Interview met Esther Gerritsen
‘In je fantasie kun je groot zijn’
Door Annemiek Neefjes (23 maart 2011)


Op de dag van de bekendmaking van de Libris-nominaties bleef Esther Gerritsen met man en kind ’s ochtends thuis. Dat was het verzoek van de organisatie aan alle achttien auteurs die op de longlist stonden. De zes uitverkorenen – de genomineerden voor de shortlist - zouden door een televisieploeg van Nieuwsuur worden bezocht. Een vriend van Gerritsen had gezegd: ‘Je moet gewoon doen of je de prijs al hebt gewonnen, dan heb je in ieder geval een leuke dag.’

Het hielp, ze had nauwelijks last van zenuwen. Toen de deurbel ging en haar man open deed, riep hij geheel in lijn met hun spel van victorie: ‘Daar zijn jullie eindelijk!’ Gerritsen ging door de grond. Nu kon zij háár rol van overrompeld auteur niet meer voor de camera spelen. Maar blij was ze wel. Ze had ook al een keer een hele ochtend voor niks zitten wachten.

Metamorfose
De nominatie is voor Superduif, een complexe, dwarse en vaak grappige roman over het meisje Bonnie dat zich voorstelt dat ze een duif is. Regelmatig vindt de transformatie plaats. ‘Ik draaide me om en schuurde met mijn rug tegen de muur. De jeuk werd er erger van. Toen overviel me een vreselijke hitte. (…) Ik opende mijn ogen en zag twee afzichtelijke vogelpoten onder me.’

Bonnie is niet zomaar een duif, ze is een superduif, een ironische variant op de held Superman. ‘Waarom moet je mooi zijn om een held te kunnen zijn?’ vraagt Gerritsen retorisch. In de metamorfose als duif is Bonnie in staat om mensen te redden. Ze zorgt er bijvoorbeeld voor dat een stel jongens net op tijd van de treinrails afgaat en dat een meisje op het nippertje ontsnapt aan elektrocutie door een blikseminslag.

Gerritsen bevalt haar keuze voor een duif enorm. ‘Ik heb een zwak voor de stadsduiven, juist omdat ze zo door iedereen worden beschimpt. Door het vette afval van mensen sterven ze ook nog eens aan hart- en vaatziekten. Of ze hinken op één poot, hoe verliezen ze die poten?’

Helden
Bonnie zit in de laatste groep van de basisschool en gaat daarna naar de middelbare school. Ze is eerst elf jaar en op het einde is ze dertien. ‘Een leeftijd waarop er veel bij jezelf verandert, en ook je schoolomgeving nog eens verandert. Het is een verwarrende periode, zo heb ik die jaren ten minste zelf ervaren. Rond de tien jaar is ook een leeftijd waarop een fantasie als die van Bonnie nog geloofwaardig kan zijn.’

Bonnie heeft lieve, redelijke ouders die beiden vertaler zijn. Hun Bonnie is hun wonder, ze kregen haar toen ze al over de veertig waren. ‘Ik wilde niet dat het rotouders werden, dan kun je makkelijk zeggen: logisch dat die dochter aan ze wil ontsnappen. Het zijn sympathieke mensen die net iets te ver gaan in hun redelijkheid en fatsoen.’

Ze leven zuinig uit principe – in het theewater zijn eerst de eieren gekookt – en leren hun dochter dat alles bespreekbaar is, alles mag worden gezegd. Tot de dag dat Bonnie dus vertelt dat ze een duif is. Dan zegt haar vader: ‘Ik spreek jou graag als je weer normaal kunt doen.’ En normaal, bescheiden, redelijk, al die deugden van haar ouders, dat is nu juist het laatste wat ze wil. Gerritsen: ‘Haar ouders zijn helden voor haar. Maar je helden zijn vaak goed in waar jij zelf het slechtste in bent.’

Verlangen
Bonnie heeft, zoals de schrijfster zegt, ‘een enorm verlangen om boven de middelmaat uit te stijgen’. Haar duiffantasie heeft met dat verlangen te maken. Gerritsen stelde zich als kind ook voor dat ze anderen redde. ‘Als je over jezelf nadenkt, is het moeilijk om het leuk te houden,’ zegt ze droogjes. ‘Omdat het niet lukt om iets aardigs over jezelf te denken, sla je aan het fantaseren. In je fantasie kun je groot zijn.’

Bonnie heeft ‘naargeestige’ boeken over de Tweede Wereldoorlog op haar nachtkastje liggen. Ook dit is autobiografisch geïnspireerd. Gerritsen las als kind eveneens stapels over dit onderwerp. ‘Die mensen hadden het pas erg, ik mag niet klagen: dat gevoel kreeg je ervan. Ik moet gelukkig zijn, ik moet blij zijn met wat ik heb. Door dit soort boeken te lezen, ervoer je een taboe op ongeluk.’

Bonnie voelt zich op één moment in het boek gelukkig en dat is precies het moment waarop de broer van haar vriendin een dodelijk ongeluk krijgt. Ze had zich verloren in het schrijven en ‘vergat’ tot duif te transformeren. Gevolg: het ongeluk kon zich voltrekken. ‘Bonnie denkt daarna: mijn geluk is dus gevaarlijk, dat gaat ten koste van mensen. Het is een enorme overschatting van haarzelf.’

Gezien worden
In de recensie in NRC Handelsblad werd gesproken over de ‘psychose’ van Bonnie. Maar Gerritsen heeft van haar karakter geen ziektegeval willen maken. ‘Ik heb wel boeken over depressie en psychoses gelezen, maar in mijn roman heb ik geprobeerd bij een psychiatrische aandoening weg te blijven. Ik wil dat je je met mijn personages en met het verhaal kunt blijven identificeren.’

Daarom overkomt Bonnie de fantasie van de transformatie ook niet, dan zou ze puur slachtoffer zijn, maar kiest ze er in zekere zin voor. ‘Ergens weet ze wel dat het niet waar is, en op het einde laat ze haar fantasie ook bewust uit de hand lopen. Ze zou willen dat ze gek was, maar haar ouders blijven zeggen dat ze dat niet is. Waarom ze dat wil? Om uitzonderlijk te zijn, om gezien te worden. En misschien ook omdat ze voelt dat ze niet kan zeggen wat ze heel diep in zichzelf voelt: dat ze zo graag dood zou willen.’

Bevrijding
Op de laatste bladzijde van het boek zegt Bonnie het toch. De zin komt hard aan bij de lezer maar ervaar je gek genoeg ook als een bevrijding. Het hoge woord is eruit. Bonnie hoeft zich niet meer gek te gedragen, ze hoeft niet meer te veinzen, ze zegt het zoals het voor haar is. Gerritsen: ‘Haar gekte in het boek was een noodzakelijk spel om uiteindelijk die woorden tegenover haar ouders uit te kunnen spreken.’

Dat is toch wel het mooie aan schrijven, had ze laatst bedacht: ‘Om een lezer helemaal mee te nemen in het verhaal. Om mensen tijdens het lezen precies zo te laten denken als ik.’ Ze grinnikt en zegt: ‘Hoe gestoorder ik iemand wil hebben, hoe leuker het is om over te schrijven, want hoe houd je de lezer ondanks alles vast?’ Dan: ‘En toch blijft een echt hoofd altijd een stuk complexer dan wat je op papier kan krijgen.’


Esther Gerritsen met Peter Buwalda (links) en Gerbrand Bakker bij de bekendmaking van de nominaties van de Libris Literatuur Prijs op 14 maart. De prijs wordt op 9 mei uitgereikt.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Door Guus Bauer (22-03-2019)
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)