Interview met Ivo Victoria
‘Het boek gaat over angst en hoe angst werkt’
Door Guus Bauer (6 oktober 2011)


De in Amsterdam woonachtige Vlaamse schrijver Ivo Victoria (1971) debuteerde in 2010 met de roman met de welluidende titel Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Nu is zijn tweede roman, Gelukkig zijn we machteloos, verschenen.

Op een hete zomerdag geeft de mater familias Martha een tuinfeest. Zij wil oude tijden laten herleven en heeft de twee delen van haar familie bijeengebracht. Haar familieleden zijn geslaagd in het leven, hun zorgen zijn afgedekt door een verscheidenheid aan verzekeringspolissen en door de jaar in jaar uit vertelde familieverhalen. Maar achter die façade liggen geheimen verborgen.

Ome Lex, het icoon van een zorgeloze jeugd, is ook uitgenodigd. Maar wanneer deze ‘nonkel’ verdwijnt met Billie, de veertienjarige dochter des huizes, worden de familieleden bruut tot elkaar veroordeeld. Hun schijnmanoeuvres blijken waardeloos. Billie en Ome Lex dwalen steeds verder door de eindeloze weilanden.

Het tweede boek, altijd lastig, vooral na een succesvol debuut?
De onbevangenheid keert weliswaar nimmer weer, maar het was niet lastiger dan bij mijn debuut. Je bent je hoogstens beter bewust van wat je aan het doen bent en ik irriteerde me soms wat sneller aan mezelf dan voorheen. Eigenlijk voelt het nieuwe boek als een debuut, omdat het vorige eigenlijk een afsluiting was van de jaren voordien en veel autobiografisch materiaal bevatte. Naar mijn gevoel ben ik blanco begonnen.

U geeft de lezer meteen veel informatie.
Het verhaal vroeg daar eigenlijk om. Hopelijk wordt de lezer daardoor gedwongen, met zachte hand hoor, om zich een beeld te vormen. Om mee te gaan in de twijfel, in de door onmacht aangestuurde redeloosheid van een groep mensen in de ban van een ongrijpbare dreiging. Daar gaat het boek natuurlijk over. Ook de personages moeten zich de hele tijd afvragen wat er aan de hand is. De emoties worden geregeerd door de angst en ik hoop dat het bij de lezer gedeeltelijk ook zo werkt. De constructie is overigens pas ontstaan nadat ik de bulk geschreven had.

Waar komt deze beladen thematiek vandaan?
Het boek gaat over angst en hoe angst werkt. Een zeer actueel thema. De manier waarop we op dramatische gebeurtenissen reageren. Zodra er een kinderverkrachter op een crèche in Amsterdam wordt gearresteerd, zijn de reacties een paar minuten later zichtbaar op twitter of facebook.

En de reacties op de moderne schutting zijn zelden rationeel?
Soms begrijpelijk, maar vaak ook dom. We jutten elkaar op die manier op en de angst neemt alleen maar toe. Je wordt er krampachtig van. Ik herken die reflex bij mijzelf soms ook, maar ik wil geen bange dochter en ik wil ook geen bange vader zijn. Ik heb een jonge dochter en krijg er binnen twee weken nog eentje bij. In Gelukkig zijn we machteloos heb ik de social media achterwege gelaten omdat het thema tijdloos is, maar internet maakt het wel meer dan ooit actueel.

Ik heb Ome Lex opgevoerd om tegen deze krampachtigheid ten strijde te trekken, maar hij belandt zelf in een situatie waarin hij alle schijn tegen zich heeft en waarin hij rekening moet gaan houden met mechanismen die hij eigenlijk niet accepteert.

En aan de andere kant de familieleden die het samen moeten oplossen?
In tijden van nood heb je altijd je familie nog. Is dat wel zo? Dat onderzoek ik ook in deze roman. Familieleden zijn niet noodzakelijkerwijs gelijkgestemden, zielsverwanten. Daarom heb ik naast het perspectief van Ome Lex en Martha ook een soort alwetende verteller opgevoerd die een helikopterperspectief heeft, als het ware voor de non-verbale communicatie tussen de familieleden. Die familie-etiquette zegt veel over de onderlinge verhoudingen. Het is een middel om met elkaar om te kúnnen gaan. Niemand is zichzelf, maar het feest mag niet verstoord worden.

Op feestjes kun je bepaalde onderwerpen ‘voor de lieve vrede’ maar beter niet aanroeren?
Wij hebben in Vlaanderen een traditie van grote familiefeesten. De heikele onderwerpen worden natuurlijk uit de weg gegaan. Mijn moeder is vijfenzeventig en ik merk wel dat de oudere mensen stilaan de schroom afwerpen. Zij wordt steeds uitgesprokener. Maar ik vind het ook wel schoon, want nu komen zaken aan het licht over ooms die ik al kende toen ik acht jaar oud was.

Een Vlaming die al lang in Amsterdam woont, het levert een prettige taalmelange op.
Het wordt steeds moeilijker om bij uzelf vast te stellen waar mijn taal bijvoorbeeld verhollandst is. Ik heb bewust geen plaatsnaam gebruikt omdat het naar mijn idee niet ter zake doet. De conversaties zijn min of meer in het Vlaams, het landschap zou net zo goed Zeeland kunnen zijn. Ik vind dat wel mooi, omdat het een afspiegeling van mijzelf is. Het gaat natuurlijk om de intermenselijke verhoudingen.

Het boek is doorspekt met oneliners.
Ik verzamel het hele jaar door korte tekstjes. Wanneer ik met een boek bezig ben, ga ik op zoek naar wie dit zou kunnen zeggen. Het werkt ook vaak omgekeerd, dan vormt een aantal van die ‘wijsheden’ ineens een personage.

Bijvoorbeeld: ‘Als mensen het niet kennen dan noemen ze het een teken des tijds’.
Tegenwoordig hebben de mensen een enorme behoefte om een verklaring te hebben voor alles. Het is sociaal gezien bijna onacceptabel geworden om gewoon te zeggen dat iemand pech heeft gehad. Verschrikkelijk, maar helaas. Als bijvoorbeeld bij Pukkelpop zes doden vallen, waarbij alles erop duidt dat daar niets aan te doen was, dan worden toch binnen een paar minuten vermeende schuldigen aangewezen. De maakbaarheid van de samenleving. We willen alles onder controle hebben. En als we het niet meer weten, dan zeggen we dat het een teken des tijds is.

Bij angst kun je het beste eenvoudige dingen gaan doen, opruimen, koken… Dat komt als een soort mantra in het boek voor.
Dat staat heel dicht bij mijzelf. Toen ik eenentwintig was ben ik alleen in Antwerpen op een kamer gaan wonen. Mijn existentiële angst en verdriet heb ik toen leren bestrijden met eenvoudige zaken. Lekker koken, vroeg naar bed; goed voor jezelf zorgen. En het werkt. Wanneer een voetballer uit vorm is, zie je hem vaak krampachtig een hakje of een ingewikkelde dribbel proberen. Niet doen, gewoon de bal effectief doorgeven en als dat goed gaat, kan je voorzichtig weer aan iets moeilijkers gaan denken.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)