Interview met Joke J. Hermsen
‘Alleen in taal kun je over de mens nadenken’
Door Guus Bauer (13 februari 2012)


Joke J. Hermsen (1961) is een meermaals bekroonde romanschrijfster, essayiste en filosofe. Onlangs is haar vijfde roman Blindgangers verschenen.

De winter is vroeg. Oude studievrienden gaan ieder voor zich op pad om in het Drentse buitenhuisje van een van hen het 25-jarige jubileum van hun ‘debatclubje’ te vieren. Het gezelschap is divers. De een is kunstenaar, de andere chirurg, een derde werkt sinds een eeuwigheid aan zijn filosofische meesterwerk. Ze zijn nog voor de vorm getrouwd, beleven een min of meer gelukkig nahuwelijk of zijn alleenstaand. Het lijkt alsof bij elk van hen op een bepaalde manier de winter ook zijn intrede heeft gedaan.

Waarom heeft u het boek geopend met biografietjes van de belangrijkste personages.
Het vergemakkelijkt de lezer om de verschillende verhaallijnen vast te houden. Er zijn zeven hoofdpersonages en daarnaast speelt ook nog een aantal kinderen een rol. Ik wilde niet dat een van hen zichzelf zou moeten beschrijven. Het is een theatrale setting. De acteurs zijn bekend en nu kan iedereen aan het woord komen. Ik wilde eerst als tegenhanger van De liefde dus een ‘mannenboek’ maken met een denker, een dromer en een pragmaticus. Langzaam kwamen ook de vrouwen en de kinderen op het toneel. Zij vertegenwoordigen de hoop.

De essayist in het gezelschap zegt dat al zijn thema’s al in zijn jongenshoofd zaten. Geldt dat voor u ook?
Als meisje heb ik in de jaren zestig in een nieuwbouwwijk in Amstelveen vaak dodelijk verveeld uit het raam gestaard. De ene troosteloze zondag schaarde zich aan de andere. Mijn vader haalde boeken voor het hele gezin uit de bibliotheek. Uit dat lezende meisjeshoofd zijn al mijn thema’s wel ontstaan, met als belangrijkste de tweestemmige mens. Het verschil tussen het zelfbewuste ik, de persoon van wie je een foto kunt maken, en daaronder het onbewuste zelf, een zee aan vergeten herinneringen die toch de bron van je bestaan zijn. Vanaf mijn eerste tekstjes tot en met dit boek speelt ‘de ander in het ik’ een belangrijke rol.

We weten dat het bijna altijd tegenvalt, waarom vieren we nog jubilea? Nostalgie?
We verlangen misschien toch terug naar de verbondenheid die er ooit was. De herinnering die als een baken aan de horizon kan oplichten. En tegelijk is er ook wel een stiekem verlangen naar ineenstorting. Een natuurramp bijvoorbeeld, waardoor je van alle plichten ontslagen wordt.

De leden van de club zijn allemaal van middelbare leeftijd. Willen ze misschien schoon schip maken?
Ik vermoed dat een dergelijke wens bij alle generaties speelt. Maar het verlangen neemt toe naarmate je ouder wordt omdat je steeds meer verwikkeld raakt in een netwerk van verhoudingen. In mijn omgeving begint iedereen langzamerhand vermoeid te raken van het doorgeslagen materialisme, de commercialisering van de maatschappij.

‘Bereikbaarheid is beschaving,’ zegt een van de mannen. Blindgangers lijkt ook een waarschuwing tegen verregaande digitalisering?
We zijn netwerkmensen geworden die tien keer zoveel ‘communiceren’ met anderen maar de inhoud is sterk afgenomen. De taal wordt door de telegramstijl die eigen is aan diensten zoals Twitter en sms uitgehold en afgevlakt. De denkpatronen worden eenvoudiger en het wordt steeds moeilijker om zich op langere teksten te concentreren. Een van de delen van het boek heet ‘Geen bereik’. Dat was lange tijd de titel van deze roman. Mensen hebben steeds minder bereik met zichzelf en met de ander. Er wordt nu vaak in codes gepraat. Alleen in taal kun je over de mens nadenken. Zonder taal is diepgaande (zelf)reflectie niet goed mogelijk. Het is mijn taak als schrijver om daarvoor te waarschuwen.

Is Blindgangers daarom zo maatschappijkritisch?
Ik ben er van overtuigd dat deze tijd om dat soort kritiek vraagt. Non-fictieboeken doen het zo goed omdat men behoefte heeft aan ideeën, aan filosofische reflectie, aan vragen en antwoorden. De lezer zit niet te wachten op het zoveelste ironische liefdesavontuurtje of cynische vrijgezellenboek. Er zijn te veel problemen op dit moment.

U haalt via een van uw personages behoorlijk uit naar de hype rond de ‘breinboeken’.
Een van de uitingen van het materialisme is dat men de mens tot een hoop grijze cellen wil reduceren. Alsof we geen bewustzijn, geweten of vrije wil hebben. Het lijkt alsof er behoefte is om dat te ontkennen. Het is een van de symptomen van deze nihilistische tijd. Daar móet ik eenvoudigweg stelling tegen nemen. In een roman gaat dat wat gemakkelijker dan in een essay. Je kunt de zaken eenvoudiger op scherp te zetten.

Zoals in het exposé over de positie van de vrouw?
Je moet er nu strak en jong uit zien. Dat is de norm. Door die jeugdcultus gaan we wat de positie van de vrouw betreft weer honderd jaar terug in de tijd. Feminisme is ‘not done’ op dit moment. Van de weeromstuit kreeg ik zin om het weer tevoorschijn te toveren. Door de vorige emancipatiegolven ben ik kunnen worden wat ik nu ben.

Je kunt eigenlijk niet ontsnappen aan de personages?
Er zijn vier mogelijke stellen en elke lezer kan zich in een of meerdere facetten van die personages wel herkennen. Dat heb ik overigens niet bewust gedaan. Ik hoorde het achteraf van mijn meelezers. Weliswaar ontploft de bom in mijn boek, maar het einde geeft toch ook hoop en stemt, als het goed is, de lezer tot nadenken.

Waarom gaat u aan het einde over op de bijna negentiende-eeuwse stijl die u gebruikte in uw roman over Bella van Zuylen?
Aan het einde komt men tot besef. Daar zit de hoop, de verbeelding en de harde waarheid. Daarvoor had ik de confrontatie tussen de twee stijlen nodig. Ik heb er weken tegenaan zitten hikken. Via een ‘tussenwezen’ doe ik een ultieme poging om de lezer er bewust van te maken dat je niet bij status, bij het koopbare stil moet blijven staan, maar dat je daar overheen moet proberen te gaan.

U laat ook de thuisgebleven kinderen aan het woord. Als tegenwicht?
Ik wilde ook de jongste generatie een stem geven omdat die gebukt gaat onder de acties van hun ouders. Er zijn ongeveer vijftigduizend kinderen per jaar in Nederland die te maken krijgen met een scheiding van hun ouders. Vaak treden er loyaliteitsproblemen op. Onbewust wordt er toch van hen verlangd dat ze partij kiezen. Het zijn moderne tragedies. Vermenigvuldig dat getal eens met 18 en je hebt bijna een generatie van een miljoen mensen die gekwetst en angstig aan het volwassen leven beginnen. Wat doet dat met een samenleving?

En ze zijn maar matig opgeleid?
We moeten waken over ons intellectuele kapitaal. Straks moeten studenten nog binnen twee jaar hun doctoraal halen. Dan denkt er niemand meer na. Zij moeten straks wel voor de oplossingen van de problemen zorgen. Mensen moeten in staat zijn om behalve allerlei vaardigheden te leren ook een kritisch bewustzijn te ontwikkelen. En men moet de kans krijgen om creativiteit tot wasdom te laten komen. In die zin is Blindgangers een politiek boek. Een waarschuwing. Men moet er alles aan doen om te zorgen dat die bom niet barst.


Foto Joke J. Hermsen: Vivian Keulards.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)