Interview met Kristien Hemmerechts
‘Ik oefen mij in de dood om het op een dag te kunnen’
Door Guus Bauer (2 maart 2010)


Van Kristien Hemmerechts verscheen onlangs De dood heeft mij een aanzoek gedaan, met als ondertitel Over dood, leven en liefde. Het is een literair dagboek, heerlijk lichtironisch, met nieuwsfragmenten over moord en doodslag en herinneringen aan haar jeugd, haar vroeg overleden man (de dichter Herman de Coninck), haar aan wiegendood overleden zoontjes en aan haar ouders. Op haar geheel eigen wijze geeft ze in het boek een voorzet voor een gesprek over stervensbegeleiding en euthanasie.

Een lastig onderwerp. De eerste aan wie je denkt in België is Hugo Claus. Ook al werd zijn naam in de artikelen niet genoemd, je wist dat het over hem ging.
Het is zeker een delicaat onderwerp. In het geval van Claus ging het over de vraag of sommigen er meer recht op hebben dan anderen. Wat daarbij mee heeft gespeeld is dat er mensen zijn geweest die hebben gezegd dat hij toch nog goed was, terwijl hij er wel slecht aan toe was.

Zouden veel jonge mensen dit boek gaan lezen, terwijl de dood en het pijnpunt euthanasie nog ver van hun bed staan?
Mijn publiek is niet zo jong. Mijn enige zorg is dat men misschien denkt dat het een somber boek is. Men houdt zich graag verre van de dood. Het zou wel goed zijn als de jongeren zich er al in zouden verdiepen. De babyboomers die zich heel bewust met de voortplanting hebben beziggehouden, zullen zich niet als lammeren naar het rusthuis en de dementie laten afvoeren. Die willen zelf meer de hand hebben in hun einde. In die zin is dit niet alleen een heet hangijzer van Kristien Hemmerechts. Dit gaat iedereen aan. De vergrijzing is bijna beangstigend.

Het boek is lichtironisch. Met nieuwsfragmenten over moord en doodslag. Galgenhumor haast.
Voordat ik begon, herlas ik een aantal dagboekfragmenten. Geschreven rond een reis naar Vietnam bijvoorbeeld. Ze waren heel erg somber. Ik schrok er van. Het was toch een mooie trip? Kennelijk heb ik toch een tijdje in mijn systeem rondgelopen met een doodsobsessie. Dat moest er op een gegeven moment uit. In een dagboek kwam dat het beste tot zijn recht. Ik houd van die vorm, omdat die niet één waarheid heeft.

U schrijft niet voor niets ‘Ik ben de vleesgeworden tweeslachtigheid’.
Je hoeft me niet lang te kennen om dat in de gaten te krijgen. Ik kies daar niet voor. Een condition humaine. Een overlevingsstrategie. Of de onontbeerlijke eigenschap van een schrijver die aandacht moet hebben voor alle kanten van een situatie, hoe tegenstrijdig ook. Zo kun je het op een persconferentie over de alarmerende zelfmoordcijfers hebben terwijl je tegelijkertijd verlangt naar afronding. Beide uitspraken zijn oprecht.

Lag de dagboekvorm voor de hand?
Ik ben er op gekomen door mijn studenten. Ik had hen de opdracht gegeven om een dagboek bij te houden waarin ze niet alleen over zichzelf schreven, maar ook over de buitenwereld. Daar kwam heel wat moois uit. De afwisseling in de tekst maakt het aantrekkelijk. Sommige boeken gaan veel te lang door. In dit genre kun je heel bondig zijn. Dat maakt het krachtiger.

Het is daarnaast open en bloot Kristien Hemmerechts. Gerrit Komrij schreef ooit: ‘Als je met de billen bloot gaat, moet je een reservepaar hebben.’
Ik stel mij in mijn werk altijd heel kwetsbaar op. Veel mensen waarderen dat. Bij mijn vorige dagboek kwam ik tot tweemaal toe mensen tegen die beweerden dat mijn boek hun leven had veranderd. Ze merkten dat er bij mij dingen speelden die zij ook hadden en dat ze zich daarvoor dus niet hoefden te schamen. Dat opende andere perspectieven.

Een handreiking naar de lezer?
Dat is op zich geen taak van de schrijver. Het gaat er mij om dat je de lezer echt kunt raken. Dat men in de gaten heeft dat je oprecht met je onderwerp bezig bent. Veel schrijvers treden naar buiten met een pose. Daar is op zich ook niets mis mee. Maar ik wil de lezers bij mijn thema betrekken. Daar staat tegenover dat je ook een gemakkelijke schietschijf bent.

Bij zo’n intens persoonlijk project moet het verschrikkelijk zijn als de critici er het mes in zetten.
Als je bezig bent met het maken van kunst moet je bereid zijn om je kwetsbaar op te stellen. Anders kun je er beter niet aan beginnen.

Hoe reageert de familie?
Mijn moeder is nu begin tachtig en wil eigenlijk niet over de dood praten. Uit mijn directe omgeving hoor ik weinig over mijn werk. Soms ziet men het als een uitnodiging om over zichzelf te praten. Daar is niets mis mee. Ik ken mijn eigen verhaal wel. Luisteren is een zwaar onderschatte activiteit. Er is kennelijk een ongeschreven code in mijn familie- en vriendenkring. Men gaat niet direct in op mijn boeken. Dat maakt het leefbaar. Natuurlijk zijn er weleens problemen. Ik heb zelfs een roman geschreven over een schrijfster die de pen aan de wilgen hangt, moe van alle achterdocht. [De waargebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze] Maar dat is maar één aspect van het schrijverschap. Ik ga er van uit dat men niet naar mij toe komt met de vraag: ‘Goh Kristien, wilde gij echt zelfmoord plegen?’ Dan hebben ze het boek echt verkeerd begrepen. Mijn naaste omgeving heeft een relatie met de vrouw Kristien, niet met de schrijfster.

U schrijft ook dat u de gedichten van uw echtgenoot Herman de Conink pas bij het samenstellen van een postume bundel helemaal echt tot u zijn doordrongen.
Tijdens onze relatie zat de mens de dichter in de weg.

‘Zelfmoord is niet hetzelfde als je leven afronden. Een wanhoopsdaad tegenover een weldoordachte keuze.’
Bedenk ik hier ter plekke, schreef ik erachteraan. Er is een groot verschil. Er moet misschien een nieuw beroep worden gecreëerd. De omgekeerde vroedvrouw, die niet alleen emotioneel maar ook met een spuitje helpt sterven. Voorlopig lijken vooral mannen het voor het zeggen te hebben bij wetgeving en afspraken rond het levenseinde. Misschien kan ons vertrek uit het leven – net zoals onze aankomst – beter aan vrouwen worden toevertrouwd.

Lijkt me een goede zaak.
Mooi, ik vrees dat men mij voor gek verklaart. Belangrijke artsen zullen het wel als een naïeve gedachte wegwuiven. Met dit project heb ik ingezien dat dokters alleen maar bezig zijn met het rekken van het leven. Dat mag je ze ook niet kwalijk nemen. Ik denk dat het stuk over mijn vaders hartoperatie me niet in dank is afgenomen. Een chirurg is een loodgieter. Er is een pomp stuk en die repareren ze. Euthanasie druist waarschijnlijk tegen alle professionele reflexen van artsen in. Daarom denk ik dat het een vergissing is om hen met die ‘klus’ op te zadelen.

Er staan veel schrijnende gevallen in het boek over moord, doodslag en doodsverlangen. Kwamen die zogezegd per krant en tijdschrift binnenwaaien?
Je let natuurlijk meer op de ‘doodstijdingen’ als je eenmaal bezig bent met het proces. In die periode waren er enorm veel berichten over dode kinderen. Het fijne van een dagboek is ook dat toeval een grote rol speelt. Dat juist in die tijd een oud vriendje weer contact opneemt, kun je niet plannen. Het dagboek begint in oktober 2008 en eindigt in juli 2009. Negen maanden, zoals een zwangerschap. Oorspronkelijk wilde ik het een jaar bijhouden. Maar aan het einde van de achtste maand vond ik dat alles wat ik wilde zeggen, stilaan op papier stond. Toen heb ik er nog een maandje bij gedaan en was het af.

Wat mij betreft had het nog wel langer mogen zijn.
Beter zo dan omgekeerd. Ruim driehonderd pagina’s is voldoende.

Hoewel het boek uit veel partikels is opgebouwd is het toch een eenheid.
De herinnering aan mijn vader vormt de rode lijn. Ik ben bewust geëindigd bij een bezoek aan zijn graf. Ik ben heel blij met het slot. Je gooit soms tienduizenden woorden weg. Tijdens mijn verblijf in het schrijvershuis in Montreal schreef ik aan een roman. Daar kan het meeste van weg. Daarnaast werkte ik aan het dagboek. Na het schrappen heb je dan toch een slotalinea waarmee je zeer goed kunt leven.

‘Wanneer jij zwom, papa, liet jij je ver met de stroming meedrijven. Het kon niet ver genoeg zijn naar je zin. Vervolgens ging je aan land en wandelde terug. Steeds verder zwom je weg. En je keerde terug.
Ergens moet water stromen dat ons wegdraagt van het verleden.’


De onzekerheid die elke schrijver heeft?
Is het niet te somber? Is het niet te fragmentarisch? Ik houd heel erg van anekdotes. Er zijn erbij die hartbrekend zijn. Maar uitleg ga ik niet geven. Ik schotel ze de lezer voor. Dan vraag ik me weer af of ik de lezer soms niet bij het handje moet nemen. Ik ben bang dat steeds meer mensen het expliciete nodig hebben.

Beleeft u plezier aan het schrijven?
Ja, maar het is wel werk. Soms zwaarder werk dan de mensen zich kunnen voorstellen. Ze benadrukken vooral de voldoening die het geeft. Dat je een passie hebt. Dat je zin aan je leven kunt geven. Maar je probeert altijd voorbij een grens te gaan. Het is geen toverformule om gelukkig te worden. Je doet het omdat je het niet kunt laten. Het is een manier van zijn. Je betaalt er een prijs voor. Maar dat geldt ook voor een sporter, een schilder of een muzikant. Ik verbaas mij er wel over dat zoveel mensen schrijver willen worden. Het is toch vaak ook een last.

Noteert u invallen?
Dan moet het wel heel erg in mijn kop doorzeuren. Wanneer ik aan een boek bezig ben kan het weleens voorkomen dat ik weet wat de volgende scène moet worden. Daar noteer ik dan hoogstens een paar woorden van. Genoeg om het weer op te kunnen roepen. Ik denk heel veel na. Het groeit. Bijvoorbeeld wanneer ik de afwas aan het doen ben. Je moet er niet te nadrukkelijk mee bezig zijn. Het moet een beetje gisten in je hoofd. Je kunt het niet afdwingen. Je hebt vertrouwen nodig. Treinreizen zijn hiervoor heel nuttig. Als ik denk dat ik iets achterhaald heb, dan maak ik wel een notitie. Zoals het slot van dit boek.

Er duikt in De dood heeft mij een aanzoek gedaan een aantal wetten van Kristien op. De eerste: hoe meer een mens loslaat, hoe gelukkiger ze is. De tweede: Laat los en gij zult hebben. Dat gaat over de aanvaarding? Een protest tegen de dood?
Het is een opstand tegen de aanvaarding van het onvolmaakte. Er zit een soort woede en verbittering in en tegelijk wordt die geserreerd. Dat broeide een hele tijd al. Wat precies de trigger is geweest kan ik niet zeggen. Misschien wel die bijeenkomst over de verontrustende zelfmoordcijfers.

Bang voor commentaar in de trant van: ze koketteert met de dood.
Natuurlijk is het koketteren met de dood. Schrijven is koketteren. Misschien zijn schrijvers en acteurs wel ijdel. Ook hier ben ik weer dubbel. Je zegt hier sta ik, ik heb iets te melden en lees mij. Maar ik sta ook weleens op een podium en daar moet je alleen maar ‘geven’. Misschien hebben we grote ego’s, maar wij geven ook veel. Na afloop kan je helemaal leeg zijn. Ik heb vaak moeite met het passieve publiek. Dat wil geëntertaind worden. Wij komen consumeren en achteraf zeggen we wel wat we er van vinden. Zoals je in een restaurant de pasta keurt. Daarom vind ik het prettig om met andere makers om te gaan. Daar is geen tweedeling tussen actief en passief.

Wordt u in uw romans weleens verrast door uw personages?
Ik heb heel erg het idee dat ik moet achterhalen wat mijn karakters doen. Het schrijven is een ontdekkingstocht. Als ik alles al zou weten, dan hoef ik het ook niet meer op te schrijven. Dat was ook zo met dit boek. Je wordt verrast door je eigen tekst. Dit dagboek is duidelijk geschreven voor derden. Dus je wilt ook dat er relevantie is. Dat het krachtig is. Zonder een oordeel te geven. We staan tegenwoordig veel te snel klaar met onze mening. Ik wil het thema opentrekken. Het leven van mensen zou verbeteren als men meer over de dood leest. Vroeg of laat word je er toch mee geconfronteerd.

De dilemma’s zijn soms wel erg moeilijk. Wat is erger een kind verliezen aan wiegendood of aan een zinloze slachtpartij.
Voorzichtig zeg ik dan: na een zinloze slachtpartij krijg je meer aandacht. Dat helpt. De ontzetting bij mensen is groter.

Hebben schrijvers eigenlijk niet allemaal een doodsobsessie?
Ik denk van wel. Dat is het mooie van schrijven. Je moet iets echt helemaal uitspitten.

Kristien Hemmerechts schreef met De dood heeft mij een aanzoek gedaan een oprecht boek over dood, leven en liefde. Het is opgedragen aan haar vader, de in 2007 overleden omroepbaas Karel. Ze schroomt niet om hem liefdevol hard aan te pakken. Dat ontroert. Sentimenteel wordt het boek nooit, maar als men het toelaat, dan kan dit boek heel dichtbij komen. De oneliners en observaties stemmen tot nadenken. Je blijft uitroeptekens zetten in de kantlijn. Heel vaak ook met een glimlach. De werkelijkheid die de verbeelding inhaalt. Een man overleeft zowel de atoombom van Hiroshima als die van Nagasaki. Hij was ook bij de tweede bom omdat het bedrijf waar hij werkte in allebei de steden een filiaal heeft. Ondanks het bombardement reden de treinen stipt op tijd.



Foto’s Klaas Koppe
Kristien Hemmerechts met Hugo Claus en Tom Lanoye, backstage St. Amour in Antwerpen (10 februari 1992)
Kristien Hemmerechts en Herman de Coninck (Antwerpen, 15 februari 1994).

Delen
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)