Interview met Herman Pleij
‘Iedere periode maakt weer iets anders van haar’
Door Annemiek Neefjes (21 oktober 2011)


Mediëvist Herman Pleij is enthousiast binnengehaald in Vlaanderen. Eerder deze maand verscheen zijn lijvige Anna Bijns, van Antwerpen en de Vlamingen voelen zich trots op hún auteur Anna. In het boek is zij veel meer dan de paar clichés waartoe de afgelopen eeuwen haar reduceerden. ‘In haar eigen tijd werd ze geannexeerd door de franciscanen, als ketterjaagster. Iedere periode maakt weer iets anders van haar. De vorige eeuw stortte het feminisme zich op haar.’ Aldus Pleij, die juist terug is van een interviewtournee in ons buurland.

Pleij vertelt lyrisch over het ‘superieure dichtvermogen’ van Bijns. ‘Dat is tot nu toe te weinig onderkend. Ze schreef voornamelijk refreinen, een dichtvorm met complexe rijmen die bij de rederijkers het meest populair was. Anna schrijft haar gedichten met een grote intellectuele bagage en met een perfecte techniek: met binnenrijm, staartrijm, slagrijm, kettingrijm en ga zo maar door. Daar moet een oefening van járen achter zitten. Ik denk dat ze van jongs af aan is geschoold door haar vader, die zelf rederijker was.’

Anna, die tweeëntachtig jaar oud werd en haar hele leven (1493-1575) in Antwerpen woonde, maakte deel uit van de rederijkerskringen in haar stad. Dat was hoogst ongebruikelijk, want zoals Pleij schrijft in zijn boek, ‘vrouwen bestonden niet officieel’. Ze komt dan ook op geen enkele ledenlijst voor. Maar rederijkers vereerden haar vanwege haar ongekende talent. Ze correspondeerde met een heel netwerk aan rederijkers. Ze trad op, deed mee aan dichtwedstrijden en schreef voor speciale gelegenheden. Niemand kon en wilde om haar heen.

Bijna een kwart van haar oeuvre, in totaal achtenveertig refreinen (refreinen konden uit tien of meer lange strofen bestaan), zijn gewijd aan de liefde: aan haar minnaar, die haar verlaat en niet bij haar terug wil keren. Pleij: ‘Ze is van hem bezeten, ze wil die minnaar terug. Haar beeldspraak is zeer gewaagd. Heel fysiek. Eet me op, drink mijn bloed. Mystieke dichters als Ruusbroec en Hadewych gebruikten ook fysieke beeldspraak, maar Bijns past die toe op een wereldse liefde. Het is keiharde erotiek. In haar eigen tijd werd ze al een tweede Sappho genoemd. En terecht.’

En wildij mijn bloedt, ic laet u drincken.
Heel mijzelven schencke ic u, mijnen soeten mondt.


Pleij is er vrijwel zeker van dat Anna schrijft vanuit een persoonlijke ervaring met een geliefde. ‘Hard bewijs ontbreekt. Maar er zijn voldoende factoren die hierop wijzen. Tot op hoge leeftijd wordt ze in officiële papieren bijvoorbeeld genoemd: “Anna Bijns - nog steeds ongehuwd”. Dat geeft aan dat ze er nog altijd vanuit gaat dat ze zal trouwen. Daarnaast is het dichtwerk over de liefde geschreven als een inwendig debat, “inwendig gekijf” zoals ze het zelf noemt. In de psychologie is bekend dat een traumatische ervaring vaak in die vorm tot uitdrukking wordt gebracht.’

Sommige critici verwijten Pleij dat hij te veel gist. ‘Als onderzoeker van de middeleeuwen heb ik slechts een aantal feiten, het meeste is natuurlijk verdwenen. Bovendien is er een scheve overlevering. Wat we terugvinden uit die tijd is geen doorsnee van hoe het was. Ik moet dus werken met mogelijke verbanden, met veronderstellingen. ’

Hij geeft een voorbeeld van een vermoeden dat hij buiten zijn boek heeft gehouden. ‘Ik denk dat de minderbroeder [zoals franciscanen ook worden genoemd: AN] Bonaventura Vorsel de geliefde van Anna was. Er zijn wel wat aanwijzingen voor maar ik kon dit onvoldoende aannemelijk maken. Het zou een verdachtmaking zijn geworden, een soort SBS 6 Shownieuws.’

Pleij plaatst in zijn boek Anna Bijns nadrukkelijk in het Antwerpen van haar tijd. Begin zestiende eeuw was het een stad met een pijlsnelle groei aan internationale handel. ‘Ik heb haar streetwise gemaakt, haar weggehaald uit de opgesloten ruimte van haar huis. In de praktijk hadden vrouwen toen veel vrijheid, dat wordt ook opgemerkt door buitenlandse bezoekers aan de stad. Er waren vrouwelijke kunstenaars, schrijvers, ondernemers. Anna had een eigen schooltje en ze inde de huren van een aantal panden die familiebezit waren.’

De internationale handelsmetropool leidde ook tot een smeltkroes van nieuwe ideeën. De hervormingsgezinde Luther kon op een snel toenemende aanhang rekenen. Anna verzette zich hevig tegen hem. Pleij noemt haar in zijn boek rancuneus, absoluut en keihard in haar verzet tegen Luther en de ‘ketters’. Maarten Luther is erger, schrijft ze, dan de ‘Turken’ en dan die andere Maarten: de bandiet Maarten van Rossem die toen brandstichtend, verkrachtend en moordend door het gebied trok.

‘Ze ging in tegen de courante opinies, ik bewonder haar om die moed. Veel rederijkers stonden sympathiek tegenover de hervormingsgezinde zaak en tegenover bijvoorbeeld de humanistische denkbeelden van Erasmus. Het belet Anna niet om iedere keer opnieuw tekeer te gaan, ze draaft enorm door. Ze verwoordt haar verzet in furieuze verzen, waarin ze in allerlei originele variaties haar weerzin maar blijft herhalen.’

Omdat het maar een van haar vele kanten is, kon Pleij het harden. Zo schetst hij ook een beeld van haar als spotgrage en humorvolle dichter. ‘Dat was zij zeker ook.’ Ze schreef in opdracht van de franciscanen werk voor het Zottenfeest, een kerkelijk feest waarin de hiërarchie op zijn kop werd gezet. Anna’s bijdrage bestond uit ‘onderbuikse gedichten vol met seks en strontfolklore,’ zegt Pleij met hoorbaar genoegen. In zijn boek vertaalt hij een paar regels van haar als volgt:

Prince: schijten en scheten laten, diarree en slingerschijt,
daarover hebben we het met elkaar.
drollen ophoesten en natte winden blazen.


‘Dit soort werk wordt vaak buiten haar oeuvre gehouden. Maar het past er juist bij, vanwege haar betrokkenheid bij de franciscanen. Wie beter dan Anna Bijns konden zij vragen iets te schrijven voor een kerkelijk feest?’

Herman Pleij, nu bijna vijftig jaar onderzoeker van de middeleeuwen, kijkt nog niet zo terug op zijn carrière, zegt hij zelf. Maar goed, als het moet. ‘Met mijn werk wil ik aan volgende generaties doorgeven dat alles betrekkelijk is. Ook in de zin van: dat je alles op alles kunt betrekken. Ik trek graag lijnen van het heden naar de middeleeuwen. Minister Jan Kees de Jager benoemde zichzelf in de onderhandelingen over de eurocrisis tot ‘botte Hollander’. Daarmee bevestigde hij een beeld van Nederlanders dat in de middeleeuwen al bestond. Hij zei niets origineels.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)