Interview met Karin Slaughter
‘De ware vreugde van fictie is dat er een zekere logica in moet zitten’
Door Guus Bauer (17 september 2010)


Karin Slaughter (1971) verwierf met haar vaak ijzingwekkende thrillers internationaal de titel ‘koningin van de suspense’. Het onlangs verschenen Verbroken is haar tiende titel.

Een tekst is nooit klaar, de auteur verlaat deze alleen. Spelen daarom vrijwel in elk van uw tien boeken dezelfde personages de hoofdrol?
Het is waar dat je nooit klaar bent met een tekst. Ik heb een vriendin die kunstenaar is weleens gevraagd wat haar geheim is. Ze zei: ‘Het verschil tussen een kunstenaar en een schilder is dat de kunstenaar weet wanneer hij of zij moet stoppen met schilderen.’ Dat geldt ook voor schrijven. Je weet ongeveer wanneer een personage ‘rond’ is. Je hebt de meeste van de losse eindjes aan elkaar geknoopt. Althans voor dát specifieke boek. In het volgende boek zijn ze op een andere reis. Ik houd ervan om een gegeven uit het ene boek in een ander te laten echoën, waarbij ik de betekenis net even verschuif.

Daarin focust u soms ook op een personage dat voorheen alleen een bijrol had.
Meestal wanneer ik een boek heb afgerond, begin ik aan het eerste hoofdstuk van een volgende. Ik maak een paar aantekeningen waar het personage zich ‘emotioneel’ bevindt en daarna kan ik het even laten liggen. Sara Linton komt bijvoorbeeld in acht van mijn tien titels voor. Ze wordt nauwelijks ouder, het voordeel van fictie, maar ze ondergaat een proces. Ze verliest in een van mijn boeken haar man en gaat door een rouwproces in het volgende. Als ze in de vorige boeken kleine stapjes heeft gemaakt, dan neemt ze in Verbroken reuzensprongen. Van ‘first lady’ van het plaatsje verandert ze in een ‘nobody’. Die karakterverschuivingen interesseren me. Het worden welhaast andere personages.

Het lijkt alsof u een groot masterplan heeft. Voor een boek of twintig?
Ik heb er meestal zo’n drie in mijn hoofd zitten. Ik ben als het ware een ijsberg waarvan men steeds alleen het topje ziet. Ik houd er ook van om kleine mysteries rond mijn personages te weven. Zaken die alleen ik weet. Ik word volgend jaar veertig. Ik heb ook al een idee wat voor een boek ik wil schrijven als ik mijn vijftigste verjaardag vier.

Soms weet de lezer iets dat de personages niet weten.
Ik houd van onbetrouwbare vertellers. Het is een beetje spelen met de lezers. Will Trent in Verbroken zit ‘gevangen’ tussen Lena Adams en Sara Linton. Wie vertelt de waarheid? Aan het einde komt hij erachter dat ze allebei de waarheid vertellen én allebei liegen. Zo is het echte leven ook. Het heeft ook te maken met het probleem van het schrijven van een serie. Ik moet mijn vaste lezers belonen en tegelijk moet het boek ook lezers aanspreken die de personages niet kennen. Een delicate balans.

Wordt u toch nog weleens verrast door wat uw personages doen of denken?
Absoluut. Als je aan het nadenken bent over een verhaal, is het ongeveer zoals wanneer je denkt aan een strandvakantie. Pas als je je tenen in het zand voelt en de zon op je huid, dan weet je écht hoe het is. Als het daadwerkelijke schrijven begint, en ik soms wel twaalf uur achter elkaar bezig ben, weet ik in welke richting een verhaal zich precies ontwikkelt. Daarvoor heb ik het een hele tijd door mijn hoofd laten gaan.

U geeft heel terloops informatie. Toch word je snel in het boek gezogen. Wat gemakkelijk leest, heeft heel veel moeite gekost?
Zeker. Ik houd er niet van als de critici zeggen dat ik fictie volgens een formule schrijf. Het is een thriller, er gaat iemand dood en er wordt uitgezocht hoe dat is gebeurd en wie het heeft gedaan. In zoverre klopt het. Ik begin mijn boeken graag met een totaal normale situatie waarna iets schokkends gebeurt. Dat zorgt voor de optimale resonantie. Iemand wandelt langs een meer, het is sereen en plotseling vindt ze een levend begraven meisje.

Een scène die men een ‘longshot’ noemt, u schrijft sowieso heel filmisch.
Ik ben opgegroeid met de televisie. De naschoolse series die ik zag breng ik nu misschien in de praktijk. Als ik aan het schrijven ben, dan denk ik ook in scènes. Het lijkt alsof ik schrijf met een commercieel oogpunt, maar ik schrijf boeken die ik zelf zou willen lezen. Iemand die een boek koopt, leest doorgaans de achterflap en de eerste pagina. Daarom wil ik dat mijn boeken beginnen zoals een kortverhaal.

Heeft u ook inspiratie gevonden in de grote verhalenvertellers als Dickens en Hardy?
De televisieseries zijn ergens op gebaseerd. Die epische boeken hebben mij wel aangezet tot lezen. Daar heb ik mij leren identificeren met personages. In hoeverre lijken of verschillen ze van mijzelf.

Om marketingtechnische redenen moeten boeken worden gelabeld. Men noemt uw boeken thrillers, maar eigenlijk zijn het psychologische romans over hoe gewone mensen leven in het huidige Amerika.
Ik vind het prima dat ik dat stempel heb gekregen. Thrillers verkopen beter dan literaire romans. Ik zou niet graag geschaard worden onder ‘vrouwenlectuur’ of ‘chicklit’. Als je goed nadenkt, dan gaan zelfs Gone with the Wind en Shakespeare over misdaad. Het is een kwestie van ‘geweld’ gebruiken om over ‘karakter’ te praten.

Er zijn inmiddels wereldwijd meer dan zeventig miljoen boeken van u over de toonbank gegaan. Hoe ga je daar mee om?
In Amerika bestaat het idee dat als je werk heel populair is, dat het dan niet goed kan zijn. John Irving worstelt ook met dat probleem. Omdat hij zo succesvol is, wordt hij niet meer als literair beschouwd. De literaire wereld in Amerika, en waarschijnlijk ook hier, is zeer elitair. Jonathan Franzen (Vrijheid) probeert het aan beide kanten. In die zin word ik liever vergeleken met Charles Dickens die populaire cultuur schreef, of met Stephen King, die in mijn ogen een van de beste Amerikaanse schrijvers is en waarschijnlijk onze Dickens zal worden. Ach, en in zijn tijd moest Shakespeare concurreren met dansende beren.

Uitgevers schermen bijna alleen nog met verkoopaantallen, maar zodra iets extreem goed verkoopt, hakken de critici er lustig op los.
Het gaat om mijn lezers. Ik houd van mijn vak. Het is in Amerika heel zeldzaam dat je van je boeken kunt leven. In die zin voel ik me gezegend. In de schrijfwereld krijgen mannen over het algemeen veel meer krediet. Jonathan Franzen stond op het omslag van Time Magazine als de beste levende Amerikaanse schrijver. Het is kennelijk altijd een blanke man. Nobelprijswinnares Toni Morisson telt als een zwarte vrouw dus niet mee. Heel veel schrijfsters ‘vermanlijken’ hun naam door bijvoorbeeld in plaats van een voornaam alleen initialen te gebruiken. Omdat ik een vrouw ben, wordt mij ook altijd gevraagd naar het vele geweld dat in mijn boeken zit. Mannelijke collega´s spreekt men daar nooit op aan. Laatst zei een verkoopster bij een modezaak tegen me dat ik mijn hoofdpersoon Sara modieuzer moet kleden.

U gebruikt niet echt cliffhangers. Hoe bouwt u de spanning op in uw boek?
Elk boek moet met een vraag beginnen en ergens, het liefst tegen het einde, moet er een soort oplossing komen. Elk slot van een hoofdstuk geeft bij mij wel een voorzet van wat er staat te gebeuren. Het voelt niet als een cliffhanger omdat ik de lezer niet in die zin wil manipuleren. Het moet zo natuurlijk mogelijk aanvoelen. Veel schrijvers houden nu hun hoofdstukken kort met als reden, geloof het of niet, dat mensen graag voor het slapen gaan lezen. Soms zijn ze zelf niet langer dan één pagina. Bij mij zijn ze zo lang als nodig. Elk hoofdstuk moet dus wel met een soort brug eindigen. Voor elke duisternis moet wat licht zijn. Het gaat mij om de manier waarop de personages met de gebeurtenissen, de grote veranderingen in hun leven, omgaan. Het is niet uitsluitend horror. Waarom zou je een boek lezen waar je depressief van wordt.

Uit uw boeken blijkt dat u een goed psychologische inzicht hebt.
Misschien komt dat omdat ik mijn karakters als echte personen zie. Ik zou graag iemand zijn die zwart-wit denkt, maar dat kan ik niet. Ik wil de twee kanten van de medaille laten zien. Hoe een misdadiger tot die vreselijke daad is gekomen, zodat er een klein beetje begrip voor de situatie ontstaat. De ware vreugde van fictie is dat er een zekere logica in moet zitten. Als ik in de krant lees over een gruwelijke schietpartij, wil ik altijd weten waarom iemand dat heeft gedaan. Daar krijg je in het echte leven meestal geen antwoord op. Het gaat over geheimen, geheimen die je kunnen vernietigen.

Zoals de dyslexie van hoofdpersoon Will Trent in Verbroken? Dat is met veel kennis beschreven.
Ik heb het zelf in een zeer milde vorm. Alleen als ik met de hand schrijf, heb ik er last van. Een vrouw die er erg onder lijdt, heeft me tips gegeven. Het wordt ten onrechte als leesblindheid geafficheerd. Het is onvermogen om op de juiste wijze met taal om te gaan omdat de tekst in de verkeerde hersenhelft wordt verwerkt.

Dat geeft misschien de aparte kijk die een auteur nodig heeft. Bent u soms ook linkshandig?
Van oorsprong wel. Ik doe alles met links, maar ik schrijf rechts. Dat is me op school ‘aangeleerd’. Ik kreeg een want om mijn linkerhand zodat ik geen pen vast kon houden.

Gebruikt u schema’s?
Neen, ik weet altijd hoe een boek begint en eindigt. Het is tenslotte een thriller. Wie wordt er vermoord en wie is de ‘bad guy’? Het uitpuzzelen van het middenstuk is het leukst. Dat schrijfproces – de arbeid die na het denkwerk komt, niet dat daar geen hersenen bij aan te pas komen – is haast organisch.

Je hebt auteurs, mensen die een paar boeken schrijven, en echte schrijvers die het als een levensopgave zien.
Sommige mensen hebben slechts een paar verhalen in zich. Ik ben altijd met verhalen bezig geweest. Ik was nogal een dagdromer. En mijn vader en mijn oma waren fantastische vertellers. Ik zou erg eenzaam zijn als ik geen verhalen in mijn hoofd meer zou hebben.

De orale traditie. Wist u soms ook al heel jong dat u zou gaan schrijven?
Ik wist niet wat een schrijver was, maar op mijn zesde heb ik mijn eerste verhaaltje opgeschreven. Mijn vader heeft het ergens in een la liggen. Ik kom uit heel armoedige omstandigheden. Mijn vader woonde in zijn jeugd in kraakpanden. Hij was een van acht broers en zijn vader was een alcoholist. Al op heel jonge leeftijd besloot hij dat hij zijn leven anders wilde inrichten. Toen ik het licht zag, was hij bezig met een eigen autodealerschap. Als kind ging ik naar familieleden die onder erbarmelijke omstandigheden leefden, maar ze wilden geen hulp. Ze waren er tevreden mee. Dat gaf me inzicht in twee verschillende werelden. Altijd goed voor een schrijver.

Voor het politiewerk moet u vast veel research doen. Krijgt u waarachtige informatie van de ordehandhavers?
Ik beschrijf de agenten als mensen met al hun onhebbelijkheden, maar het zijn wel de ‘good guys’. Ik schilder ze niet af als corrupt en dus zijn ze heel open ten opzichte van mij. Ik ben met de directeur van Georgia Bureau of Investigation naar de schietbaan geweest, heb trainingen meegemaakt en ben met patrouilles op stap gegaan. Ik kan altijd bellen met vragen.

Daardoor zijn de beschrijvingen van de politiescènes heel geloofwaardig.
Dat is het voordeel van een fictieschrijver. Je bent eigenlijk niet zozeer met jezelf bezig, als wel met anderen. Als schrijver ben je doorgaans heel liberaal, maar ik schrijf vaak over heel rechtse personages.

Bent u nooit bang om uw vele fans teleur te stellen?
Natuurlijk, ik houd van ze, maar als ik aan het schrijven ben dan denk ik niet aan ze.

Delen
Koppelingen
Personen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)