Interview met Jens Christian Grøndahl
‘De cultuur is een niche geworden, verdreven naar de marge’
Door Fleur Speet (27 januari 2011)


Jens Christian Grøndahl (1959), een icoon in de Deense literatuur, publiceerde onlangs twee boeken tegelijk: de roman Dat weet je niet en de memoires Over een uur ontluiken de bomen. Daarin beschrijft hij genadeloos, maar tegelijk vriendelijk, het gezin waaruit hij voortkomt en ontleedt hij zijn groei als schrijver. In het gesprek dat ik met hem heb, blijkt het steeds over de memoires te gaan. Dat vindt hij niet erg en heel begrijpelijk. Het is een soort coming out, de persoonlijke feiten liggen op tafel, dus heb het er dan ook maar over, zo grapt hij. Maar indirect gaat het daardoor over heel zijn oeuvre, over de breekbaarheid en bescheidenheid die hem en zijn proza eigen zijn.

U bent door uw Franse uitgever gevraagd uw memoires te schrijven. U schreef nooit eerder autobiografisch. Waarom twijfelde u?
Een van de redenen was dat een autobiografie altijd zondig is. Het is ongelooflijk indiscreet en ik wist dat ik over dingen zou moeten schrijven die pijnlijk zijn. Vanuit een bepaald standpunt zou het zelfs een verkeerd beeld geven. Door daarmee naar buiten te treden moet ik de verantwoordelijkheid dragen; ja, ik omzeil geen pijnlijkheden, ik onderdruk niets. Maar toen ik wist hoe ik het liefdevol op kon schrijven, met een vergevingsgezinde blik naar in de eerste plaats mijn ouders, kon het.

Schrijven over mijn kindertijd is iets ontdekken wat ik al weet. Mijn ouders waren jonge mensen, veel jonger dan ik vandaag. De helft van mijn leeftijd. Daardoor kan ik naar ze kijken met het begrip van iemand die ouder is dan zij toen waren. Wat op zichzelf al bevreemdend is. Ik heb het niet geschreven om iemand te veroordelen, ik ben geen rechter, geenszins. Ja, misschien veroordeel ik mezelf, maar ik laat wonden open. Ik probeer mijn ouders te laten zien in hun jonge kwetsbaarheid, ik nodig de lezer uit om zich te vereenzelvigen. Tegelijk was het schrijven een manier om mijzelf te confronteren met mijn breekbaarheid. Op een dag kijken mijn kinderen naar mij op eenzelfde manier. Misschien doen mijn zoons dat al. En ik ben er eigenlijk wel nieuwsgierig naar, ik vrees dat niet.

Ik liet mijn ouders het boek pas zien vlak voordat het gepubliceerd werd. Ik wilde niet om goedkeuring vragen, of ze de kans geven er dingen uit te laten. Dit is de manier waarop ik het wilde. Hun reactie was niet bijster positief. Ik denk dat ze onaangenaam geraakt werden door de pijnlijke momenten, dat sloeg ze in het gezicht. Op een bepaalde manier vond ik hun reactie kinderlijk, en dat is misschien weer kinderachtig van mij. Maar ik denk dat ze uiteindelijk wel accepteren dat dit mijn verhaal is. Een aantal dagen geleden vierden we de verjaardag van mijn zoons en liet ik mijn vader de Franse vertaling van de memoires zien. Ik zag hoe hij tevreden naar foto’s van zichzelf als jongeman zat te zoeken. Blijkbaar beviel het hem dat Franse lezers hem zouden zien als mooie jongeman in zijn trenchcoat op een brug in Florence. Ik kan niet van mijn ouders verwachten dat ze het boek waarderen.

In het boek tekent u zichzelf als arrogant jongetje.
Oja, dat was ik ook. In het boek beschrijf ik hoe ik uit school word opgewacht door een stel van die opgeschoten jochies met leren jassen. Ze willen me in elkaar slaan en ik ben zo schijterig dat ik bij de juf ga schuilen. Zelfs de politie komt er aan te pas en ik moet een paar dagen binnen blijven. Op een dag doe ik boodschappen voor mijn moeder en een van die jongens wacht me buiten de winkel op. Hij steekt zijn hand uit om zich te verontschuldigen. Ik kan dat niet aanzien, hoe hij zichzelf voor mijn neus vernedert. Ik loop weg, en onderweg naar huis leer ik een belangrijke les over arrogantie en begrip. Zelfs als je denkt gaven te hebben die anderen niet hebben, dan moet je het hen nog niet inwrijven. Met je gave komt de verantwoordelijkheid om anderen te respecteren die de gave niet hebben. Dat op zichzelf is weer een arrogante constatering. Maar het is wel waar de maatschappij om draait; je dient respect te hebben voor andere mensen, wie ze ook zijn, en te zoeken naar de gemeenschappelijke deler. Van daaruit kun je verder. Zelfs als ik na dat inzicht nog een arrogante kwast was, dan was ik het toch ietsje minder. Ik begon iets te leren.

Waarom eigenlijk in al uw romans die parallelle werelden leven en ze dan weggeven aan de lezers?
Wanneer een schrijver vertelt dat hij alleen voor zichzelf schrijft, liegt hij. Als dat zo was kon het manuscript in de la blijven. Publiceren zit in het schrijven zelf. Het is wat taal doet. In het boek beschrijf ik hoe ik als klein kind het gevoel kreeg dat er een groot gat gaapte tussen mijzelf en de wereld. Het gevoel van afstand tegenover het samen willen leven met anderen, vormt de kern van mijn schrijfdrang. Het gevoel van afstand tegenover het samen willen leven met anderen, vormt de kern van mijn schrijfdrang. Schrijven is een manier om te mediteren over dat gat. Ik realiseer me dat het er is, tast het af en probeer tegelijk het gat te overbruggen, omdat taal een brug slaat tussen mensen.

De woorden die ik ken, komen van anderen. Ze zijn me aangeleerd, ik heb ze geërfd. Met die woorden vertolk ik hoe ik diep in mijzelf geïsoleerd ben van alle anderen, in essentie alleen. Door mijn ervaring te etaleren in woorden deel ik die met anderen. En in het proberen te delen zit de wens verscholen om te publiceren. Het is niet genoeg om te schrijven, de woorden moeten contact maken met de buitenwereld. Als taal gepubliceerd is, verbindt het mensen. Dat is de kern van literatuur.

Iedere schrijver die voor dat enorme gebouw van de literatuur staat, vraagt zichzelf af: waar is de ingang en word ik binnengelaten? Hoe kan ik mezelf vergelijken met mijn helden? Pas als je ontdekt dat ook die helden eens jonge schrijvers waren, en ook zij voor dat gebouw stonden, ontdek je de sleutel. De sleutel is heel erg trouw te blijven aan je eigen ervaringen, de ervaringen van je generatie, aan jouw historische moment. Eerst schrijf je literatuur zoals je denkt dat literatuur geschreven moet worden, je imiteert je helden. En dan faal je. Maar al falende ontdek je wat je verhaal en je eigen stem is.

Ik interviewde Nicole Krauss onlangs. Ze wilde altijd een dichter zijn, net als u, maar werd romancier.
Ik schreef vanaf mijn dertiende poëzie, maar het was pas tijdens de filmopleiding dat ik de kracht ontdekte van proza. Film sloeg de brug tussen poëzie en proza. Doordat ik film moest monteren, leerde ik te spelen met tijd. De lengte in een film kan uitdijen en versmallen: wanneer doe je dat? Een andere cruciale vraag was waar je de camera neerzet. Je hebt een standpunt nodig. Daarom zie ik in iedere scene in mijn romans de hoek van waaruit het beeld wordt waargenomen. En dan komt nog de vraag over de omlijsting: maak je een breedbeeld of een close-up? Hoeveel van de werkelijkheid kun je zien in het beeld? Daarmee komt het besef wat mijn karakter weet en kan weten. Ik zie mezelf niet als een poppenspeler die de personages een kant op duwt. Ik weet altijd alleen wat de personages weten, of ik pretendeer voor mezelf dat te weten. Dat is noodzaak, om me een echt mens te kunnen voelen in het personage.

Ik las onlangs een roman van Ida Jessen. Ook daar trof ik de stilte aan die vol beweging zit. Toch is uw proza warmer. Ik denk dat uw werk de noordelijke stilte combineert met de zuidelijke warmte.
Ik ben blij dat je dat ziet, dat is belangrijk voor me. In het boek beschrijf ik mijn vriendschap met de Spaanse Maja en haar moeder Carmen. Toen ik ze voor het eerst ontmoette, voelde ik me meer bij hen thuis dan bij mijn ouders, terwijl ik nog nooit in Spanje was geweest. Al als klein kind voelde ik een zielsverwantschap met Zuid-Europese culturen. Tegelijk deel ik met Ida en met andere Scandinavische schrijvers de intimiteit van geïsoleerde ruimten in het Noorden, waarin de stiltes net zoveel betekenen als wat wordt gezegd.

Misschien zit het zuidelijke erin dat ik aanvaard dat mijn personages fragiel zijn, en dat ik hun banaliteit koester. Dat banale is het meest cruciale wat we als mensen hebben. Wat basaal is, is cruciaal. Het moment waarop ik stopte bang te zijn voor banaliteit in mijn proza, was het moment waarop ik de schrijver begon te worden die ik worden wil.

In de memoires dankt u aan het eind de vrouwen, zonder hen had u het werk niet kunnen doen. Wat is belangrijker: het schrijven of de vrouwen?
Het leven is altijd belangrijker. Maar ik zou mezelf niet kunnen voorstellen zonder te schrijven, ik denk dat ik zou lijden. Er zijn tijden geweest dat ik niet voortdurend kon schrijven omdat ik andere banen had om in mijn levensonderhoud te voorzien. Na een roman stop ik altijd even met schrijven. Maar dat is tijdelijk. Als er iets in de familie gebeurt, leg ik direct het werk neer. Ik kan me niet concentreren als ik weet dat ik nodig ben, op wat voor manier dan ook. Ik moet er eerst zeker van zijn dat het goed met iedereen gaat, dan pas kan ik aan de slag. Ik zou het akelig pretentieus vinden als ik iemands noden zou opofferen voor mijn werk. Zo belangrijk is het schrijven niet.

Maar het is net zo’n vraag als: wat is erger, een kind in Afrika dat overlijdt aan diarree of een museum dat in vlammen opgaat? Natuurlijk is het kind altijd belangrijker! Ieder kind is de hele Unesco lijst van cultureel erfgoed waard. Maar je kunt ook een andere vraag stellen. Hoe zou de wereld er voor dat kind uitzien als er geen culturele erfenis was? Het zou een grijze wereld zijn, een arme wereld die ongelooflijk saai is en eigenlijk niet meer de moeite waard om in te leven. Er zou geen gevoel voor verband zijn, geen gevoel voor spirituele waardigheid, geen gevoel voor wat het betekent om een mens te zijn in plaats van een dier met kleren aan, die weet hoe te overleven.

Dat verbaast me zo aan onze huidige, welvarende consumentenmaatschappij. Ook al deel ik in de weelde en geniet ik ervan in deze maatschappij te leven, toch vraag ik me soms af hoe het kan dat we zo dom en kortzichtig zijn. We hebben de struggle for life vervangen door welvaart en surplus. Maar hoe is het dan mogelijk dat we ons meer focussen op het raamwerk dan op de inhoud? Hoe kan het dat we zo weinig oog hebben voor spirituele verticaliteit? Op een moment in de geschiedenis waarop we zo welgesteld zijn als nu - we zijn nooit succesvoller, rijker geweest, nooit verfijnder met de geneugten van het leven bezig geweest - op dat moment zou je verwachten dat de cultuur in het centrum van de aandacht zou staan. Maar de cultuur is juist een niche geworden, verdreven naar de marge. Gek genoeg vind je in samenlevingen waar mensen nog steeds strijden, aan wie de basale levenswaarden ontzegd worden, meer spiritualiteit. Dat is een onbegrijpelijke paradox.

U wijdt de laatste woorden in de memoires aan Michaël Zeeman, die in juli 2009 overleed.
We ontmoetten elkaar acht of negen jaar geleden. We zagen elkaar niet eens zo vaak, een of twee keer per jaar. Maar het was altijd alsof we dezelfde conversatie voortzetten. Hij was een geliefde vriend in de familie, maar voor mij als schrijver was hij bovendien een van de drie lezers in mijn leven die diep doorvoelden waar mijn schrijverschap over gaat. Beter dan ikzelf kan. Eigenlijk verloor ik daardoor twee mensen.

Zelfs nadat de eerste periode van verlies en verdriet wegebde, is zijn afwezigheid voelbaar, iedere dag. Er is een leegte waar hij zou moeten zijn en niemand kan dat gat vullen. Dat zal ik altijd met me meedragen. Het idee dat ik zonder hem verder moet leven, dat ik nu ouder ben dan hij was, is een onherstelbaar verlies. Hij zal altijd 51 blijven. Er is geen troost. Het verdriet slijt, er blijft een herinnering van over. Maar het verlies blijft. Je bent bestolen, iemand is je ontnomen en komt nooit meer terug. Je kunt andere mensen ontmoeten, nieuwe vriendschappen sluiten, maar deze band zal nooit meer zijn.

Het doet je beseffen dat je plotseling kunt overlijden. Zomaar, in een oogwenk, op ieder moment. Daarom vraag ik mezelf in het boek af hoe lang ik nog heb om mijn kinderen te zien opgroeien. Zodra je kinderen hebt, is dat waar het leven om draait: hen groter zien worden. Niet het feit dat je doodgaat is erg, maar dat je hun ontwikkeling niet meer kunt meemaken. En ook die andere akelige vraag steekt: wanneer ze je zullen verliezen, zullen ze dan oud en sterk genoeg zijn om daar overheen te komen?


Foto 1: Klaas Koppe
Foto's 2 en 3: Fleur Speet
Delen
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)