Interview met Graham Swift
‘Een boek is geslaagd als de schrijver erin is verdwenen’
Door Guus Bauer (9 juni 2011)


Graham Swift (Londen, 1949) is een van de belangrijkste Engelse romanciers. Hij debuteerde met een verhalenbundel en schreef vervolgens negen romans. Laatste ronde werd bekroond met de Booker Prize. Drie van zijn romans zijn verfilmd en zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald. Zojuist verscheen zijn nieuwe roman Was je maar hier.

De titel Was je maar hier is een van de vele echo’s die in dit boek voorkomen.
Bij deze roman wist ik de titel vrijwel meteen. In het Engels suggereert die automatisch dat er een kaartje van de kust is gestuurd. En zo komt het ook voor in de roman, maar behalve dat het een tekstje is voor op een ansichtkaart, geeft deze zin veel verschillende resonantiemogelijkheden. Het raakt direct aan de kern van mijn schrijfopvattingen. In plaats van met mooie woorden te schilderen, gebruik ik het liefst simpele zinnen. Maar ik probeer de betekenis in de loop van een roman een klein beetje te kantelen. En dit zinnetje zit natuurlijk vol met ‘verlies’, de diepste soort, namelijk de wens dat iemand uit de dood opstaat. En tegelijk drukt het ook het tegenovergestelde uit: een dooddoener, een hypocriete boodschap. Er spreekt schuld uit, omdat je blij bent alleen aan de kust te zijn. En ten slotte is het ook een zin om de lezer direct bij het boek te betrekken. Je moet vergeten dat je een boek leest zodat je de gebeurtenissen mee kan beleven.

Tijdens het lezen van Was je maar hier heb ik een tekening gemaakt van verschillende kanten opdraaiende concentrische cirkels. De roman lijkt een soort draaikolk?
Dat komt door de manier waarop ik schrijf. De wijzers van mijn tijd draaien zo nu en dan tegen de richting van de klok in. Daarnaast kun je met betrekking tot deze roman ook denken aan een zee met steeds wildere golven. Mijn boeken beginnen altijd kalm.

U bent bij uitstek iemand die schrijft over la condition humaine, maar waar haalt u uw thema’s vandaan? Zoals in dit geval de dood van een soldaat in Irak.
Ik zag een krantenberichtje over de repatriëring van een omgekomen ‘private’. Een paar dagen later viel mijn oog op de rouwadvertentie. Er stond slechts de naam van één familielid in. Een vader? Een broer? Dat was de aanleiding. Het heeft geen zin om een thema te hebben zonder een persoonlijk verhaal. De thema’s komen als het ware vanzelf. De verteller reikt ze aan. En hoe kun je niet over de dood schrijven? Het hoeft niet je hoofdonderwerp te zijn, maar het komt nu eenmaal in elk mensenleven meermaals om de hoek kijken. Een verhaal zonder de dood is niet mogelijk.

U schrijft in uw vorige roman Morgen: ‘Er is misschien geen betere manier om emotie te doorstaan en weg te masseren – misschien is het zo geregeld – dan door te graven, door de aarde aan te vallen met een schop.’ Dat adagium lijkt ook op dit boek van toepassing.
Dat realiseer ik me nu pas. De hoofdpersonen zijn boeren die praktisch omgaan met de aarde en met de dood. Als hun hond doodgaat begraven ze die onder de eikenboom. De vader vuurt daarbij zijn zoon aan om steeds dieper te graven. Op dat moment is hij bezig met de verwerking van de dood.

Er sterven maar liefst twee vaders in Was je maar hier. In hoeverre is daar de dood van uw eigen vader in terug te vinden?
Het boek gaat niet over zijn dood, helemaal niet over hem, maar zijn dood is natuurlijk wel van invloed geweest. De gebeurtenis duikt, misschien ongewild, wel op in je werk. Maar ik ben beslist geen autobiografisch schrijver. Een boek is geslaagd als de schrijver erin is verdwenen. Fictie is een zoektocht naar wie de ander is. Mijn personages hebben stuk voor stuk het recht om te worden begrepen. Vooral als ik hun mening niet deel. Je kunt magische momenten in een roman stoppen, maar de fictie moet de echte wereld wel aanvaarden. Je probeert je personages leven in te blazen en als je geluk hebt dan blazen ze jou als auteur én als lezer leven in.

Tegen het einde van de roman duiken er ineens nieuwe personages op. Een aangename verrassing.
Het kritieke punt in een roman zit ongeveer op driekwart van de tekst. Daar kan de brandstof ineens op zijn. Daar moet je nieuwe energie ontdekken. Ik introduceer daar de nieuwe eigenaren van de boerderij. Ineens realiseerde ik me dat het een lang hoofdstuk moest worden, waarin ook de eikenboom op de boerderij een belangrijke rol speelt. Het past en is de opmaat geworden voor de ‘grote finale’.

Een onverwacht einde.
Ook voor mij. Ik had eerst iets anders in gedachten, maar het verhaal vroeg erom. En het past, ook bij de titel. Het maakt de titel zelfs waar en het verhaal helemaal rond.

Uw vorige roman Morgen eindigt ook al zo sterk. Een ander perspectief, meer uitleg had de tekst verpest.
In Morgen vertelt een vrouw tijdens een slapeloze nacht in gedachten een geheime familiegeschiedenis aan haar kinderen, een tweeling die op het punt staat om de volgende dag zestien te worden. Zodra het licht wordt en de dag daadwerkelijk aanbreekt, houdt het boek op. Veel mensen zeiden dat ze het jammer vonden dat ze niet verder konden lezen hoe de kinderen op de onthulling reageren. Ik wilde juist dat het boek de lezer aanzet tot het zélf overdenken van de situatie en de verschillende mogelijkheden. Dat zou het toch interessanter moeten maken. Het geeft de tekst in iedere geval meer potentie.

U bent geen grote voorstander van het aloude show don’t tell?
Echte kunst wil immers een verhaal vertellen. Daarnaast moet je de noodzaak van het verhaal zien te communiceren. In de eerste persoon kun je dat heel direct doen, omdat je werkt met de motivatie van de hoofdpersoon zelf. ‘Ik moet dit verhaal vertellen omdat ik anders wellicht niet verder kan.’ Je moet als lezer gegrepen worden door het feitelijke verhaal én door de urgentie van de verteller.

Uw boeken zijn heerlijk opsommingenvrij en u gebruikt sporadisch metaforen. Uw zinnen leunen rustig achterover.
Ik had vroeger ook de neiging om mooie woorden te gebruiken. Naar mijn idee heb ik daar geen talent voor. Met proberen en fouten maken kom je er uiteindelijk achter wat voor jou als schrijver belangrijk is. Jonge schrijvers, en zelfs zeer gerijpte, denken dat je de eenvoudige zin moet mijden. Ik denk meer en meer dat de kunst van het schrijven bestaat uit het net anders laten resoneren van een eenvoudige zin door de inhoud van een tekst, de timing en de plaats waar de zin staat. Ik hoef niet zo nodig meer te showen met woorden, wel met de inhoud. Ik ben natuurlijk ook een lezer. Je leest een passage in een boek en staat niet stil bij een enkele zin. Het is een component van die alinea. Pas later in de tekst realiseer je je dat er met die zin iets aan de hand is. Daar word ik door geraakt. Laten we het maar duiding noemen. Veel lezers analyseren een tekst niet, maar voelen wel aan dat er in de onderlaag iets gebeurt. Wát precies kunnen ze niet aanwijzen. Dat is niet erg. Het is misschien juist wel goed.

U combineert in Was je maar hier de dood van een soldaat in Irak met de uitbraak van diverse veeziekten. Zoekt u bewust naar die verbanden.
Ik was bezig met het schrijven over twee melkveehouderijen in de recente geschiedenis. Ik stuitte daardoor natuurlijk direct op de BSE-crisis en tien jaar later de mond- en klauwzeer. Precies in het jaar van 9/11. Dan kun je een van de personages in het leger laten gaan. Dat zijn door de historie aangereikte bouwstenen. Maar dan beschrijf ik het wel heel abstract. Het is eerder een organisch proces tijdens het schrijven. Het klinkt op deze manier veel te intellectueel. Ik handel met gevoelens. Je kunt sommige boeken ‘op afstand’ lezen, en ze heel goed vinden. Ik streef ernaar om de lezer in het boek te trekken, zodat deze zich afvraagt hoe hij of zij zelf in die situatie had gereageerd. Dat eist veel, maar is ook opwindend. En het is de primaire taak van literatuur. Ik hoop dat ik de afstand kan dichten, zodat er niet een enkel gezichtspunt is.

Dat maakt veel research voor een roman overbodig?
Je moet een beetje onderzoek doen, maar dat is niet wat een roman laat werken. Het is een oefening in verbeelding, in het zich verplaatsen in een ander individu. Met een klein beetje historie, een enkele regel soms, kun je ver komen.

Nog een citaat: ‘Misschien zijn we neergezet op het beste plekje dat de geschiedenis ooit in de aanbieding heeft gehad. Maar misschien denkt elke generatie dat.’
Als je nu boven de vijftig bent, dan heb je de snelste technologische ontwikkeling meegemaakt van de laatste paar duizend jaar. In die zin leven we in een uiterst interessante tijd. Toen ik jong was, kon ik het victoriaanse Engeland nog heel nabij voelen. Er was niet echt veel veranderd. De wereld hernieuwt zich nu elke vijf jaar, of misschien nog wel veel sneller.

Was je maar hier speelt zich af op een vakantiepark op het Isle of Wight en in retrospect op twee boerderijen in Devon. Hoe kleiner het toneel, hoe groter de literatuur?
Je hoeft niet ver te zoeken om een ontregelde wereld te vinden. Een schrijver kan in feite bij zichzelf beginnen. Hij of zij moet zich losmaken van zijn fysieke locatie. Bevreemding is voor mij het codewoord. Elk verhaal begint daarmee.

Kunt u iets over uw werkwijze vertellen?
Ik schrijf met een vulpen en gebruik de meest simpele notitieblokjes. Pas in een later stadium gebruik ik de computer. Voor mij is het van het grootste belang dat ik eerst de vorm heb waarin ik het verhaal wil gieten. Zolang ik die niet weet, kan ik niet met schrijven beginnen. De vorm is voor mij vrijwel net zo belangrijk als de inhoud. Dan volgen de beginnetjes. Een hoop valse starten. Een sprong in de duisternis met de verbeelding als reddingslijn. Ik begin om half zes in de ochtend, de tijd waarin ik me min of meer alleen op de wereld waan. In mijn boeken spring ik geregeld heen en weer in de tijd, toch schrijf ik de boeken lineair, zoals de lezer ze leest. Zo werkt immers ons geheugen. Mijn romans zijn altijd in de eerste persoon geschreven, omdat ik op die manier direct toegang heb tot het gedachtegoed van de personages. Hun geheimen en hun kennis fascineren me. Hoe ze een manier zoeken om iets te vertellen zodat de boodschap overkomt, dat hoort bij het mens-zijn. Ik zelf heb geen boodschap. Schrijven is mijn leven. Dit is zoals ik ben. Ik probeer een tekst te maken waaraan niets meer verandert hoeft te worden. Als dat in het zeldzame geval een keer lukt, dan heb je voeling met het leven en de wereld. Dan is het allemaal de moeite waard.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)