van hoofdstukken om en om vanuit Ferdinand en Johanna te vertellen. Het boek moest net zo homogeen worden, als hun liefdes- en werkrelatie.’

De eerste twee decennia van hun creatieve leven wilde het niet vlotten. Alle schrijvers zijn uiteraard autodidact, moeten ergens hun eigen stem vinden. Ferdinand is lang blijven hangen in zogenaamde fantastische vertellingen, sterk geïnspireerd door Edgar Allen Poe. Johanna volgde aanvankelijk geen compositielessen, maar werkte vanuit haar gevoel, haar voorbeelden, zoals Debussy. Nederland was begin vorige eeuw natuurlijk nog sterk verzuild. Een vrouw die verder keek dan ‘kinderliedjes’ werd vaak met dedain behandeld door de mannelijke collega’s en door de pers. Ferdinand en Johanna waren elk op zich geen moedeloze mensen, maar de onderlinge onvoorwaardelijke steun heeft hen wel door veel moeilijke tijden gebracht. Ferdinand zuchtte onder een matige lichamelijke gezondheid, Johanna, supergevoelig voor geluid, was bij tijden wat instabiel, leed in haar latere jaren nog weleens aan waanvoorstellingen.

Donkere steegjes
‘Ferdinand was van af zijn jeugd al geobsedeerd door donkere steegjes – ook de donkere steegjes in hemzelf – en angst voor de waanzin. Deze neiging naar ‘zwarte’ romantiek heeft hij altijd behouden. Al was het bij hem meer dan romantiek. Veel van zijn mannelijke hoofdpersonen zijn somber, voelen zich beklemd, zijn bang voor overspanning, ook nog in zijn latere werk. Maar het is een behoorlijke gotspe dat aan het einde van zijn leven het eerder Johanna treft. Ze was niet waanzinnig, maar kon bij tijd en wijlen behoorlijk in de war zijn, paranoïde trekjes vertonen. Ferdinand reageerde daarop met een subtiele steun, verklaarde haar niet voor gek, maar was begripvol, zei dat hij haar geloofde dat zij trillingen waarnam, dat het voor haar de waarheid was, maar dat anderen dat niet zo ervoeren en dat het misschien minder werd als ze weer tot rust zou komen. Hij wist dat het onzin was, of tenminste een deel was van haar verwarring, maar veroordeelde haar daarvoor niet. De afstandelijke man die ten opzichte van zijn vrouw veel mededogen kende. Dat was een openbaring, gezien zijn imago van koele, gereserveerde, zo niet afwerende figuur.’

Johanna is in de loop der tijd ook behoorlijk dwarsgezeten. Door de heersende moraal en door haar naoorlogse werk in de zogenaamde ereraad van de muziek, waar over goed en fout gedrag tijdens de bezetting, over de rug recht houden of collaboratie werd geoordeeld. De ‘rotte appels’ moesten, al was het tijdelijk, uit het culturele leven worden verwijderd, zo was de algemene opvatting. Ferdinand zat in de ereraad voor de literatuur, als literator, maar ook als jurist. Het is hem niet zo nagedragen als Johanna. Een schrijver heeft behalve een uitgever ook niet veel mensen nodig, een componist toch op zijn minste een welwillende dirigent en uitvoerende musici.

Zelfbewust
‘Het feit dat ze de eerste onsuccesvolle decennia hebben overleefd, is omdat ze zelfbewust waren over hun werk, dat ze allebei de mening waren toegedaan dat wanneer je als kunstenaar iets naar buiten brengt ook tegen de kritiek moet kunnen die daarop komt, hoe vilein, hoe onterecht die misschien ook is. De kracht van het compagnonschap in de kunst, is dat ze elkaars werk respecteerden, ongezouten meningen gaven en dat een goedkeuringsstempel van de een voor de ander voorlopig voldoende was. Hun band maakte het mogelijk om het niet op te geven. Gelukkig kwam er na verloop van tijd voor beiden erkenning.’

‘Er was in de jaren dertig, toen ze eindelijk doorbraken ook een grote behoefte aan een “nieuwe literatuur”. Weg met de brij van bijzinnen, de lappen bloemrijke tekst. Een literatuur die aansluiting kon vinden bij de ontwikkelingen in de maatschappij, wat wel de Nieuwe Zakelijkheid werd genoemd. Aandacht voor niet-romantische thema’s als motoren, vliegtuigen, de techniek. Aan de ene kant ging Bordewijk door met zijn fantastische verhalen, dat vond hij leuk om te doen, aan de andere kant schreef hij dat hele strakke Blokken. Ook Johanna ontwikkelde in die tijd een eigen toon. Er was ook behoefte aan een vernieuwende muziek.’

Publicatiedrang
In tegenstelling tot Johanna kon Ferdinand terugvallen op zijn advocatenpraktijk, een plek waar hij een zekere onafhankelijkheid had. Daar kon hij zijn ‘schaamte’ voor het schrijverschap het beste verbergen. Maar deze dubbelzinnige houding tegenover wat hij een ‘liefhebberij’ noemde, vormde geen belemmering voor zijn enorme publicatiedrang.

‘Dat heeft er wel toe geleid dat er grote verschillen zijn in de kwaliteit van zijn werk. Hij had een enorme productie en wilde ook alles in druk zien. Vooral tegen het einde van zijn leven, stuurde hij bijvoorbeeld verhalen naar uitgever Bert Bakker met de mededeling: “Als je het niets vindt, dat leg je het maar terzijde, maar ik heb er in elk geval veel plezier aan beleefd.” Johanna was in die tijd regelmatig afhankelijk van haar man en niet meer in staat om hem in te laten zien dat sommige verhalen (of ‘gedichten’) echt niet meer konden. Hij liep tegen de tachtig en was waarschijnlijk nog eigenwijzer geworden dan hij al was. Zijn broer Johan was overleden in 1961, dat was iemand naar wie hij nog wel luisterde. Zijn dochter was zelf net begonnen als schrijfster en zat eerder te wachten op goedkeuring van haar vader. Zij was dus niet in de positie om Ferdinand bepaalde publicaties te ontraden.’

Autobiogafisch
In de roman Apollyon komt naast de cynische, wereldwijze baron Starnmeer ook de onzekere, gevoelige Ewijk voor. Een vrijwel onverholen verwijzing naar de schrijver zelf. Meermaals heeft Bordewijk aangegeven spijt te hebben van de ‘openhartigheid’ in dit boek. Het vereenzelvigen van schrijver en fictie blijft iets wonderlijks.

‘Natuurlijk verwerkt een schrijver alles wat hij of zij meemaakt op een bepaalde manier in het proza. De “schaamte” voor het schrijverschap van Bordewijk is volgens mij voor een groot deel te verklaren uit het feit dat hij veel heeft geput uit zijn familiegeschiedenissen. Dat zal voor hem een extra spanning hebben gegeven. Het heeft wel even geduurd voordat ik van naaste familieleden het vertrouwen heb gekregen. De Zweedse schoondochter Gunilla vertelde af en toe wel wat, maar was in het begin toch ook terughoudend. Zoon en dochter van Ferdinand en Johanna volgden bij de eerdere biografie de lijn van pa: het gezinsleven moest privé blijven, de boeken zijn niet autobiografisch, op een paar onschuldige dingetjes na, de pers houden we buiten de deur. Zij weigerden toen medewerking.’

Nieuw materiaal
‘De zoon heeft voor zijn overlijden wel aan Gunilla laten weten dat hij het fijn zou vinden als ook het werk van zijn moeder niet vergeten zou worden, voor de erfenis van zijn vader heeft hij zich een leven lang ingezet. Er is inmiddels naast de dubbelbiografie een cd verkrijgbaar met een heruitgave van de kamermuziek van Johanna. Uiteindelijk heb ik van Gunilla persoonlijke correspondentie tussen Johanna en Ferdinand ter inzage gekregen en van de kleinkinderen materiaal uit hun jeugd. Dat was ook een grote verrassing, dat er twee kleinzoons opdoken uit de andere tak Bordewijk-Roepman. De oudste zuster van Johanna en de oudere broer van Ferdinand waren namelijk ook getrouwd. En hun nazaten hadden een schat aan op schrift gestelde herinneringen (van hun oma en moeder) en veel foto’s uit de gezamenlijke jeugd van de jongens Bordewijk en de meisjes Roepman. Van ‘mijn’ echtpaar was al het vooroorlogse materiaal verloren gegaan bij het bombardement op Den Haag in 1945. Zonder dit nieuwe materiaal plus alle openhartigheid van andere familieleden (en vrienden) was een dergelijke dubbelbiografie ook niet mogelijk geweest. Dan had ik de schrijver op zijn woord moeten geloven dat er niets autobiografisch in zijn werk te vinden was.’

Tweede Wereldoorlog
Wie weet hoe het, ook internationaal, nog had kunnen lopen, wanneer de Tweede Wereldoorlog niet was uitgebroken. Tijdens de bezetting moesten vanaf 1941 kunstenaars een keuze maken. Schrijf ik me in bij de Kultuurkamer of niet? Wil ik blijven publiceren, wil ik dat mijn stukken worden opgevoerd, of volg ik mijn morele kompas? Met de kennis van nu is het gemakkelijk zwart-wit denken. Niemand had in die tijd natuurlijk weet van de duur van de oorlog. Musici wilden soms door blijven spelen om het publiek in de moeilijke tijden wat verlichting te schenken en omdat ze anders brodeloos zouden raken. Goed en fout was ook na de bevrijding lastig te duiden.

‘Ik denk niet dat de thematiek van Bordewijk erg veranderd is door ’40 – ’45. Hij heeft geen oorlogsromans geschreven, was zich natuurlijk ook wel bewust van de ontwikkelingen, van de angsten in de jaren dertig. Hij heeft het geheel eerder op een psychologische manier benaderd. Wat doet oorlog met mensen. Al in 1938 was hij met Karakter overgegaan op een iets lossere stijl. En De doopvont geeft een beeld van Nederland in de jaren vijftig. De roman waar hij uiteindelijk de P.C. Hooftprijs voor heeft gekregen.’

Oprecht gelukkig
Het verbond tussen Ferdinand en Johanna was ook gebaseerd op wederzijdse keuzevrijheid. Leven en laten leven. Ze blijken oprecht gelukkig met elkaar te zijn geweest, met veel droge humor binnenshuis en daar waar mogelijk met het vermijden van concessies.

‘Ferdinand is zijn hele leven een kerkganger geweest. Johanna zocht haar spiritualiteit in een waaier van religies, vooral ook uit het verre oosten. Ze ontwikkelde haar eigen godsidee, ging niet zo ver als haar zuster die een eigen sekte oprichtte, maar vond in de pluriformiteit een stuk rust. Iets dat Ferdinand genoegen deed. Ferdinand en Johanna hebben heel erg veel voor elkaar over gehad. Het is zeker bijzonder te noemen dat een man in die tijd zijn vrouw zo stimuleerde in haar carrière. Er waren succesvolle schrijfsters, maar slechts een handjevol vrouwelijke componisten, die niet zomaar werden geaccepteerd.’

Foto Elly Kamp: Zeeger Beukenhorst
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)