Interview met Judith Belinfante over Marianne Philips
‘De echte dingen van ieder mens behoeven misschien wel nooit verteld te worden, anders zouden er natuurlijk woorden voor zijn.’
Door Guus Bauer (15 april 2019)
In 1919 konden vrouwen bij de gemeenteraadsverkiezingen voor het eerst hun stem uitbrengen en daarnaast ook gekozen worden. Marianne Philips (1886 – 1951) was lid van de SDAP en stond op nummer drie van de kandidatenlijst. Zij werd, hoogzwanger van haar derde kind, beëdigd in de gemeenteraad van Bussum. Ze was een bevlogen activiste die overal in het land spreekbeurten gaf. In 1927 kwam ze naar Maastricht om aldaar te spreken. Na de lange treinreis met veel overstappen, liep ze voorafgaand aan haar redevoering door de stad. In plaats van haar pleidooi aan te scherpen, schreef ze over wat haar in de stad had geboeid, wat er in haarzelf leefde. Op haar veertigste was ze als vanzelf aangeraakt door het schrijfvirus. Iets dat later werd gestimuleerd door de psychotherapeut dr. J.H. van der Hoop waarbij zij van 1928 tot 1931 onder behandeling was.

Zelfonderzoek
Tijdens het therapeutische proces ontstonden de romans De wonderbare genezing en De biecht, beide monologen, de eerste traditioneler wat opbouw betreft, de laatste sterk door het voor die tijd onconventionele karakter. Bij de monoloog krijgt de lezer, bij zorgvuldige opname van de tekst, de kans om zelf de achterliggende motieven, de beweegredenen van de andere personages in te vullen, te construeren. Het belangrijkste speelt zich in feite achter de woorden af. (Zoals bij Tomorrow van Graham Swift of Jij bent mijn mes van David Grossman. Het onvermijdelijke verval in De biecht doet weer denken aan L’ecume des jours van Boris Vian. De biecht is een heel persoonlijk boek, eerder dan een sterk autobiografisch werk. Philips heeft haar eigen ervaringen adequaat ingezet om er geloofwaardige, oprechte literatuur van te maken. Het compromisloos verkennen van de eigen diepste krochten, hoe zwart die ook mogen zijn. In combinatie met een originele vorm die een verhaal naar een hoger plan tilt.

De kritiek was in die tijd niet mild, onbekend maakt onbemind, dat deed men eenvoudigweg niet, zeker niet als vrouw, persoonlijke, complexe, psychische processen inzetten voor de literatuur. Zelfonderzoek bij de dames was niet gewenst. Tussen 1929 en 1940 publiceerde Philips desalniettemin zes romans, een aantal novellen en een vertaling van Aldous Huxleys Eyeless in Gaza. In 1938 was zij een van de drie schrijvers van het Boekenweekgeschenk Drie novellen. Ondanks het feit dat ze als sociaaldemocraat geen formele Joodse banden meer had, mocht ze vanaf 1940 niet meer publiceren. Ze overleefde de oorlog, maar werd bedlegerig door een verwaarloosde reumatische artritis. De zaak Beukenoot is het door Philips geschreven, of eerder gedicteerde Boekenweekgeschenk van 1950, een prachtig sociaal document, dat ter gelegenheid van de Boekenweek 2019 is heruitgegeven. Met veel flair schildert Philips een gevalletje klassenjustitie. De rechter, de officier en de blunderende verdediger. Niets menselijks is hen vreemd. In de jaren vijftig werden teksten voor het geschenk anoniem ingezonden en dus puur beoordeeld op kwaliteit en niet op de marketingtechnische kant van de schrijver, van de verkoop. Je verlangt nog weleens terug naar bepaalde tijden.

Grootmoeder
Judith Belinfante maakt vooraf duidelijk dat het absoluut haar veren niet zijn, dat ze haar grootmoeder wel heeft gekend, maar dat ze zeven was toen Marianne Philips overleed en uiteraard niet met haar van gedachten heeft gewisseld over de literaire aspecten van haar romans. Maar Judith Belinfante heeft er wel zo haar eigen ideeën over, die absoluut hout snijden.

Belinfante: ‘Ze heeft de romans De wonderbare genezing en het nu heruitgegeven De biecht tegelijkertijd bij uitgeverij Van Dishoeck ingeleverd. Ik ben ervan overtuigd dat De biecht haar eerste boek is maar kan het niet bewijzen. Het voelt zo aan. Van Dishoeck heeft in elk geval van De biecht niet de debuutroman gemaakt. Daarvoor was het einde te heftig, zeker in die tijd. We spreken over eind jaren twintig. De vorm wijkt erg af van de gangbare ‘damesromans’. Niemand begreep er in die tijd wat van. Ik denk nu na herlezing – toen ik het de eerste keer las als tiener vond ik er ook niets aan – dat ze heel adequaat gebruik heeft gemaakt van haar eigen ervaringen, zonder sentimentaliteit, zonder dat het overkomt als geklaag. Het is heel vooruitstrevend. Ik ben blij met de heruitgave. Het is eigenlijk een heel modern boek, passend in deze tijd. Een schets van een tijdsgeest, maar tegelijk is het boek tijdloos. De roman Bruiloft in Europa uit 1934 was haar grootste succes, vijf herdrukken en de filmrechten zelfs verkocht aan Amerika, al kwam die film er nooit. Maar De biecht is toch echt haar persoonlijkste werk. Niet voor niets stond er in een recensie van haar roman Henri van den overkant dat men vreest dat ze zich heeft voorgenomen een Nederlandse romanschrijfster te worden en dat het hopelijk nog juist op tijd is haar te vragen vooral liever Marianne Philips te blijven.’

‘Toen ze eind jaren twintig van de vorige eeuw herkozen werd in de gemeenteraad botste ze helemaal tegen zichzelf aan. Ze was mentaal en fysiek niet in goeden doen. Ze dacht werkelijk dat ze dood ging. Haar behandelende artsen raadden haar psychotherapie aan. Ze kwam terecht bij dr. Van der Hoop, die in die tijd heel vooruitstrevend dacht, die niet alleen de ideeën van Freud maar ook die van Jung in zijn therapieën toepaste. Heel ongebruikelijk in die dagen in Nederland. Er werd niet zo veel omgekeken naar psychiatrische patiënten. Ze werden in bed gelegd. En dat was het dan. Juist vanuit de zienswijze van Jung was dat schrijven, als een van de uitingsvormen heel belangrijk. De boeken van mijn grootmoeder zijn beslist niet therapeutisch. Maar zonder de therapie had ze niet geweten hoe ze sommige zaken zo precies, zo raak, zo subtiel had kunnen opbouwen. De moord op het jongere zusje bijvoorbeeld, dat komt helemaal tegen het einde, maar het is geen spoiler om dat te zeggen, omdat het door het hele boek heen verweven is.’

Psychose
De biecht zit vol met zogenaamde telling details. Vanaf de eerste pagina staat het verhaal fier overeind, laat niets aan duidelijkheid te wensen over. (Dat geldt overigens ook voor De zaak Beukenoot.) De tekst is doordesemd met een ethisch en sociaal element, gedreven door haar eigen geschiedenis.

‘Ze kwam uit de keurige middenklasse. Een groot dubbelhuis op de Kloveniersburgwal. Haar vader had op die plek een groothandel in fournituren. Op een gegeven moment ging alles mis. Haar vader overleed toen Marianne twee jaar was, haar moeder hertrouwde met een man die de goedlopende zaak niet aan kon. Toen Marianne veertien was overleed haar moeder in het kraambed. Marianne moest van de hbs af, werd op slag verantwoordelijk voor de zorg voor een baby, haar stiefbroertje, en een stiefzusje van tien. In het atelier van haar stiefvader werd ze naaister. Een volledige wees, zonder de gewenste opleiding, met net als in De biecht naast haar bed een zuigeling die haar uit de slaap hield. Die situatie vond ze vreselijk. Ze was, zoals ook wel blijkt uit de boeken, een bijzonder intelligente vrouw, die wel uit móest breken, die een dermate groot doorzettingsvermogen had waardoor ze tot de grenzen ging. Maar wel emotioneel heel beperkt door een dergelijk jeugdtrauma.’

‘Toen mijn moeder geboren werd in 1913, had Marianne een zwangerschapspsychose, waarbij je dus daadwerkelijk een kind zou kunnen doodknijpen. Toen heeft ze zes maanden in de Valeriuskliniek gelegen. Een tijd die niets heeft uitgericht. De sessies bij Van der Hoop hebben haar denkelijk wel gered. Daarom is het verblijf in een kliniek in De biecht zo waarachtig beschreven. Het is echt. Het schrijven was haar enige manier om zich te kunnen uiten. Op haar portretten lacht ze nooit, was heel afstandelijk tegen haar kinderen, behalve tegen haar jongste zoon. Ze had in Bussum een apart schrijfhuisje, waar niemand mocht komen. Maar daar ging het schrijven voor alles, daar gaf ze zichzelf volledig voor haar boeken. Om niets uit de teksten aan je voorbij te laten gaan, moet je het heel nauwkeurig lezen. De afloop is onvermijdelijk als je op de kleine, subtiel verwerkte aanwijzingen let. Ze heeft zich opengesteld voor zichzelf.’

Kluizenaarschap
Achterop de heruitgave staat dat De biecht een sterk autobiografisch boek is. Dat suggereert dat het over Philips zelf gaat, maar zoals in alle literatuur gaat het over universele gevoelens als liefde, haat, vernedering en jaloezie. Over onvermogen en vergeefsheid.

‘Ze heeft de oorlog overleefd door, met een vals persoonsbewijs, elke zes weken zo ongeveer te verkassen. Ze weigerde echt onder te duiken, was bovendien blond. In april 1945 was ze op, spendeerde twee jaar in verschillende ziekenhuizen. Voor de oorlog, toen ze een groot huis bestierde met drie kinderen, een schrijfcarrière had en af en toe ook nog werk maakte voor de SDAP, was ze controlerend en beheersend, als intelligente perfectionist. Eenmaal ziek kon ze zich wonderwel overgeven. De sleutel daarvoor ligt in de roman De doolhof uit 1940, met een heldere verwerping van oorlog en de mooiste beschrijving van eenzaamheid die ik ooit gelezen heb.’

‘Eenmaal terug thuis begon ze weer te werken. Schrijven kon ze door haar vervormde handen niet meer. Ze dicteerde teksten aan haar verpleegster. De zaak Beukenoot is haar laatste boek. De zaken waren toen honderdtachtig graden gedraaid. Bij het schrijven van haar eerste roman stond ze midden in het leven, in de politiek, had een huishouden met kinderen. Bij de laatste novelle was ze immobiel en kon alleen nog teksten dicteren. En op dat moment schrijft ze iets dat veel opener, veel emotioneler is dan haar eerdere boeken, als een spiegelwerk. Vanuit haar kluizenaarschap. Ze kwam niet meer van haar kamer af, maar had veel belangstelling voor de actualiteit, was een aangename gesprekspartner voor bezoekers. Wij kleinkinderen vonden haar een beetje eng. De zaak Beukenoot is in zoverre autobiografisch dat mijn grootvader iets dergelijks als beschreven, is overkomen. Mijn grootouders hadden geen geweldig huwelijk, door de geslotenheid van Marianne, maar in deze novelle schemert hij mooi door de regels heen. Ik heb een zwak voor mijn grootvader. Hij legde haar geen strobreed in de weg. Zijn motto was: bij iets dat je niet kunt veranderen, moet je je neerleggen.’

Schuurpapier op de ziel
De vader van de hoofdpersoon in De biecht wordt op een gegeven moment bedlegerig, een onbedoelde, beetje wrange vooruitwijzing naar haar eigen situatie, later in haar leven. De man is heel godsvruchtig en probeert de vertelster eigenlijk, onder dreiging met Gods toorn, te belemmeren om het huis te verlaten.

‘Dat is niet autobiografisch, moet eerder als een vondst worden gezien. Zij had een enorme behoefte aan een godsbeleving. Een tijd lang zat ze bij de theosofen. Dat was in die tijd ook een beetje mode. Uiteindelijk heeft ze zich oudkatholiek laten dopen. Een kant van haar waar de familie niets mee had. Waarschijnlijk probeerde ze daar nog iets van het verlies uit haar verleden mee te compenseren. Op haar veertiende, als wees, moet ze zich bijzonder eenzaam hebben gevoeld. De SDAP zorgde voor houvast. Je kon er echt iets bereiken. Ik verwijs nogmaals naar De doolhof. Het christendom wordt eerder een symbool voor het aanvaarden van de emotionele paradoxen die in het menselijk leven nu eenmaal onvermijdelijk zijn dan een religie waarvan je de inhoud blind moet aanvaarden. Vanuit die visie begrijp ik haar doop wel. De ontdekking van die paradoxen en het feit dat ze had leren verdragen zijn haar, volgens mij, in haar ziekte tot steun geweest in de aanvaarding van het onvermijdelijke.’

Het slot van De biecht is zoals gezegd niet onverwacht, maar er zit toch nog een extra twist aan, die zorgt, zoals Judith Belinfante het zo mooi zegt, voor ‘extra schuurpapier op de ziel’. Een daad uitsluitend voor de eigen onmacht. Marianne Philips, een terecht herontdekte grootse Nederlandse schrijfster.

Foto's: privé-bezit, Marianne Philips met dochter en kleindochter
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)