Interview met Julia Franck
‘Bestaat er zoiets als een vrije wil?’
Door Guus Bauer (18 mei 2012)


Julia Franck (1970) ontving voor haar roman Middagvrouw de Deutscher Buchpreis en brak terstond wereldwijd door. Haar nieuwe boek Rug aan rug is wederom een familiegeschiedenis, zich afspelend in het verdeelde naoorlogse Duitsland.

Oost-Berlijn, eind jaren vijftig. Käthe is Joods en heeft de nazitijd overleefd. Ze gelooft in de nieuwe heilstaat. Beeldhouwwerken wil ze maken, zich met hart en ziel inzetten voor het socialisme. Zelfbedrog. Haar kinderen Thomas en Ella behandelt ze afstandelijk en kil.

Een dictatuur ontneemt de mens de persoonlijkheid, de kleur en stem. Hebben Thomas en Ella daarom een eigen taal ontwikkeld?
‘Machthebbers misbruiken een taal. De woorden die Thomas en Ella verzinnen om met elkaar te communiceren zijn op zich niet “onschuldiger”, maar eerder doeltreffender om zaken te bespreken die nieuw voor ze zijn. Vooral in de ogen van de dichter Thomas wordt de waarde van de taal door de Oost-Duitse partij langzaam opgebruikt. De woorden raken versleten. Ik verklaar niet direct waarom ze een dergelijke taal gebruiken, maar het is uiterst belangrijk voor het boek. Een lezer die zelf een dergelijke ervaring heeft opgedaan, er affiniteit mee heeft, zal het belang begrijpen.’

U bewandelt in het begin een omweg, blijft aan de veilige oppervlakte?
‘Het huis wordt schoongemaakt door Ella en Thomas. Dat gedeelte heb ik bewust heel beschrijvend gehouden. Ze zijn bezig alles op orde te brengen, structuur in hun leven aan te brengen. De lezer weet nog vrijwel niets over hen, maar proeft af en toe hopelijk al dat ze er niet in zullen slagen. Naargelang de roman vordert leren we de wereld en hun plek daarin kennen via hun perspectief.’

Käthe is kil en afstandelijk. Verschrikkelijk, maar aan de andere kant ook wel enigszins begrijpelijk?
‘Ze heeft natuurlijk door de oorlog zelf ook haar doelstellingen keer op keer moeten aanpassen. Ze voelt wel liefde voor haar kinderen, maar alleen op meedogenloze wijze. “Ben ik soms moeder van beroep?” Ze streeft naar een nieuw ideaal, een manier van overleven. Mede door haar ervaringen is ze bang om dat te dichtbij te zoeken.’

In Amsterdam kennen we de uitspraak ‘Ik verberg mijn Schmerz in mijn Nerts’.
‘Een mooie uitspraak die ook op Käthe van toepassing is. Ze is gewond, sensibel, maar laat het naar buiten toe niet merken. Ze rijdt op een motor en hakt met alle macht op stukken natuursteen in. De nerts waarin ze haar pijn verbergt, is haar trots en waardigheid. Het probleem van deze naoorlogse generatie in Oost-Duitsland was dat ze zich maar heel moeilijk konden ontslachtofferen.’

Alles moet wijken voor Käthe’s kunst. Thomas wil graag met woorden bezig zijn, waarom gunt ze hem dat niet?
‘Ik ken een aantal kunstenaars van die generatie en weet dat ze een zware prijs hebben moeten betalen voor het doorzetten van hun vernieuwende ideeën over kunst. Gelijk na de oorlog was de algemene tendens zeer conservatief. Er werd min of meer fascistoïde familiekitsch verlangd. Käthe beweegt zich in een soort vrije ruimte en moet haar kinderen alleen opvoeden. Door de rassenwetten had ze niet mogen trouwen en mocht ze haar studie aan de academie niet afmaken. Ze heeft aan zichzelf al heel erg moeten snijden. Omdat ze zelf geen enkele twijfel heeft, althans die niet toelaat, twijfelt ze des te meer bij Thomas. Er is ook zoiets als schaamte. In een arbeidersparadijs moet je aanpakken. Daarnaast wil ze denkelijk ook Thomas voor een dergelijk geïsoleerd bestaan behoeden. Het doet haar wel degelijk pijn, want ergens begrijpt ze ook dat hij zijn individualiteit zoekt. Maar daar is de leefsituatie in de DDR niet naar.’

De roman is doorspekt met gedichten van Thomas. Aan het einde blijkt plotseling de herkomst.
‘Het blijft een roman en dus is het goed dat pas achteraf bekend wordt dat de gedichten van mijn enige oom zijn die in 1962 op achttienjarige leeftijd is overleden. Thomas heeft dezelfde levensloop als hij. Het voegt een extra laag aan de tekst toe omdat ik daarmee de toon van de jeugd in die tijd heb kunnen vangen. Ernstig, pathetisch, maar ook met een sterke wil om een vorm en ritme te vinden. Ze zijn zeer verschillend van kwaliteit en eigenschappen, maar ik ontdekte er duidelijk aanwijzingen in voor zijn geestelijke nood. Hij dichtte over hoe hem zijn mond werd gesnoerd, hoe de woorden verdampten door het zwijgen.’

Deze oom was eigenlijk de aanleiding tot het schrijven van dit boek?
‘Grotendeels wel. Hij is natuurlijk ver voor mijn geboorte overleden, maar er is mij veel over hem verteld. Je zou kunnen zeggen dat hij voor mij levendiger is dan veel van mijn nog levende familieleden. Hij was erg intelligent, hoogst sensibel en heel veelzijdig. Hij maakte muziek, smeedde armbanden en ringen en schreef dus een groot aantal schriften vol met gedichten en opstellen. Het gymnasium doorliep hij uitzonderlijk snel, daarna kreeg hij een studieplaats geneeskunde. Maar hij leed aan de mensheid.’

Uit de gedichten blijkt dat hij een vooruitziende blik had?
‘Hij heeft sterk gereageerd op het bouwen van de Berlijnse Muur. Hij zag toen reeds wat anderen pas twintig jaar later duidelijk werd. De onmacht, het gevoel zich in een doodlopende straat te bevinden. In zijn gedichten is te lezen dat hij sterke vermoedens heeft dat hij niet heel uit de situatie tevoorschijn kan komen. Uit het laatste gedicht, ‘Droom’, blijkt dat hij bang is dat hij zelf gedwongen wordt om mee te moeten doen. Het afsluiten, de regie van de staat over het individu. Het doordringen in de privésfeer.’

Gesymboliseerd door de onderhuurder, een agent van de Stasi, die Ella meermaals aanrandt?
‘De bewoners van de DDR zijn ideologisch, taalkundig, maar in veel gevallen ook lichamelijk aangetast. Ik vind het altijd sterker als je het grote verhaal op de achtergrond betrekt op één of twee personages. Het wordt daardoor intenser, raakt de mensen meer.’

In De middagvrouw is een volwassen vrouw aan het woord. Käthe mag in Rug aan rug haar woord niet doen.
‘Je kunt niet iedereen in “je familie” recht doen. Ik wilde ditmaal uitsluitend vanuit het perspectief van de kinderen vertellen. Dat is natuurlijk al ingegeven door het feit dat ik de gedichten van oom Gottlieb als uitgangspunt heb genomen. Ella is heel narcistisch, zij speelt met de wereld. Het is haar manier om te overleven. Zij gebruikt Thomas als vertrouwenspersoon. Hij vertelt, behalve in zijn gedichten, nauwelijks iets over wat hem beweegt. Hij is een binnenvetter, neemt de wereld op en lijdt daaronder.’

Ella en Thomas zitten rug aan rug en Ella vertelt over hun vader. Veel herinneringen kan ze toch niet hebben?
‘Thomas was één jaar en Ella twee toen hun vader stierf. Ze verzint dus haar herinneringen. In eerste instantie ergert Thomas zich eraan, maar daarna gunt hij haar die gedachtewereld. Hij begrijpt bovendien dat ze hem met het verhaal een gedeelte van de vader schenkt die ze beiden erg missen. Missen, zonder hem echt gekend te hebben. Ella vertelt een verhaal en is het daarmee kwijt, maar in Thomas beklijft het. Het wordt zijn waarheid.’

‘Zijn we alleen maar geschapen, scheppen we ons dan zo weinig zelf?’ zegt Ella tegen Thomas.
‘Het is de vraag naar het bestaan van een god, naar de lichamelijke genese en de omstandigheden waarin men geboren wordt, maar ook de vraag wat een kunstenaar aan deze wereld kan toevoegen. Bestaat er zoiets als een vrije wil en zo ja hoe kunnen we die inzetten.’

De staat heeft al direct tegen het individu gekozen. De kunst van Käthe is dus eigenlijk machteloos?
‘Dat is eigenlijk perfide. Zij is standvastig, gelooft op een bijna kinderlijke wijze in haar kunst, ondanks dat ze ergens diep van binnen ook weet dat het onbegonnen werk is. Daar heeft Thomas enorme bewondering voor. Hopelijk kantelt daardoor ook de mening van de lezer ten opzichte van Käthe. De kunstenaars die in haar atelier komen, praten allemaal op deze wijze, als een soort ritueel wat doorgegeven wordt, haast als een gebed. Als kind heb ik me hierover al verwonderd en me afgevraagd wat daar werkelijk achtersteekt. Misschien heb ik dat met dit boek proberen te onderzoeken.’

Thomas zoekt steun bij zijn oom in het buitenland, maar vindt geen gehoor.
‘Mijn eigen oom Gottlieb had een oom in Amerika, familie in Engeland en diverse familieleden die als vaderfiguur konden dienen, maar niemand heeft zijn brieven serieus genomen. Ze hadden ook geen oplossing paraat en vertrouwden op zijn moeder. Bij de begrafenis maakten ze zich stuk voor stuk verwijten.’


Foto's: Wereldbibliotheek.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)