Interview met Gerbrand Bakker
‘Ik vind eenvoud in de taal erg lekker’
Door Fleur Speet (24 september 2010)


Gerbrand Bakker (1962) is nog niet zo beroemd dat mensen hem op straat vastklampen met de vraag of híj nou de schrijver is die als eerste Nederlander de International IMPAC Dublin Literary Award heeft gewonnen en dus 75.000 euro [een kwart van het bedrag was voor vertaler David Colmer]. Zijn vaste slijter begon hem wel opeens met ‘u’ aan te spreken en een doorgaans ongeïnteresseerd Marokkaans buurmeisje herkende hem opeens als ‘die schrijver van de tv’. Dat was alles. Maar voor roem schrijft Bakker niet.

Toch gaat het hem aan het hart dat van het slecht ontvangen Juni, zijn tweede roman, ‘slechts’ 14.000 exemplaren zijn verkocht, een geweldig aantal voor een gemiddelde Nederlandse schrijver, en dat sommige mensen hem mailen dat ze wachten op zijn nieuwe boek nadat ze Boven is het stil hebben gelezen (van welke titel al 100.000 exemplaren zijn verkocht). ‘Ze weten niet eens van het bestáán van Juni,’ zegt Bakker onthutst. Maar de positieve Duitse ontvangst doet goed. Het boek krijgt een tweede kans en hij beseft dat dit voor een deel geluk is. ‘Ik ben niet langer alleen afhankelijk van wat in eigen land gebeurt. Dan kun je makkelijk ‘Ach’ zeggen.’

De fans worden hoe dan ook op hun wenken bediend, want vanaf 28 september ligt er weer een nieuwe roman van Bakker in de boekhandel, De omweg. Het is een boek over aftakeling van het lichaam middenin het natuurgeweld van Wales. De vrouwelijke hoofdpersoon trekt zich terug in een afgelegen huisje, om wat te doen weet ze aanvankelijk niet. Ja, de tuin aanleggen en de ganzen verzorgen. Maar wanneer een jonge man langskomt en háár gaat verzorgen, weet ze steeds beter wat haar te doen staat.

De ziekte waaraan de hoofdpersoon lijdt, blijft in het midden.
‘Daar heb ik erg mijn best voor gedaan. Ik gebruik nergens medische termen, al weet ik natuurlijk wel waar de zware pijnstillers die ze aan het eind krijgt op wijzen. Ik vond gelukkig een toon waardoor alle medische fratsen niet nodig waren omdat het daar niet echt om draait. Het verhaal is vanuit mijn lijf geschreven; wat zou zíj kunnen voelen? Ik ben tijdens het schrijven helemaal haar geweest. Vroeger al kon ik me heel goed voorstellen hoe het is om als vrouw op je rug te liggen en door een man genomen te worden. Dat leek me heerlijk. Dan dacht ik: “Ik had eigenlijk een vrouw moeten zijn.”’

Het enige waar ik met het schrijven moeite mee had was haar geslachtsdeel. Ik heb aan een aantal vriendinnen gevraagd hoe zij dat voor zichzelf noemen. “Kut” paste niet bij de toon van het boek, veel te hard en “kruis” klonk ook niet lekker. Een paar keer gebruik ik “schoot” of “hand tussen de benen”. Uiteindelijk omzeil ik het vooral, net zoals ik haar ziekte omzeil.

Ze heeft natuurlijk een vreselijk vuile rotziekte, die zo smerig is omdat je niets ziet. Iemand lijkt compleet gezond, gaat met een vaag pijntje naar de dokter en is in een paar weken opgegeven. Dan is er nauwelijks een weg terug. Dat leuke mensen eraan moeten geloven, zoals Adriaan Jaeggi, vind ik heel erg. Hup, weg.’

Is dit je weerwoord tegen die ziekte?
‘Nee, maar ik probeer wel een vraag op te werpen over de keuzedwang die er voor mensen met deze ziekte is, over hun zelfbeschikkingsrecht. Ze móeten blijven leven. De maatschappij, hun familie en vrienden laten hen geen keuze. Zo is de jongen die voor de hoofdpersoon gaat zorgen, een metafoor voor de reactie die we bijna allemaal hebben. Enerzijds vindt de hoofdpersoon het gezelschap prettig, anderzijds stoort hij haar omdat hij haar tegenhoudt. Ze denkt steeds aan haar oom, die een hotelvijver in liep waarvan het water maar tot zijn heupen kwam. Hij wilde zelfmoord plegen, maar collega’s beletten dat. De hoofdpersoon wil kunnen denken: laat maar, we zien het wel. Maar de standaardreactie is dat je door moet. Je maakt eigenlijk nooit eens mee dat iemand zegt: “Jajoh, toe maar, doe maar lekker, ga maar.”’

Woedend over de ziekte is ze niet.
‘De woede van de hoofdpersoon zit in het aantrekken en afstoten van die jongen. Je zou in hem ook de dood kunnen zien. Ik heb er een bloedhekel aan wanneer mensen roepen: “Waarom moet mij dit overkomen? Ik doe toch altijd zo m’n best.” Ja, sorry, zo werkt het niet helemaal. Toen het dochtertje van mijn zus op tweejarige leeftijd verdronk, op dezelfde leeftijd waarop mijn broertje destijds was verdronken, vroeg ze ook heel de tijd naar het waarom. Dat is er niet. Andere families hebben hartaanvallen of kanker, wij verdrinken blijkbaar.’

Hoe groeide dit verhaal?
‘Ik had het plan om een heel erg akelig rotboek te gaan schrijven. Ik wilde dat een vrouw een mongool ter seksplezier ging opsluiten in haar kelder. En al heel lang broedde ik op een plek waar een verhaal zich moest gaan afspelen, namelijk een fijn afgelegen huisje van vrienden in Wales. Deze ideeën kwamen prachtig samen. Uiteindelijk ging het anders en draaide het meer en meer om de poëzie van Emily Dickinson. Ik ben een beetje als de das uit het boek, een ‘meek’, een deemoedig mens. Ik ben te soft om zo’n plot uit te werken. Maar dat is prima, ik vind dat wel plezierig.’

Je taal is kaal geschraapt, poëtisch zonder metaforen, bijna net zo laconiek als de hoofdpersoon is.
‘Meestal herlees ik vertalingen niet, ik geloof dat de vertaler zijn best wel doet. Maar laatst las ik in een Duitse vertaling een zin die begon met ‘Im Handumdrehe’. Toen dacht ik: wacht eens even, dit kan ik nooit opgeschreven hebben. Ik schreef: ‘Voor je het weet’. Dat vind ik een wezenlijk verschil. Het een is een cliché, het andere is klare taal. Ik vind eenvoud in de taal erg lekker, anders wordt het literatuur met een hoofdletter. Literatuur vol metaforen snap ik niet. Dan moet ik de zin drie keer teruglezen en volgt er op de volgende pagina weer een metafoor en snap ik er weer niets van. Daar blijf ik dan steeds aan haken.

Ik heb het moeten aanleren om de taal klein te houden. Vroeger literatuurde ik wel en werd het vet, vol en moralistisch. Door mezelf in de taal te beknotten, raakte ik ook dat moralisme kwijt. Ik vertrouw erop dat als ik de toon te pakken heb, zich een verhaal ontwikkelt. Ik denk expres niet na over het boek. De manier waarop ik schrijf, bepaalt wat er gebeurt. Dat maakt er een organisch geheel van. Het is een wiskundevraagstuk dat door lezers mag worden opgelost. Waar het boek over gaat, weet ik dus nog niet.’

Hella S. Haasse zegt: lees m’n boeken en je weet wie ik ben.
‘Daar ben ik het erg mee eens. In interviews tetter ik maar wat. Ik schrijf denk ik vooral om het leven en mezelf een beetje overzichtelijker te maken. Dit boek is volgens mij een poging voor mezelf om het gedicht van Emily Dickinson, ‘Ample make this Bed’, te begrijpen. Maar lezingen en interviews zijn erg leuk omdat ik iedere keer nieuwe dingen over mijn werk hoor en ik meer innerlijk begrip krijg. Daar kan ik heel opgewonden van raken. In de trein terug zakt de opwinding alweer, tot het volgende optreden komt en ik door vragen weer gedwongen word om na te denken. Nou, lekker. Daarna gooi ik alle kennis weer weg, zodat ik weer leeg ben en intuïtief een volgend boek kan schrijven. Ik richt me veel liever op het gevoel, dat vind ik veel belangrijker dan al dat gelul er omheen.’


Foto's 4 en 6: Gerbrand Bakker met de International IMPAC Dublin Literary Award, op foto 6 samen met de burgemeester van Dublin.


FRAGMENT UIT DE OMWEG

1

Op een vroege ochtend zag ze de dassen. Ze liepen rond bij de kring van stenen die ze een paar dagen eerder ontdekt had, en die ze eens in de ochtendschemering wilde zien. Ze had altijd gedacht dat het vreedzame, wat trage en schuchtere dieren zijn, maar er werd gevochten en gesist. Ze verdwenen zonder haast tussen de bloeiende gaspeldoorn toen ze haar zagen. Het rook er naar kokos. Ze liep terug over het pad dat alleen te vinden was door ver vooruit te kijken; dat ze vermoedde door roestige kissing Gates, vermolmde stiles en een enkele paal met een teken waarvan ze dacht dat het een lopend mannetje moest voorstellen. Het gras was niet platgetreden.

November. Windstil, vochtig. Ze was blij met de dassen, tevreden dat ze de dieren bij de kring van stenen wist, ook als ze daar niet was. Langs het grassige pad stonden oeroude bomen, begroeid met lichtgrijs, ruw mos, de takken broos. Broos en toch taai nog steeds in blad, de bomen waren opvallend groen voor de tijd van het jaar. Het was er vaak grauw, de zee was niet ver weg, als ze overdag uit een van de ramen van de bovenverdieping keek, kon ze hem soms zien. Op andere dagen was de zee nergens te bekennen. Alleen bomen, voornamelijk eiken, soms lichtbruine koeien, die nieuwsgierig en onverschillig tegelijk naar haar keken.

’s Nachts hoorde ze water, er stroomde een beekje langs het huis. Een enkele keer schrok ze wakker, dan was de wind gedraaid of opgestoken en het geruis van water weggevallen. Ze was er toen een week of drie. Lang genoeg om wakker te worden van een geluid dat ze miste.


2

Van de tien dikke, witte ganzen die op het stuk land langs de oprijlaan liepen, waren er na een kleine maand nog zeven over. De andere drie vond ze terug als losse veren en één oranje poot. De overgebleven beesten stonden onaangedaan gras te vreten. Ze kon geen andere rover bedenken dan een vos, maar het zou haar helemaal niet verbaasd hebben als er wolven of grijze beren rondliepen. Ze had het gevoel dat het haar schuld was dat de ganzen opgevreten werden, dat zij verantwoordelijk was voor hun overleven.

‘Oprijlaan’ was een groot woord voor het kronkelende, onverharde pad van een kilometer of anderhalf, zo her en der halfverhard met een lading baksteengruis of kapotte dakpannen. Het land langs het oprijpad hoorde bij het huis – weide, moeras, bosjes – en nog steeds doorzag ze niet precies hoe de ligging was, vooral omdat het heuvelde. Het ganzenveld was keurig omheind met prikkeldraad, dat wel. Het redde de beesten niet. Ooit had iemand een drietal vijvertjes voor ze gegraven, elk iets lager gelegen dan het vorige, die gevoed werden door een onzichtbare bron. Ooit ook had er bij die vijvertjes een houten huisje gestaan, inmiddels niet veel meer dan een gekapseisd dak met een doorgezakt bankje ervoor.

Het huis stond met de achterkant naar het oprijpad, met de voorkant naar de kring van stenen (onzichtbaar) en, een flink stuk verderop, de zee. Heel langzaam daalde het land en alle ramen gaven uitzicht naar omlaag. In de achterkant van het huis waren niet meer dan twee kleine ramen, één in de grote slaapkamer en één in de badkamer. Het beekje lag naast het huis, aan de keukenkant, en daalde vanzelfsprekend mee. In de woonkamer, waar vrijwel de hele dag licht brandde, stond een grote houtkachel. De trap was niet weggebouwd, stond open tegen een zijwand, recht tegenover de voordeur, waarvan de bovenste helft uit een dikke ruit bestond. Boven twee slaapkamers en een enorme badkamer, met daarin een oud bad op leeuwenpoten. In de oude varkensstal – waar nooit meer dan drie grote varkens hadden kunnen staan – een flinke voorraad hout en allerlei achtergelaten rommel. Onder die stal een ruime kelder, waarvan ze het nut niet inzag. Keurig netjes was het er, de wanden gladgestreken met een soort leem, een langwerpig, smal raam naast de betonnen trap gaf wat licht. De kelder kon afgesloten worden met een luik, dat zo te zien al lang niet neergelaten was. Beetje bij beetje vergrootte ze haar ruimte, de kring van stenen was niet veel verder weg dan een kilometer of twee.

Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)