Interview met Jeffrey Eugenides
‘Schrijver zijn heeft wel iets van een roeping’
Door Marieke Smithuis (21 december 2011)


Er zijn maar weinig schrijvers met zo’n staat van dienst als Jeffrey Eugenides. Van zijn debuut, De zelfmoord van de meisjes, werden wereldwijd miljoenen exemplaren verkocht. Negen jaar later won hij met zijn tweede roman, Middlesex, Amerika’s grootste literaire prijs, de Pulitzer Prize. Dit najaar verscheen zijn derde roman, Huwelijk, die in Amerika opnieuw alle bestsellerlijsten haalde en ook in Nederland op mooie kritieken mocht rekenen. Het is een ambitieus verhaal over drie studenten in de jaren tachtig, alle drie op zoek naar hun identiteit en toch ook gevangen in de tijdgeest. Een van de drie is Madeleine, een jonge vrouw met een liefde voor negentiende-eeuwse literatuur; de twee anderen zijn Leonard en Mitchell, allebei briljante studenten met een zwak voor de mooie Madeleine.

Eugenides was afgelopen week in Amsterdam om zijn boek te promoten met een optreden in de Singelkerk en een aantal interviews. Marieke Smithuis sprak met Jeffrey Eugenides voor Literatuurplein.

Wie niet beter wist, zou niet geloven dat Eugenides er al een avond en een dag vol interviews op heeft zitten. Hij maakt een opgewekte indruk en zit maar nauwelijks stil tijdens het interview in de kleine bibliotheek van zijn hotel waarin hij door zijn uitgeverij is geïnstalleerd. Als een vraag hem bevalt, schuift hij met zijn ellebogen ver naar voren over tafel en stelt zichtbaar geamuseerd een tegenvraag.

‘Geloof jij dat vrouwen niet van de Talking Heads houden?’
Een van de twee citaten uit zijn boek Huwelijk is een fragment uit het lied ‘Once in a Lifetime’ van de Talking Heads, de band die in de jaren ’80 furore maakte.

And you may ask yourself, well, how did I get there?
(…)
And you may tell yourself
This is not my beautiful house!
And you may tell yourself
This is not my beautiful wife!


Het fragment keert in de roman zelf terug als een van de hoofdpersonen, Mitchell, zich voor de zoveelste keer afvraagt wat de zin is van zijn leven en hoe hij het in godsnaam op een verantwoordelijke manier vorm moet geven. Dit zijn serieuze vragen, waar we later in het interview nog uitgebreid op terug zullen terugkomen, maar vooralsnog wil Eugenides liever praten over de Talking Heads.

‘Dus jij denkt dat het een mannending is? Dat alleen mannen het leuk vonden?’
Alleen hele rationele mannen die niet konden dansen hielden van de Talking Heads, zeg ik.
Eugenides begint te grijnzen. Tevreden zwaait hij naar achteren in zijn stoel.
‘We po-go-den in die tijd! Dat was de dansvorm in die jaren, weet je dat niet meer? We sprongen op en neer en ik wil niet onbescheiden zijn maar ik durf toch wel van mijzelf te zeggen dat ik daar vrij goed in was, in pogoën.’
Hij moet er zelf om lachen.
‘Ze waren ook heel vrouwvriendelijk, toch, de Talking Heads? Er zat zelfs in een vrouw in de band!’

Het is maar een van de vele charmes van Huwelijk; de manier waarop Eugenides zijn verhaal over de liefde tussen drie studenten heeft gelardeerd met muziek en beelden uit de jaren ’80. Het was de tijd waarin hij zelf, net als zijn hoofdpersonen, aan Brown University studeerde.

Niet alleen de Talking Heads en andere populaire bands uit die dagen, ook het deconstructivisme dat toen zo populair was, keert terug in zijn roman. Zo besluit Madeleine, het meisje op wie Leonard en Mitchell verliefd op zijn, een college over de Franse theoretici te gaan volgen. In haar hart houdt zij van ouderwetse liefdesromans maar ze beseft maar al te goed dat de huwelijksplot in de jaren ’80 definitief is uitgerangeerd.

Is dat de reden waarom Madeleine zich aanmeldt voor de cursus Semiotiek?
Eugenides knikt. ‘Dat is waar voor mij de roman begon’, vertelt hij. ‘Bij dat beeld van een jonge vrouw die een boek leest waarin de liefde volledig wordt ontdaan van haar connotaties en die tegelijkertijd, in de echte wereld, wordt overvallen door een grote liefde. Madeleine leest Fragments d’un discours amoureux van Roland Barthes. Ze is verliefd op het boek, sleept het mee in haar tas en slaapt er zelfs mee. Barthes beargumenteert dat liefde iets is dat wij zelf in ons hoofd construeren, op basis van verhalen die we gelezen hebben en om zijn stelling te illustreren citeert hij uit allerlei romans over de liefde. Het was misschien niet Barthes’ bedoeling maar als je zijn boek leest, met al die prachtige citaten, raak je toch als vanzelf in een romantische stemming en dat is precies wat Madeleine ook overkomt. Ze leest over de liefde die niet bestaat en ze is verliefd. Dat contrast, dat vond ik heel mooi. De vraag is dan in hoeverre literatuur ons gedrag kan beïnvloeden, ons geloof in de liefde? Hoe bepaalt het lezen over de liefde de manier waarop we onze eigen liefdes vormgeven?

Eigenlijk heb je via een omweg dus alsnog een roman over de huwelijksplot geschreven. Een huwelijksplot anno 1980?
Ik heb de huwelijksplot altijd een mooie plot gevonden en ik wilde kijken in hoeverre ik ‘m nog kon gebruiken en zelfs uitrekken, maar het was duidelijk dat ik daar wel wat kunstgrepen voor nodig had. Madeleine houdt van Jane Austen, Henry James, George Elliot. Die klassieke vorm is door de veranderde sociale condities onbruikbaar geworden. Mannen en vrouwen regelen hun huwelijkse voorwaarden tegenwoordig op een gelijkwaardiger manier, ze kunnen scheiden als ze dat willen en als ze gaan scheiden, zijn er keurige omgangsregelingen voor de kinderen. Het is toch ondenkbaar dat je nu, zoals bijvoorbeeld Anna Karenina, je kind niet meer te zien zou krijgen als je bij je man weg gaat? In die zin was de oude huwelijksplot onbruikbaar geworden maar tegelijkertijd zag ik ook dat de romantische noties van liefde hun geldigheid niet verloren hadden. Ze bestaan nog steeds. Ze bestaan in ons hoofd.

Wat bedoel je dan precies met ‘romantische noties’? Bedoel je dat het idee van een romantische liefde onveranderd is gebleven? Dat wij vrouwen het niet meer zo duidelijk uitspreken of dat we er niet meer voor uit durven komen, maar dat we eigenlijk nog steeds op zoek zijn naar een rijke man die ons zekerheid kan bieden?
‘Nou….’, begint Eugenides, ‘je zou eens naar New York moeten komen, ik heb daar wel feestjes meegemaakt.’

Waar je de huwelijksplot in werking zag?
Eugenides, glimlachend: ‘Wat ik zeg, is dat die oude ideeën over liefde en wie liefde waard is hun uitwerking niet helemaal verloren hebben. Natuurlijk zijn geld en status voor veel vrouwen aantrekkelijk, voor veel mannen ook trouwens. De klassieke vorm van de huwelijksplot in de literatuur is in verval maar daarbuiten is ze vaak nog springlevend.’

Je hebt gekozen voor drie jonge hoofdpersonen. Een daarvan is vrouw, eentje doorleeft een bijzonder heftige religieuze fase en de derde is manisch-depressief. Heb je veel research gedaan voor je boek?
Vooral voor Leonards ziekte omdat ik daar niet zo veel van wist. Ik kende zelf niemand die manisch-depressief was, wel veel gewone depressieven. Daar zijn er een heleboel van, maar manisch-depressieven lijken een zeldzamer soort. Ik had vriendinnen die verliefd waren geweest op een manisch-depressieve jongen en de verhalen die ik van hen hoorde, fascineerden me. Misschien omdat manisch-depressief het hele spectrum beslaat. Het is de hemel en de hel, alles en niets. Als iemand manisch is, kan hij de hele wereld aan. Hij heeft energie, charme, alles lukt, maar de depressie die er vervolgens tegenover staat, is zwarter dan zwart. Leonard speelt met de gedachte dat hij zijn ziekte beheersbaar kan maken, op zo’n manier dat hij overwegend manisch is. Natuurlijk is dat gedoemd te mislukken, maar hij probeert het wel, hij experimenteert met zijn medicijnen.

Vechten Leonard en Mitchell, de twee jonge mannen uit je boek, feitelijk niet tegen hetzelfde probleem? Ze zijn allebei vrij somber van aard. Ze zoeken allebei naar een vorm van verlossing van hun ellende… Er zijn ook momenten in je roman waarin ze elkaar heel goed begrijpen…
Ze leren elkaar waarderen. Er groeit sympathie. Voor mij was het laatste hoofdstuk heel belangrijk, het hoofdstuk waarin die twee samen komen. Ik heb dat pas heel laat geschreven. Het boek was al ingeleverd en het lukt me maar niet het goed op papier te krijgen, maar het moest toch, ik voelde gewoon dat het noodzakelijk was dat ze elkaar een keer zouden spreken. Echt zouden spreken. Dus ja, ze herkennen veel in elkaar maar Mitchell is niet ziek, dat is het grote verschil. Mitchell lijdt aan andere zaken.

Behalve de huwelijksplot is er nog een grote afwezige in de literatuur van de laatste jaren en jij behandelt hem eigenlijk net zoals je de huwelijksplot behandelt. Je roept hem in herinnering en zo laat je hem via de achterdeur weer binnen.
‘Je hebt het over God?’
Ja, jij schrijft dat God helemaal uit de literatuur is verdwenen. Toch is jouw personage Mitchell erg met hem bezig. Mitchell studeert religieuze studies, schrijft een briljant essay over zijn religieuze gedachten en reist af naar Calcutta om moeder Theresa te gaan helpen. Herken jij Mitchells verlangen naar een vorm van zelfverheffing of misschien zelfs verlichting?
Ik had als student belangstelling voor theologie. In eerste instantie omdat ik het nodig had om de Engelse literatuur beter te kunnen begrijpen. Ik ben niet religieus opgevoed. Ik begreep niets van het geloof en ik probeerde Milton en Shakespeare te lezen, maar dat ging niet. Toen heb ik besloten me in het Christendom te verdiepen, in eerste instantie vooral omdat ik minder onnozel wilde zijn, maar vervolgens ontdekte ik dat ik geïnteresseerd was in de materie zelf. Net als Mitchell vond ik het op een gegeven moment niet meer genoeg om me er alleen op een intellectuele manier mee bezig te houden. Mitchells zoektocht is gebaseerd op mijn eigen ervaring in die tijd. Ik ben daadwerkelijk naar Calcutta gegaan en heb daar een tijdje voor moeder Theresa gewerkt en ik heb er nog veel meer gedaan en dat heb ik ook allemaal opgeschreven, maar dat heb ik wijselijk uit het boek gelaten.

Gisteravond sprak je in de Singelkerk bij het John Adams Institute. Toen zei je dat je je als student met deze materie bezig hield om je ‘spirituele spieren’ te trainen. Is dat iets dat je nog steeds doet? Interesseer je je nog altijd voor religieuze of spirituele ervaringen of literatuur?
Zeker. Bij tijd en wijle. Ik lees nog wel eens wat en ik ga nog steeds graag af en toe in een godshuis zitten.

Mediteer je?
Ik heb als jongetje wel gemediteerd. Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig. Mijn oudere broer was een hippie. Mijn moeder mediteerde, mijn twee grote broers ook, dus ik ging op mijn veertiende gewoon mee mediteren. Transcendente meditatie was dat. Ze zeiden toen tegen me dat het mogelijk was in zes jaar tijd verlichting te bereiken. Ik herinner me nog dat ik met allemaal oude mensen in die groep zat, in mijn beleving zelfs zo oud dat ik niet zeker wist of ze de verlichting nog wel op tijd zouden bereiken. Ik was veruit de jongste in de groep, maar ik was heel tevreden want ik dacht: dan ben ik dus op mijn twintigste verlicht en dan heb ik m’n leven nog voor me.

Zou je jezelf als religieus omschrijven?
Voor het eerst zie ik Eugenides heel even aarzelen voor hij een vraag beantwoordt. Dan zegt hij voorzichtig: ‘ik denk dat áls je zoekt naar waarheid of inzicht, dat je dan ook gelooft dat er iets te vinden moet zijn en dat intellectuele inspanning alleen misschien niet genoeg is.’

We hadden het net even over God, die uit de literatuur is verdwenen, maar over de literatuur wordt vaak gezegd dat zij tot op zekere hoogte een substituut voor religie is geworden, omdat de grote vragen van het leven in romans terugkeren. Zie jij dat ook zo? Is dat de functie van een roman?
Mijn tijd is bijna om, als ik deze vraag stel, maar als Eugenides dat al weet, laat hij niets merken. Zonder enige haast zakt hij terug in zijn stoel en draait een beetje in het rond. ‘Ik wilde die vragen naar zingeving in mijn boek hebben’, zegt hij ten slotte. ‘Waarom zijn we hier, wat wordt er van ons verwacht, hoe moeten we leven? Dat zijn toch de vragen waar het om gaat. Mitchell zoekt daar een antwoord op in zijn eigen christelijke traditie. Ik kan ze als schrijver een plaats geven in mijn boek.’

Ik ben al gaan staan als Eugenides er nog iets aan toevoegt. Hij zit nog steeds in zijn stoel, een beetje onderuit gezakt, met zijn benen gekruist onder tafel. Hoe moe moet hij wel niet zijn, denk ik, na zo’n lange dag praten over je boek en jezelf en het leven in het algemeen. Na mij komt weer een volgende interviewer.

‘Schrijver zijn’, zegt hij, ‘heeft wel iets van een roeping. Het heeft soms bijna iets priesterlijks.’
Delen
Koppelingen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)