Interview met Eva Wald Leveton (2)
‘Ik was bij mijn geboorte al veertig’
Door Ezra de Haan (3 oktober 2011)


U was vijf jaar oud en woonde in Berlijn toen de tweede wereldoorlog uitbrak. Uw vader was joods, uw moeder arisch. Uw vader wist nog net op tijd te ontkomen naar Amerika terwijl u en uw moeder, door omstandigheden, in Duitsland moesten achterblijven. Na de oorlog emigreert u, samen met uw moeder naar Amerika. Waarom gebruikt u nog steeds de naam Wald die uw vader in Amerika koos in plaats van het oorspronkelijke Eichenwald?
Amerikanen kunnen het niet uitspreken. Daarom koos mijn vader voor Wald. Het is pas sinds kort dat ik mij eraan stoor. Voorheen heb ik er nooit over nagedacht. Pas na mijn vijftigste begreep ik dat mijn vader mij mijn naam had afgenomen. Los daarvan is er voor mij als kind zelden ruimte geweest om boos op hem te zijn. Hij ging naar Amerika toen ik nog klein was en stierf jong. We hebben beiden erg geleden onder de nukken van mijn moeder. Dat was eigenlijk ook de enige emotionele band die mijn vader en ik hadden. Hij hield van mij en toch was er maar één vaderfiguur in mijn jeugd: mijn grootvader. Mijn moeder was een kind en mijn vader was een dokter. Mijn opa begreep kinderen. Hij was de enige die iets aan mij wilde uitleggen. Hij leerde mij dat je ook om mijn grootmoeder kon lachen. Tegelijkertijd was zij degene die mijn moeder met opzet kapot maakte. Ik zag het gebeuren, maar ik begreep het niet. Hij noemde haar een tragédienne. Later begreep ik dat ze een draak van een vrouw was geweest. Liefst had ze ons allemaal opgevreten. Mijn opa hielp mij dingen te begrijpen die ik niet snapte. Neem de nazi’s. Er werd van mij verwacht dat ik het begreep en dan had ik ook nog eens het idee dat ik het aan mijn moeder moest kunnen uitleggen.

En u was een volwassen kind…
Ik was bij mijn geboorte al veertig. Wim Wenders, de cineast, zei: ‘Mensen denken dat wij een vreselijke jeugd hadden, maar dat was pas na de oorlog.’ Tijdens de oorlog was er volledige vrijheid. We konden doen wat we wilden en dat de hele dag door. Ik hoefde niet naar school. Mijn halfjoodse vrienden waren net als ik in de stad achtergebleven, verborgen in het volle zicht. De rest zat op het platteland. Daarom was Berlijn de beste plek om je te verstoppen.

Daar creëerde u met uw vrienden een eigen wereld, een soort paradijs in de hel.

‘Als de parken door bombardementen verwoest zijn, brengen Erika en ik veel tijd in de dierentuin door. Daar zijn struiken waarin we verstoppertje kunnen spelen, een deels verwoeste muziektent die ons toneel wordt, en - nog mooier - een eiland waar een boom bij een bombardement in het water is gevallen. We worstelen dagenlang om de hinderlijke takken weg te krijgen, maar hebben uiteindelijk een wiebelige brug. Het eiland heeft ongeveer de afmetingen van een kwart van een huizenblok. Dit stukje grond is van ons.’

We leefden onze fantasie uit. Er was immers weinig werkelijkheid waaraan we deel konden nemen. De werkelijkheid was te zwaar. Al raakte je daaraan ook gewend. Ik kwam pas achter de angst van die dagen na een heel klein brandje in een hotel in Oregon, tijdens mijn eerste huwelijk. Ik was toen ergens in de twintig. Het was een kleine brand, er was eigenlijk niets aan de hand. We zaten op de tweede etage, liepen naar beneden, het was binnen een kwartier geblust en dat was het. Maar ik stond doodsbenauwd buiten. Pas toen kwam de angst uit mijn jeugd boven.

Hoe gaat u om met dit soort angsten als gevolg van uw ervaringen in de oorlog? Neem het geluid van de bombardementen, dat u zo beeldend beschrijft in uw herinneringen.

‘Ik ben in het appartement van Günther en Erika als ik de eerste geluiden hoor: een jankende windvlaag komt steeds dichterbij, en we weten wat er dreigt. De\ramen rinkelen. Wat moeten we doen? Wat is er met de sirene aan de hand? Ze zijn er al! Moeten we onder de tafel gaan zitten? We\waren aan het spelen maar blijven als verlamd zitten. Er is te veel lawaai en het hele gebouw schudt op zijn grondvesten. In de buurt is een bom gevallen. Waar is mijn moeder? De muren van het buurthuis storten naar binnen toe in. Dat zien we vanaf de plek waar we zijn. We horen geschreeuw en brekend vensterglas. Daarna liggen we op onze buik onder een tafel om niet onder het plafond van de kamer bedolven te worden. Het komt omlaag, en nu regent het kalkstof en splinters van het meubilair.’

Ik wil daar nog eens iets over gaan schrijven. Mijn kinderen vinden het bijvoorbeeld zo grappig dat ik geen eten kan weggooien. Het gaat mij niet om het eten, het gaat om het verspillen van voedsel. Mijn grootvader noemde dat: ‘Das nicht umkommen.’ Wij verspillen niets. Ik haat verspilling. Ik noemde het… competitief eten. Nu is dat helemaal voorbij. Ik zag indertijd andere vluchtelingen het ook doen en voelde mij er zo slecht bij. Gratis eten… dan moet je zoveel eten als je kunt. Ik ben zo blij dat ik dat nu niet meer heb… maar heeft heel lang geduurd. Ook ben ik gevoelig voor geluid. Overgevoelig mag ik wel zeggen. Vaak is het zo dat als het in mijn leven niet lekker loopt de gevoeligheid toeneemt. We woonden een tijd in een huis waar veel vliegtuigen laag overheen kwamen als het regende. Nu kan ik daar tegen. Maar toen, in een moeilijke periode, ik werd tien jaar ouder in twee jaar, was ik bij ieder vliegtuig bang dat het op ons huis neer zou storten. Ik was daar haast zeker van. Het was een vorm van angst waaraan ik niet kon ontkomen.

Ik denk dat de onderdrukte angsten van mijn jeugd juist op die momenten naar boven kwamen. Het komt boven als je het absoluut niet verwacht. Ik herinner mij dat de kinderen nog klein waren, het was in een boot in Baha California, we gingen walvissen bekijken en voeren erg snel. Misschien ging het wel langzaam, maar voor mij was het snel. Plotseling werd ik zo bang, zo bang door de snelheid. Tijdens het autorijden kwam het ook wel eens voor. Later kwam ik er pas achter dat het door het geluid komt. Het lijkt op het geluid van vallende bommen. Vreemd genoeg heb ik dat niet met ruiken. Misschien dat als ik in een overstroomde stad kom, als ik oude stof ruik, dat ik het mij weer herinner. Nat van beneden en stof van boven. Je kunt nauwelijks ademhalen en loopt met een sjaal voor je gezicht…

‘Sommigen van ons hebben een afschuw van de luchtaanvallen maar vinden de branden griezelig mooi. Als we uit de schuilkelder komen, volgen we de roze kleur aan de nachthemel naar de gebombardeerde huizen- reuzenkastelen in lichtelaaie. De oranje, gele, rode en gouden vlammen verlichten de straten. We staan op enige afstand en sommen de namen op van bekenden die daar woonden.’

Tijdens uw jeugd was u altijd een buitenstaander. U was halfjoods, dus nooit Duits of Joods. Na de oorlog was u in Amerika eerder een nazi dan een joodse.
Het eerste jaar in Amerika huilde ik alleen maar. Ik hoorde nergens bij. Dus probeerde ik de beste zijn. Iedereen die tot een minderheid behoort, heeft dat gevoel. En ik hoorde bij een groep waarin werkelijk niemand geïnteresseerd was. Hans Keilson heeft daarover in zijn boeken heel goed geschreven. Hij beschreef al mijn gevoelens. Ik bleef maar huilen tijdens het lezen van Het leven gaat verder. Zijn verdriet is nooit gestopt. Het gaat er ook niet om of je gelukkig bent of dat je succes geniet. Het verdriet is altijd aanwezig.

Hoe was het voor u om als Amerikaanse naar Duitsland terug te gaan? Was het moeilijk? Het Berlijn van uw jeugd bestond immers niet meer.
Het was heerlijk om samen met mijn moeder terug te gaan. Maar de stad was en is compleet verwoest. Het is een nachtmerrie. Toch is het Berlijn van mijn jeugd nog steeds daar… in de mensen. Dezelfde humor is gebleven, het zijn praatgrage mensen… Mijn man Phil, een Amerikaanse jood vol vooroordelen, was verbijsterd hoe aardig de mensen in Berlijn waren. Zo warm, zo Berlijns. Ik heb altijd het gevoel gehad thuis te komen. Zo voel ik mij ook meer thuis in New York dan in Californië. Het staat dichter bij Europa. Het heeft het zelfde grote stadsgevoel, het gaat daar over iets.

Overigens staat het huis waar we woonden in Berlijn nog steeds overeind. Ze hebben daar een korte film over mij gemaakt. Dat bleek moeilijker voor mij te zijn dan ik verwachtte. Al het verdriet van die dagen kwam los. Alles zag eruit als in mijn jeugd. Zelfs de deur is nog steeds dezelfde. Alleen was ik groter geworden. Ik zag het raam waardoor ik altijd naar buiten keek. Ik heb het mijn man en kinderen laten zien, maar durfde niet naar binnen te gaan. Ik was bang dat het te gecompliceerd zou gaan worden. Ik wilde niet weer door mijn moeder of grootmoeder geraakt worden.

Toen u na de oorlog naar uw vader in Amerika ging, zag u voor het eerst joodse mensen die vrij waren en daardoor zichzelf konden zijn. Kinderen die zonder angst konden spelen.Werd u zich toen ook bewust van uw joodse identiteit?
Ik herkende het… Sinds mijn huwelijk met Phil vieren we Pesach. Mijn man houdt daarvan. Het is fijn als de familie bijeenkomt en ik houd van de rituelen. Het is mooi hoe joodse gelovigen zich echt om hun gemeenschap bekommeren. Maar de vorm die het geloof soms aanneemt bevalt mij niet. Zelf zie ik meer in het boeddhisme. Het gaat mij om het heden, niet om de toekomst. Het duurde lang voordat ik hoop kreeg. Misschien werd ik daarom ook niet zwanger… ik had geen geloof in de toekomst. Wat hielp is het lezen van sprookjes. Dat vergroot je kijk op de wereld. Ze zijn een deel van mij geworden. Helaas gaat dat voor veel mensen niet meer op. Tijdens mijn workshop in Hamburg bleek dat veel mensen de metafoor in Assepoester ontging. Vaak refereer ik naar sprookjes in de hoop dat mensen ze weer gaan lezen en tot inzicht komen. Mensen blijven te lang op hun eigen afval zitten. En dan duurt het lang voordat de bloemen opkomen.

Uw boek lijkt wel door twee schrijvers geschreven te zijn. De psychotherapeut probeert erachter te komen hoe de jeugd was en wat de gevolgen ervan waren. De ander is de dichter. We beginnen met de eerste. U vertelt uw verhaal, al is het misschien eerder het verhaal van uw moeder, uw vader, uw grootvader, uw vrienden, zeg maar van de mensen die belangrijk waren in uw jeugd. U schrijft het verhaal dat zij niet konden schrijven.
Dat heeft u goed gezien.

Sommige van uw jeugdervaringen zijn al erg om te lezen. Voor u moet het vreselijk zijn geweest ze te beleven. Neem het gevoel van schuld. Schuld omdat u, doordat u voor de veiligheid op papier Arisch moest zijn, samen met uw Duitse moeder terug naar Duitsland werd gestuurd en uw joodse vader alleen naar Amerika ging.
Die schuld nam ik op mij. Maar het was vreselijk. Moeilijker echter was de periode, na de oorlog, in Amerika. Het was erger dan de bommen, dan Hitler, tenminste zo kwam het op mij over. Ik was eraan gewend om alles aan te kunnen. Maar ik had nooit geleerd om een buitenstaander te zijn. Een vijand. Te moeten liegen. Niemand zou ook maar ooit het vermoeden mogen hebben dat ik een Duitse was. Die gedachte kwam na anderhalf jaar. Tot dan was ik mijzelf gebleven. Niemand wilde dat accepteren. Toen dacht ik: oké, ik zal mij kleden zoals zij, praten zoals zij en verhullen dat ik Duits ben. In Duitsland, tijdens de oorlog, kon ik nog wegkomen. In Amerika kon ik nergens heen. In Duitsland had ik twee, drie vrienden, wist ik te ontvluchten aan mijn grootmoeder. Daarvoor ging ik naar de dierentuin waar ik de dieren mocht voeren. Zelf was ik een soort wilde kat en vrij als een vogel… Ik wilde gewoon niet de hele tijd met mijn moeder en grootmoeder doorbrengen. Al die verwijten van mijn oma aanhoren dat mijn moeder een hoer was omdat ze met die jood, mijn vader, was getrouwd. Later, in Amerika, was ik de enige die mijn moeder begreep. De mensen waren vreselijk tegen haar. Amerikaanse joden kunnen zich zo naar gedragen. Het zijn mensen bij wie ik mij niet behaaglijk voel. Voor hen was ik een Duitser. En ze gebruikten mij om het mijn moeder nog moeilijker te maken.

Is het nooit bij u opgekomen om hen te vertellen dat uw vader joods was?
Dat had ik heel graag gedaan. Er was echter geen enkele volwassene die mij op het idee bracht om dat te zeggen. Ik kwam immers uit Duitsland, sprak Duits en voelde mij ook een Duitser. Ik was ook niet opgegroeid als dochter van een jood. Ik had wat dat betreft geen enkele ervaring. Niemand heeft mij daar zelfs ooit iets over verteld. Dat was ook mijn grootste probleem: ik was onderdeel van iets waarvan ik niets wist, laat staan begreep.

Wat was voor u het moeilijkste om te beschrijven in uw boek?
Mijn moeder. Het drinken van haar… daar schaam ik mij nog steeds voor. Om haar te beschermen verstopte ik haar, zo goed als ik kon. Er is veel van mijn moeders gedrag dat ik begrijp. Wat ik niet begrijp is de verslaving. Dat je iemand van wie je houdt zoveel verdriet kunt aandoen.

Haar drinken zorgde ervoor dat uw verhouding met haar veranderde. Eerst vormden moeder en dochter een eenheid. U zag haar als een godin. In Amerika trekt u meer naar uw vader.
Dat lukte ook niet. Mijn vader had het te druk. Daarnaast behandelde hij mij als een volwassene en dat was ik nog lang niet. Toch moest ik mijn moeder verplegen. Ik was pas elf! Waarom moest ik dat doen? Hij bleef gewoon op kantoor als mijn moeder een zelfmoordpoging had gedaan. Ik belde hem… en hij zei dat ik het maar moest oplossen. Natuurlijk leek ik in zekere zin meer op mijn vader. Ik las veel meer en heel andere boeken dan mijn moeder. Ik was meer een denker dan mijn moeder terwijl ze erg, erg slim was. Mijn moeder kon echter geen afstand tot de dingen nemen. Ze was en bleef als een kind. En ik moest mijn jeugd overslaan en die heb ik dan ook niet gehad.

Ik kan het verkeerd hebben, maar was uw moeder niet gewoon naïef en erg verwend?
Ja… of narcistisch, dat woord past waarschijnlijk het beste bij haar. Al is ze inderdaad totaal verwend geweest door mijn vader. Ik denk ter compensatie van haar jeugd… ze kon krijgen wat ze wilde. En ze eiste dat ook. Zelfs in het laatste oorlogsjaar gingen we, vreemd genoeg, op vakantie, gokte ze voortdurend in het casino en konden we uitstekend eten. In Berlijn was alles op de bon en ondanks dat was er een enorme schaarste. In Amerika veranderde dat allemaal. Daar kon die manier van leven niet meer. Dat zorgde voor onvrede en onaangenaam gedrag. Daarin leek ze op haar moeder.

Het was zo vreemd om te ervaren dat iemand die van mij hield in staat was tot martelen. Ik liep met mijn kop tegen de muur. Ik kon mijn liefde voor haar niet stoppen. Ze eiste altijd alle aandacht op. Toen ik op Stanford ging studeren, slechts een uur reizen, nam ze mij dat kwalijk. Terwijl ik speciaal voor haar dichtbij huis bleef. Nergens kon ik mijn verhaal kwijt. Geen een van al die joodse psychiaters, de vrienden van mijn vader, dacht aan mij. Ik kwam erg sterk over. Zoals mijn moeder in haar brieven vol verbazing naar mijn vader schreef: ‘Ze is zo sterk, ze stapt zonder blikken en blozen over de lijken heen.’ Über die Leichen gehen. Niet dat het ik met plezier deed… In werkelijkheid voelde ik mij helemaal niet sterk.

In het begin van Eva’s Berlijn schrijft u iets over de waarheid.
Ik had geen zin in research. Ik wilde absolute vrij zijn om mijn herinneringen op te schrijven. Soms bedenk ik ook dingen. Eigenlijk wacht ik nog steeds op reacties van lezers die mij op mijn vingers gaan tikken. In het boek zijn mijn twee kanten voor de eerste keer samengekomen. Mijn Duitse en Amerikaanse ervaringen vormden twee verschillende werelden. Ik ben niets vergeten, heb weinig onderdrukt, maar ik hield het wel gescheiden van elkaar. En daar had ik alle reden toe. Ik bedacht daar althans redenen voor. De waarheid is dat ik het gewoon niet kon. In mijn boek is het gelukt. Ik heb het in het Engels geschreven terwijl ik in beide talen denk en droom. Vreemd genoeg begint daarin ook iets te veranderen. Laatst sprak ik in het Engels met mijn man en stoorde het mij. Het klinkt vreemd. Misschien voel ik mij nu weer meer Duits omdat ik er regelmatig kom.

In uw boek klinkt ook een dichter door. U koos er in Eva’s Berlijn zelfs voor om sommige herinneringen zowel in proza als in poëzie te beschrijven.
Mijn eerste echtgenoot George Hitchcock was een dichter en de redacteur van het tijdschrift Kayak. Hij was twintig jaar ouder dan ik en is vorige maand overleden. Ik was op zoek naar een vader en hij bleek een heel goede, fantastische vader. Alleen wilde hij geen kinderen. We hebben nooit ruzie gehad, al was hij kwaad toen ik hem verliet. Hij is degene die mij aan het schrijven kreeg. George wist hoe je jonge mensen moest inspireren. Ik schreef omdat hij een schrijver in mij zag. Tegelijkertijd wilde ik mijn moeder genezen en werd ik psychotherapeut. Vele jaren later, ik was inmiddels met Alan getrouwd en had kinderen, vond ik een therapeut die mij begreep. Ze was Iers en had dus dezelfde achtergrond als mijn eerste echtgenoot, had net als hij zo’n diepe Ierse stem. Niet te vergelijken met het Welsh, al lijkt het erop. Tijdens die therapie schreef ik gedichten en zij las ze mij voor. Eigenlijk begon daarmee het schrijven van Eva’s Berlijn.

Ik had al het gevoel dat de gedichten en Eva’s Berlijn niet gelijktijdig waren geschreven. Het gedicht ‘In de speeltuin’ deed mij qua stijl aan Godfried Benn denken.
Hij is een van mijn meest geliefde dichters. Ik heb zelfs een bundel van hem in mijn koffer zitten. En dat gedicht is mijn beste gedicht.

In de speeltuin

Op een lenteochtend
na de dauw
vindt een snuffelend kind
op de speelplaats
een handvol huid.

Het lijkt een versleten lap
Met een speciale consistentie:
noch leer, noch vlees.

Ze denkt dat het
aan de hand heeft gezeten
van een piepjonge soldaat
die omkwam in een verloren gevecht
op de speelplaats van de
Berlijnse dierentuin.


Waarom bracht u uw proza en poëzie samen in een boek. Het is niet gebruikelijk.
Niet alleen dat. Oorspronkelijk wilde ik het boek in chronologische volgorde schrijven. In die tijd was ik erg bezig met feministische literatuur. Ik wilde het dus niet doen op de manier die men van mij verwachtte. Ik wilde er zoveel mogelijk gevoel in stoppen. Met poëzie gaat dat beter.

Laten we nog even teruggaan naar het schrijven van de waarheid. De laatste jaren wordt er steeds meer bekend over het verkrachten van Duitse vrouwen door de Russen. Het zijn verschrikkelijke verhalen over hoe alle vrouwen, van erg jong tot oud, werden verkracht. Uw verhaal over de Russen in Berlijn geeft een heel ander beeld.
Er was een eerste en een tweede golf. Ik heb er ook verschillende boeken over gelezen. In een boek wordt Berlijn beschreven op een wijze die mij woedend maakt. Het klopt niet. Tenminste, zo ervaar ik het. Het lijden werd daarin zo overdreven. Dat is een algemeen probleem als je het over de oorlog hebt. Men herhaalt wat de ander vertelt en maakt het nog erger. Terwijl het al erg genoeg was. Zo beschreef men de vele gevallen van zelfmoord in het Berlijn waar we woonden. Over geliefden die samen de dood ingingen. Mijn moeder was de eerste geweest om daar iets van te weten. Die had het zo romantisch gevonden. Het kan zijn dat het wel eens is voorgekomen. Misschien drie keer… voor zover ik weet. Maar zoveel als er in de boeken staat…

Een ander punt is de komst van de Russen. De eersten die kwamen hadden zich hun weg naar ons huis bevochten. Degenen die koeien bij zich hadden. Dat waren boeren en goede mensen. Zelfs de officieren die in ons huis woonden waren aardig. Ze gaven ons, die stierven van de honger, te eten. De tweede golf Russen schijnt vreselijk te zijn geweest. Daar merkten wij in de Engelse sector niets van. Niet dat ik ga bagatelliseren. Mijn moeder is bijna verkracht en ook neergeschoten. Alleen omdat ik er bij was heeft ze het overleefd. Boeren hebben respect voor de familie en dus had mijn moeder veel geluk. Andere vrouwen zijn natuurlijk wel verkracht. Ik heb ze zien terugkomen, en ik weet niet of het voor al die vrouwen opgaat, maar ze gaven de indruk dat het hen niet veel deed. Hun gezichtsuitdrukking drukte iets uit van: was dat nou alles? Zo was het in ons appartement. In een ander huis kan het natuurlijk vreselijk zijn geweest.

‘In het begin lijkt het een spelletje. De mannen komen de kelder in en zoeken een vrouw uit. Maar als die vrouw dan sloffend en alleen terugkomt, wordt ook mij duidelijk dat er iets afschuwelijks gaande is. Hun mond is dan vertrokken op een manier die ik alleen heb gezien bij mensen die bijna moeten overgeven. Hun ogen staren en hun bleke gezicht mist elke expressie: ze kijken uitdrukkingsloos, geschokt. ‘Frau komm.’ Woorden als boeien. Een vrouw beeft over haar hele lichaam en zegt almaar: Schrecklices Schwein. Een andere vrouw zoekt haar heil bij bittere humor en zegt: ‘Het had erger gekund.’

U had een vreemde jeugd.
Wat mij interesseert is hoe je er bovenop komt. In mijn geval denk ik dat het een combinatie is van de humor die ik van mijn grootvader heb en mijn dagen in de natuur en de dierentuin tijdens de oorlog. Dankzij de sprookjes die hij mij voorlas, kon en kan ik ze als metafoor gebruiken en veel meer begrijpen. Anderen mensen die minder gelukkig waren, ik kom ze vaak tegen als therapeut, blijven in hun verdriet hangen. Ik heb een vrouw gesproken die al tachtig jaar op de vlucht was. Ze was voor de Russen gevlucht, ze hadden haar alles afgenomen en wist niet hoe ze haar huilen moest stoppen. Haar hele leven bleef ze huilen. Tachtig jaar lang is ze ‘auf der Flucht’ gebleven.
Delen
Koppelingen
Boeken
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)