Interview met Etienne van Heerden
‘Het kleinburgerschap van de jaren ‘50 komt met ongekend grote stappen terug’
Door Guus Bauer en Ezra de Haan (16 maart 2012)


Etienne van Heerden (1954) is een van de belangrijkste hedendaagse auteurs van Zuid-Afrika. Zijn boeken worden wereldwijd vertaald. Voor Dertig nachten in Amsterdam ontving hij onder meer de WA Hofmeyr prys 2009 en de Hertzog prys 2010.

Henk de Melker is archivaris in een dorpsmuseum. Op een dag krijgt hij een brief van een Amsterdamse advocaat. Zijn tante Zan is overleden. Voor de afwikkeling van de nalatenschap dient hij naar Amsterdam te komen. Hij heeft al jaren geen contact meer gehad met deze vrouw met meerdere persoonlijkheden. Als onbeschaamde Susan wierp ze haar lichaam in de strijd met seksuele uitspattingen in de townships. Ze was Zan van de epileptische aanvallen en van de mysterieuze glazen opkamer in het koloniale huis, de politiek activiste Xan en de gevluchte actrice Xusan Dimelaki, die furore maakte op het Amsterdamse toneel.

Zodra Henk in Amsterdam is, komt hij voor een moeilijke beslissing te staan. Hij heeft dertig nachten om de geheimen uit zijn jeugd onder ogen te zien. Uiteindelijk wacht hem een verrassing. Zal hij worden bevrijd en op zoek gaan naar zijn creativiteit, zal hij zijn verbeelding laten werken?

De stukken van Henk en tante Xan wisselen elkaar af en hebben elk een totaal verschillend idioom. Hoe bent u aan het originele, poëtische geluid van tante Xan gekomen?
‘Henk is een behoudend personage. Je zou hem saai kunnen noemen. Die stukken waren dus heel moeilijk om te schrijven. De stem van tante Xan kwam eigenlijk als vanzelf. Het personage opende zich als het ware voor mij. Lucebert noemde dat “een dictaat van het onbewuste”. Zij kwam tot mij als rauwe syntaxis, een gemutileerde taal, een composthoop van mythologieën en idiomen in een heel natuurlijk ritme. In een prozatekst is een personage niets anders dan de taal. Taal als een lichaam. En in dit geval een verminkt lichaam. Ik noem het een Bodiography. Het is het schrijven van vlees. Haar gebroken lichaam dat ze op een ruwe, vulgaire manier inzet als protest tegen een maatschappij die ernstig onderdrukt. Het is daardoor een protesttaal geworden. Er zit een hoop kwaadheid in de manier waarop ik daar met de woorden omga. De stem van Henk is in het begin vrij saai, als noodzakelijk contrast, maar naarmate het boek vordert en hij zich meer openstelt, wordt hij interessanter.’

De tegenstelling tussen wat Henk noemt ‘nauwgezet leven’ die haaks staat op de creativiteit van Xan?
‘Het is de januskop van de kunstenaar. Henk verzamelt, werkt niet voor niets in een museum, en Xan is een explosie van creativiteit. Ik wilde ook een onderzoek doen naar het kunstenaarschap. Er zit nog een dergelijke metafoor in de roman. De straatartiest, de persoon die met de hoed rondgaat voor het geld en de zakkenroller. Dat team vormt tezamen ook een beeld van de kunstenaar.’

Wat heeft u voor deze roman ‘gestolen’?
‘Het was geen zakkenrollen, het was eerder overvallen, zoals in vroeger dagen in het Wilde Westen een postkoets werd overvallen. In dit geval de postkoets van de taal. Alle mythologieën, verhalen en histories, alles dat in de loop der tijd is opgestapeld, heb ik buitgemaakt. Ik heb de zinnen van Xan “vreemd gemaakt” en er een implosie van verhalen, mythes, planten- en dierennamen aan toegevoegd. In het Afrikaans heeft het toch een heel natuurlijk ritme. Dat was een behoorlijke uitdaging voor de vertalers. Ik hoop niet dat de lezer in het Nederlands op weerstanden stuit.’

Het boek lijkt een combinatie van Het verdriet van België van Hugo Claus en Ulysses van James Joyce?
‘Uit het oogpunt van de taal is er een connectie met Lucebert en daarbij komt het thema van verlies. Het verhaal van de gewone mensen. Als je het alledaagse nauwgezet vastlegt, krijgt het de charme van symboliek. Henk is een archivaris, hij is als de hamerkopvogel die kleine dingen mee naar zijn nest neemt. Zoals de ekster in Europa. De tekst is ook een verzameling van archaïsch Afrikaans. Heel veel Zuid-Afrikaanse schrijvers zijn de laatste jaren bezig met het verzamelen van oude gezegdes, namen en herinneringen. Waarom nu? Waarschijnlijk omdat het een onzekere tijd is. Wellicht onbewust ook omdat we het Afrikaans in zijn zuiverste vorm langzaam aan het verliezen zijn. We willen bewaren. De roman als vergaarplek. We maken als het ware een nest waarin we verzamelen. In mijn geval wilde ik ook laten zien waartoe de taal in staat is. De kracht én de waanzin.’

Zuid-Afrika kent vele talen. Dat moet toch ook invloed hebben op de eigen taal van de auteur?
‘Mijn gevoel is dat in de diepste vezels van het Afrikaans een Engelse toon is geslopen. De zinsconstructie in het Afrikaans begint steeds meer op die van het Engels te lijken. Antjie Krog zegt: “Als je echt een partij wilt zijn in het debat, zou je in het Engels moeten schrijven.” Zij wil Afrikaans zijn in haar Engels. Wat is Afrikaans? Wat is Nederlands? Er is een neiging naar het Engels, ook in de Nederlandse taal. Interessanter is de manier van vertellen in een taal. Neem nu het Xhosa. Het onderwerp waar het om draait wordt in de oudere, meer traditionele Xhosa gemeenschappen vermeden. Als iemand van zo’n rurale gemeenschap naar je toe komt met een probleem, zal hij over van alles met je praten behalve over dat onderwerp. Onderwijl krijg je kleine aanwijzingen. Het is aan de toehoorder om dat op te pikken. Een heel interessante vertelstrategie die ik in een van mijn romans heb toegepast. Dat heeft natuurlijk ook effect op de taal. Net zo goed als ritme en muziek van invloed kunnen zijn. Voor mijn vorige boek heb ik voor urbane stukken veel geluisterd naar Bruce Springsteen.’

Waar is het idee ontstaan voor deze roman?
‘Ik was in juni 2007 op werkbezoek in Amsterdam. Ik keek uit het raam van het huis aan de Amstel van Coen Stork, een voormalig Nederlands diplomaat in Zuid-Afrika. Toen kreeg ik een heel sterke sensatie over de stem van Xan. Ik had een tante die aan epilepsie leed en die bij mijn oma woonde. Ik tegenstelling tot spraakwaterval Xan sprak zij nooit. Zij was in de ogen van een kind heel erg vreemd. Ze liep als een spook, waarschijnlijk omdat epilepsiepatiënten in die dagen zware medicijnen kregen. Nadat deze roman gepubliceerd was, zei mijn vrouw tegen mij dat ik mijn tante een stem heb willen geven. Waarschijnlijk heeft ze gelijk.’

Is de roman ook een zoektocht naar de waarheid?
‘Op een bepaalde manier is dit boek een verhoor naar hoe herinnering werkt. Het is behoorlijk ironisch dat archivaris Henk, een historicus immers, het minste weet van zijn verleden van alle “omstanders”. Ik onderzoek ook de verhouding tussen fictie en non-fictie. Het hele verhaal is verteld vanuit het gezichtspunt van twee mensen. Eentje met bijna geen herinnering, die probeert het verleden te ontdekken, en een met een verwarde blik. Het geheel is dus onbetrouwbaar.’

En de politieke waarheid?
‘Het grote project van mijn generatie is het ontworstelen aan de tijd van extreme onderdrukking die pas een paar decennia achter ons ligt. Je zou tante Xan kunnen zien als een metafoor voor Zuid-Afrika, een land dat wacht op een grote epileptische aanval. Onze geschiedenis is een serie van epileptische aanvallen. De negatieve energie stapelt zich op en plotseling barst de bom. Je weet alleen nooit precies wanneer dat gebeurt.’

Is het mogelijk om echt los te komen van je geboortegrond, van je voorouders, van de geschiedenis?
‘Niet voor mij. Ik wilde nu een kleine, krachtige roman schrijven. Een tekst die zijn woorden verloren heeft. Amsterdam is daarvoor een mooie metafoor. Het water komt steeds terug in de grachten. Je bent jezelf. Je bent je eigen serie van epileptische aanvallen, waarna periodes volgen van relatieve rust. Je zit gevangen in je eigen vocabulaire, in je eigen toon en ritme.’

De tekst van Xan is beeldrijk poëtisch proza. U mengt verschillende literaire vormen in deze roman. Bent u eigenlijk een dichter?
‘Ik ben in eerste instantie een verhalenverteller en niet iemand die opbiecht. Ik kan het verkeerd hebben, maar in een hoop poëzie staat de bekentenis centraal. Ik ben maar een matig dichter. De verteller in proza is het vehikel dat mij voorwaarts laat gaan. Misschien moet ik een keer verhalende poëzie proberen.’

U mixt woorden, verzint nieuwe begrippen. U bezingt toch ook de schoonheid van de taal?
‘Misschien gebeurt het maar eenmaal in je schrijversleven dat je een personage treft met een dergelijke woedende taal. Ik heb ook heel wat gelachen toen ik deze roman aan het schrijven was. Er zit ook veel humor in de woordenschat van Xan. Ik ben nu aan een nieuw project bezig en ik hoor de stem van Xan nog steeds. Er moest haast een exorcist bijkomen om haar uit me te drijven. Ik heb stilistisch iets gedaan waardoor ik haar uit mijn systeem heb gekregen, maar zonder moeite zou ik weer in haar rol kunnen glijden. Het is niet nodig omdat ik niet in series schrijf. Ze zal wel de rest van mijn leven bij me blijven.’

Welk gedeelte van Henk zit in u, de twijfel van de beginnende schrijver die u ooit was?
‘Henk snapt op een gegeven moment dat hij een bevrijding in verhalen kan vinden in plaats van in het rapporteren van feiten. Zijn sobere levenwijze was een reactie op de uitbundigheid van zijn tante. Hij vreesde de creativiteit zonder dat hij het besefte. Hij zat gevangen in zijn vrees om net als zij te worden. Daarom beperkte hij zich tot heel dunne monografieën. Ik heb in Dertig nachten in Amsterdam feiten verwerkt, over de Apartheid bijvoorbeeld, maar ze tot fictie gemaakt. De glaskamer vol met tere kunstvazen is een metafoor voor de broosheid, de kwetsbaarheid van Xan en de manier waarop ze die beschermt. Mijn tante had een dergelijke kamer vol met kleurrijke glasvazen. Er zijn een paar impulsen uit mijn jeugd in deze roman verwerkt. Ze zijn gefictionaliseerd en dus romanmateriaal geworden.’

In de roman heeft u het over de vrijstaat Amsterdam die het zeegat uitvaart. Die vrijhaven is toch wel verleden tijd?
‘Het kleinburgerschap van de jaren ‘50 komt met ongekend grote stappen terug. Tijdens de regeerperiode van George W. Bush zag ik in Amerika ook een dergelijke verandering. Ik hoop niet dat het hier dezelfde kant opgaat. Het idee dat ik had van Amsterdam en Nederland als het nirwana op cultuurgebied is achterhaald.’

En hoe staat het met de boekenwereld?
‘Onze generatie is zo’n beetje de laatste grafische generatie. Schrijven, drukken, lezen van boeken, tijdschriften en kranten. We leven nu in een tijd waarin beeld en klank allesbepalend zijn, de berichtgeving is snel en kort, veel beeld met weinig tekst. Alles is in beweging en wij zitten vast op het einde van een tijdperk. Het einde van een manier van kijken en ervaren van de wereld en dat in geschreven tekst omzetten en er een mening over geven. Van het grotendeels teloorgaan van deze ervaring zijn we nu getuige. Ik geef les aan de universiteit van Kaapstad en je kunt nu zeggen dat bijna elk schooljaar een nieuwe generatie opstaat. De devaluatie van taal is duidelijk zichtbaar. In het leslokaal moeten de leraren zich tevreden stellen met korte antwoorden. Gelaagde argumentatie is aan het verdwijnen. Ik vertrouw echter op de invloed van de intelligentie van de mensheid. Het is mijn overtuiging dat er in een later stadium waardevolle dingen komen in de ruimte die vrijkomt. Hoe en wat precies is onduidelijk, maar de mensheid zal altijd behoefte hebben aan de neerslag van het denken en aan verhalen. Nieuwe generaties zullen nieuwe wegen vinden om waarde te hechten, wij bevinden ons in een tussenfase. Een goede zaak is dat er steeds meer kleine, gespecialiseerde boekhandels ontstaan.’

Wat denkt tante Xan van het nieuwe Zuid-Afrika, een jonge staat die maar pas een paar decennia met vrijheid moet zien om te gaan?
‘Het zal lang duren, misschien wel honderd jaar, maar uiteindelijk zal het werken. Het boek gaat niet in die richting. Henk heeft er wel zo zijn gedachten over. Een mooi idee voor een nieuw boek: tante Xan is genezen, gaat terug naar Zuid-Afrika en werpt haar lichaam opnieuw letterlijk in de strijd. Ik zei het al: ik ben geen schrijver van series.’

Hoe is het voor u om in het huidige Zuid-Afrika te leven?
‘Toen mijn twee dochters aan het opgroeien waren, was ik extreem voorzichtig. Er is veel geweld in onze maatschappij. Maar Cornelis van Gogh, de tweede, vrij onbekende broer van Vincent schreef al rond 1895 in een brief aan zijn moeder dat JohannEisburg een gevaarlijke stad is waar je niet zonder pistool naar buiten kunt gaan. Er is dus eigenlijk niet zoveel veranderd.’

Geweld is overal, maar in Zuid-Afrika lijkt het soms wel buitenproportioneel? In romans van Zuid-Afrikaanse schrijvers is er vaak een overtreffende trap van wreedheid aanwezig, zo ook in deze roman van u.
‘Voor een mobiele telefoon wordt iemand afgeslacht, het is waar. Er bestaat een soort overkill. Het is niet zo dat na de afschaffing van de apartheid Nelson Mandela over water heeft gelopen, al het kwaad heeft uitgedreven en dat iedereen happy ever after leeft. Mijn voorvaderen waren twee straatarme broers die in de zeventiende eeuw vanuit Heerden op een schip naar hier zijn gekomen. Ik zeg het ergens in mijn roman: eerst komen de avonturiers en dan de burgerij. Mijn voorouders van moederszijde zijn arbeiders uit Engeland die op een nauwelijks bruikbaar stuk grond in het oosten zijn neergezet. De zwarte stammen leverden onderling veel strijd. De herinnering aan de slavernij is sterk. Op een gegeven moment is er met een liniaal op een kaart een streep getrokken. Dit is Zuid-Afrika, dit is de vlag en dit is het volkslied, laten we nu in vrede met elkaar leven.

Zo eenvoudig is het niet. De Apartheid heeft voor een ontmenselijking gezorgd. Mijn vrouw is huisarts en zij is erg geïnteresseerd in de nieuwe wetenschappelijke theorie dat psychologische schade zich in alle lichaamscellen nestelt, dus niet allen in het brein. Het lichaam herinnert zich. Trauma’s die de moeder ervaart, schijnen effect te hebben op de ongeboren kinderen. Het effect van een ingrijpende gebeurtenis kan drie generaties doorklinken. Het lichaam van Zuid-Afrika heeft heel veel herinneringen in zijn cellen. De geschiedenis heeft effect op iedereen. De commissie die is aangesteld na de val van het Apartheidregime heeft geen wijdverbreide therapeutische werking gehad. Er is opnieuw heel wat historie weggemoffeld. Het heeft niet iedereen schoongewassen. Op het moment is de negatieve energie zich opnieuw aan het opladen. Misschien dat het tot een epileptische aanval komt.’

Zal dat het einde zijn van de blanken in Zuid-Afrika?
‘Nee, dat denk ik niet. We zijn Afrikanen. Dan gaan we naar het noorden, wachten af en trekken dan weer naar het zuiden. Waar moeten we heen? We moeten niet meer denken in termen van de blanke Afrikaners. Er is een heel goed ontwikkelde zwarte middenklasse. Het probleem zit hem in het feit dat vijftig procent van alle mensen onder de vijfendertig geen werk heeft. De woede hoopt zich op. Wanneer dat explodeert, zal het zich richten tegen iedereen die ook maar iets heeft, blank of zwart. Het is overigens niet zo dat ik het vooropgezette plan had om een anti-Apartheid roman te schrijven. Ik heb twee mensen naar Amsterdam gebracht en op een bepaalde manier kon ik het niet helpen wat er met ze gebeurd is. Ik schrijf op instinct.’

Is op die manier ook het verhaal over Cor van Gogh in de roman gekomen?
‘Ik zou graag een boek over Cor schrijven, maar daarvoor zou ik veel tijd moeten uittrekken voor onderzoek. En ik zal heel erg voorzichtig te werk moeten gaan. Er is weinig over hem bekend en dat is goed nieuws voor een romanschrijver. Ik hoop het ooit te schrijven en het zal goed gefundeerde fictie moeten zijn omdat het erfgoed van Van Gogh heel dichtbij de Nederlander staat. Het is de vraag of het geaccepteerd wordt dat een buitenstaander dat fictionaliseert.’

Dat gevaar schuilt ook in de titel. Dertig nachten in Amsterdam. De zoveelste auteur die op bezoek komt en allerlei zaken vertelt die je als Amsterdammer al weet.
‘Natuurlijk was ik bezorgd wat de lokale bevolking zou denken. Ik wilde niet aan laboratoriumonderzoek doen. Dan krijgt het iets van een reisgids. Er is natuurlijk een clichébeeld van Amsterdam. De Wallen, de bloemenmarkt, de klompen, pannenkoeken, het Van Gogh-museum. Ik wilde voor mijn lezers in Zuid-Afrika iets anders doen met Amsterdam. Hopelijk heb ik daarbij ook zaken voor het voetlicht gehaald die Amsterdammers zelf niet meer zien. Op de eerste dag dat ik voor een werkbezoek in Ouderkerk aan de Amstel verbleef, keek ik uit het raam en zag een schip voorbijvaren. Ik kreeg het een beetje benauwd want ik realiseerde me dat ik beneden het waterpeil zat. Voor jullie uiteraard heel erg gewoon. Het gedeelte dat in Amsterdam speelt, is overigens maar een klein onderdeel van de roman.’

Een citaat: ‘Ga liefdevol om met het jongetje dat je ooit was.’
‘Een van mijn lijfsmotto’s. Er zijn veel te veel mensen die het kind in zichzelf verloren hebben. Ik was net met mijn volwassen dochter over opgroeien aan het spreken toen we in de buurt van de Dam een levend standbeeld zagen. De man maakte een plotselinge beweging toen een jong meisje langs hem liep. Het kind barstte in huilen uit en verschool zich achter haar moeder. “Dat is een beeld dat ze nooit meer zal vergeten,” zei mijn dochter. “Als een dergelijk standbeeld haar voorbij zou lopen, zou ze niet gek opkijken. Voor kinderen is alles mogelijk.” Naarmate je opgroeit, mag en kan steeds minder. Op een gegeven moment weet je dat bepaalde zaken niet echt zijn. Schrijvers houden alle opties open. Fictie is het openen van mogelijkheden, van ruimtes.’


Foto boven: Klaas Koppe: Etienne van Heerden in Amsterdam.
Foto midden: uitreiking van de M-Net Literary Award voor 30 Nagte in Amsterdam (2009).
Foto onder: Imke van Heerden.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)