Interview met Gerrit Komrij
‘De roman is een hommage aan een zuiver persoon’
Door Guus Bauer (22 maart 2012)


Het thema van de Boekenweek is ‘Vriendschap en andere ongemakken’. Gerrit Komrij, een van Nederlands meest veelzijdige literatoren, probeert in zijn nieuwe roman De loopjongen te ontrafelen wat vriendschap inhoudt en hoe je die het beste kunt aangaan.

Hoofdpersoon Arend is de zoon van een van de eerste vrouwelijke dominee, die weliswaar progressie preekt, maar hangt aan burgerlijke uiterlijkheden. Hij is naarstig op zoek naar een boezemvriend. Kan hij die vinden tussen de in blauwe overalls gestoken jongens van de ambachtschool aan de overkant van de straat? Wie van hen is zijn vriendschap waard?

Met honderdzestig pagina’s is De loopjongen een mooi compacte roman?
We leven toch ook niet meer in de tijd van de trekschuit toen iedereen nog zeeën van tijd had. Bijvoorbeeld om te lezen. Over boeken van vierhonderd of vijfhonderd pagina’s doe ik weken. Ik wil zelf ook nog weleens wat schrijven.

U diept in het boek de vriendschap uit. Heeft u deze roman geschreven met het oog op het thema van de Boekenweek, ‘Vriendschap en andere ongemakken’?
Dat is puur toeval. Ik had het boek bijna af in mijn hoofd toen ik over het thema hoorde. Nu of nooit, dacht ik toen. Ik zie deze roman als een testament. Het eerste deel verwijst naar Verwoest Arcadië, maar als je het autobiografisch blijft lezen, dan ga je de mist in. De hoofdpersoon is een fictieve figuur, maar het onderwerp houdt me al heel lang bezig. Onder meer in de Ruigoordlezing, integraal te zien op You Tube, waarin ik het heb over het verraad van mijn generatie. De lieden die opgegroeid zijn in een beschermd milieu en die ineens de arbeiders in de haven opriepen om alles plat te branden. Een paar decennia later duiken ze op in de aangenaamste posities in de samenleving.

Is die verschuiving niet van alle tijden?
De revolutie van de jaren zestig was vrij fel. De hele maatschappij moest afgebroken worden. Autoriteiten moesten weg. Toen mijn generatiegenoten eenmaal de geldkraan en het pluche hadden overgenomen, zou je toch verwachten dat ze meer rekening hielden met de gewone man, met wie ze in het begin zo begaan waren. De machthebbers waren zelf de opiniemakers en bezongen het succes van hun ‘revolutie’: wij hebben voor de welvaart en de vrijheden gezorgd. Ondertussen zijn de universiteiten afgebroken, is het onderwijs sterk verslechterd en is van de democratie een lachertje gemaakt. De politici zijn marionetten van de financiële wereld geworden.

Het is tijd dat de autoriteiten weer aan de kant moeten worden geschoven?
Die grote lijn speelt wel mee in het boek, maar daarnaast wilde ik ook over een persoon schrijven die wel zijn idealen uit zijn studententijd trouw is gebleven. Ik zag een paar jaar geleden een krantenbericht in een obscuur Belgisch blad. Iemand onthulde ineens dat hij in samenwerking met de CIA tijdens operatie Red Herring allerlei jonge mensen had gerekruteerd om te spioneren in communistische landen. Daarbij stond een foto van een man van mijn generatie en die herkende ik onmiddellijk omdat het mijn boezemvriend Paul van de middelbare school was. Daar schrok ik van, want het was een doodgoeie jongen.

Net als Arend in het boek werd hij dus gemanipuleerd?
Waarom gaat een moslimjongen nu op een achterkamer bommen kneden? Terwijl hij misschien als hij in de leer was gegaan bij een bakker, heel gelukkig had kunnen worden. Het is een kwestie van een afslag nemen, vertrouwen hebben in de verkeerde mensen. Arend is alleen, is op zoek naar vriendschap, wil voor iets staan en vindt in de jaren zestig - voordat alles op de klippen liep - in het woord solidariteit een vriendschap. Intense mannenverbonden, zoals je die ook vond bij de SS of bij de Maffia. Of de zaak waar je voor of tegen vecht nu goed of slecht is, dat doet er op dat moment niet toe. Men is bereid om ver te gaan voor de solidariteit. Deze roman gaat over vrije wil natuurlijk, maar voornamelijk over radicaliseren.

Arend vindt dat echte vriendschap eigenlijk geheim moet zijn?
Dat zijn jongensfantasieën uit de jaren vijftig. Ik ben ooggetuige geweest van al die drie periodes die in het boek worden beschreven. De jaren vijftig met de naïviteit en de slaperigheid, de jaren zestig van de revolutie en de jaren zeventig en tachtig van de desillusie. En natuurlijk ook van de ontknoping van dit alles na tweeduizend. Ik beschrijf het ontwaken van iemand. Net als mijn personage waren de ouders van mijn boezemvriend beiden dominee. Je moet je niet afvragen waarom een jongen op zoek is naar vriendschap. Eerder moet je willen weten wat er aan de hand is als hij dat niet is.

Arend houdt tabellen bij over mogelijke vriendjes. Hij is ambivalent over vriendschap?
Hij is erg berekenend. Dat is een soort zelfportret. Toen ik die foto van die jongen in de krant zag, vroeg ik me af hoe iemand radicaliseert. Ik kende hem als iemand waar geen kwaad bij zat. Het gaat erom dat niet alleen slechte mensen slechte dingen doen. Ook goede mensen kunnen gemanipuleerd worden om vreselijke daden te verrichten. Ik heb een tijd gedacht dat ik naar Paul toe moest gaan om te vragen hoe het zo ver heeft kunnen komen, maar ik ben niet geschikt om andermans verhalen op te schrijven dus heb ik hem gefictionaliseerd.

Je ziet de radicalisering van Arend niet aankomen.
Schrijven is de lezer op het verkeerde been zetten. Het boek is opgebouwd uit drie scènes, spelend in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Ik geef geen naam van het geboortedorp, vertel niet welke universiteitsstad het is en zeg niet waar hij zich in de Zuid-Amerikaanse jungle bevindt. Uit de context kan de lezer opmaken waar en in welke tijd het speelt. Je wordt gedwongen om gaandeweg je mening bij te stellen.

Op een bepaald moment denkt Arend erover om schrijver te worden.
Hij moest natuurlijk wel een artistiek persoon zijn, iemand die zich zaken kan inbeelden. Het feit dat hij in een schriftje de eigenschappen van zijn beoogde schoolvriendjes bijhoudt, maakt hem tot een persoon die gevoelig is voor hiërarchie. Iemand die uit naam van de solidariteit alles voor zijn ‘vriend’ zal doen. Arend lijdt twee keer namens de solidariteit een gevoelige nederlaag. Dat verdiende hij niet. De roman is een hommage aan een zuiver persoon. Met idealisme op zich is niets mis. Het probleem schuilt in wat mensen ervan maken en waartoe ze het gebruiken.


Foto's Klaas Koppe: Gerrit Komrij in 1980 (2), 2004 (3) en 2012 (1 en 4).
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)