Interview met Lisa Appignanesi
‘Soms is het beter om te gaan schrijven of schilderen’
Door Fleur Speet (7 oktober 2009)


Lisa Appignanesi (1946) weet niet meer zo goed hoe ze op het idee kwam om een groot overzichtswerk te schrijven over de geschiedenis van vrouwen en de psychiatrie van 1800 tot heden. Zoeken naar een antwoord is altijd een terugblik, zo zegt ze, kauwend op de vraag, en ze is zo lang met het boek bezig geweest dat ze ermee vergroeid raakte. Ze studeerde af op de doden en schijndoden die Edgar Allan Poe achtervolgden. In haar romans zijn psychiatrische aandoeningen een terugkerend thema en in 2000 publiceerde ze al de klassieker Freud’s Women. Wel weet ze nog dat ze zich verwonderde. Onderzoekers voorspellen dat in 2010 depressie het grootste gevaar voor de volksgezondheid zal zijn, na hart- en vaatziekten. Hoe kan dat, zo vroeg ze zich af. En waarom maken vrouwen meer kans om ten prooi te vallen aan depressiviteit dan mannen?

Imiteren
Misschien, zo bedacht ze, zijn we gezegend omdat we naar een therapeut kunnen zodra we ons naar voelen. In de negentiende eeuw gebeurde dat niet zo vaak, psychotische vrouwen werden hoogstens opgesloten om geen last te veroorzaken in de samenleving. Een behandelmethode was er nog niet. Maar misschien ook spelen de media en de farmaceutische industrie hier een rol in en zijn wij mensen imiterende dieren die meer dan voorheen geneigd zijn om te individualiseren en medicaliseren. Als Jack Nickolson in de film One Flew Over the Cuckoo’s Nest OCD heeft, ontstaat er een vloedgolf aan patiënten met OCD. Zijn het kortom niet ook maatschappelijke, politieke, sociale en economische factoren die maken dat depressiviteit nu meer gediagnosticeerd wordt? Door op zoek te gaan naar de grote lijnen, daar waar de psychologie begon tot nu, hoopte ze op een verlichtend inzicht, maar het bracht slechts relativering: ‘Misschien kijken we nu net zo met oogkleppen naar mentale ziekten als men in de negentiende eeuw deed.’

Een antwoord blijft dus uit, zowel in het meanderende interview als in haar boek Gek, slecht en droevig. Appignanesi beweegt zich op het snijvlak van wetenschap en fictie en weet zo de feiten voortreffelijk en soepel te verwoorden, maar ze blijft genuanceerd en voorzichtig met stellingen. Doordat ze haar blik richt op levens in plaats van op casussen is de studie uiterst leesbaar. Ze schrijft miniatuurbiografieën, van onder anderen Mary Lamb, Virginia Woolf, Sylvia Plath en Marilyn Monroe. Dat zijn geen onbekenden voor wie zich interesseert in vrouwen en waanzin. Alle vier bezochten een psycholoog of psychiater, drie pleegden zelfmoord en werden legendarisch. Met name voor de vrouwenbeweging werden Woolf, Plath en Monroe iconen omdat zij een spagaat moesten maken. Ze wisten zich geen raad met de maatschappelijke eisen die indertijd aan vrouwen werden gesteld. Maar dat is de visie van de feministen die Appignanesi slechts beschrijft, niet onderschrijft.

Relativeren
Opvallend aan het boek is hoe nuchter Appignanesi constateert dat de psychiatrie en de psychologie van oorsprong mannenberoepen waren en dat er sinds Freud steeds meer vrouwen in het vak belandden, maar dat het vak daarmee ook degradeerde. En weinig vrouwen schijnen te kiezen voor de psychiatrie, psychoanalyse vinden zij als vak interessanter, zo schrijft ze in haar boek. Vrouwen schijnen ook meer gebaat te zijn bij praattherapie, zo bleek uit onderzoek. Maar werp haar dat in het gesprek voor de voeten, en ze begint het direct te relativeren.

Appignanesi veroordeelt niet, maar wel deelt ze speldenprikjes uit. Zo vindt ze het beschamend, zo vertelt ze bijna gnuivend terwijl ze toch voortdurend heel veel lacht, dat tegenwoordig bij de opleiding psychologie Freud niet eens meer gelezen hoeft te worden. In de jaren vijftig was zijn werk door psychologen omgevormd tot een keurslijf waar vrouwen zich in moesten wringen. Thuis, als moeder, daar zouden zij het geluk vinden. Dat een deel van de vrouwenbeweging tegen deze uitleg tekeer ging, vindt Appignanesi heel terecht: ‘De originele ideeën van Freud werden verbogen, maar eigenlijk kun je die ideeën ook helemaal niet zo makkelijk vatten. Het bijzondere aan het werk van Freud is nu juist dat hij weliswaar stelling nam, maar zijn stellingen ook geregeld herzag. Zijn ideeën zijn niet statisch. En daarbij, hij was een geweldig goede schrijver. Dat kun je maar van weinig psychologen en psychiaters zeggen.’ In het boek is hij het ankerpunt; de doktors ervóór neigen al zijn kant uit, de psychologen en psychiaters na hem bouwen op zijn werk voort.

Schrijvers
Appignanesi leunt in haar boek zwaar op de literatuur. Doktersverslagen van casussen vond ze niet alleen te saai, die boden bovendien alleen de blik van de arts. Ze wilde van binnenuit, vanuit de patiënt de verhalen schrijven: ‘Het probleem van schrijvers is natuurlijk dat zij ná de aanvallen pas kunnen schrijven over wat hen overkwam. Het is een terugblik, en daardoor per definitie ook een fictionalisering. Toch zaten veel van de auteurs zo dicht bovenop hun aandoening dat het buitengewoon goed inzicht biedt.’ Appignanesi gaat ook bij ieder leven in op de therapie, waaruit blijkt dat er lang niet altijd een oplossing bestond.

Plath en Woolf zijn daar goede voorbeelden van. Woolf werd door haar man Leonard aan alle kanten beschermd en het was haar therapeut die adviseerde geen kinderen te krijgen, iets wat haar volgens Appignanesi erg kwaad maakte. ‘Toch is het wel voorstelbaar,’ zegt ze. ‘Ten eerste was de seksuele beleving van Virginia én Leonard problematisch; de een was aangerand door haar stiefbroer, de ander zat klem in het Victoriaanse milieu. Ten tweede werd waarschijnlijk verondersteld dat de hormoonschommelingen die met een zwangerschap en borstvoeding gepaard gaan een catastrofale depressie zouden ontketenen. Virginia heeft zich, mede daarom, verzet tegen haar therapeuten.’

Een van de makken van onze tijd, zo stelt Appignanesi dan toch, is dat we in het duiden doorgeslagen lijken: ‘Er bestaan nu veel meer dan in het verleden precieze aanduidingen en hokjes om allerlei vormen van mentale aandoeningen in te proppen en daardoor denken we dat er voor ieder van die aandoeningen ook een genezing is. Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Soms gaat het niet over. Daarbij, hoe waardevol is het om van hyperactiviteit te spreken als mensen steeds meer achter de computer zitten en gaan multitasken? Dat is geen ziekte. Misschien verandert de technologie ons brein wel. Wat je krijgt is dat we steeds meer geboeid raken door afwijkingen, zodat het normale raakt ondergesneeuwd. Daarom moeten we voorzichtig blijven met behandelingen. Soms is het beter om te gaan schrijven of schilderen.’

Oordelen
Langzaam ontdooit Appignanesi en doet ze wat ze in haar boek nalaat: ze oordeelt. Over de farmaceutische industrie. Sinds haar boek in Amerika uit is, stonden verschillende mensen uit het vak, psychiaters en onderzoekers, op om aan te tonen dat die industrie een te grote vinger in de pap heeft. Appignanesi: ‘Tegenwoordig beschouwen we klinisch wetenschappelijk onderzoek als waarheid. We hechten enorm veel waarde aan onomstootbare feiten; het is de magie van de getallen. Maar wat blijkt? Het onderzoek dat gepubliceerd wordt, verbloemt doorgaans de gevaren en neveneffecten die ook geconstateerd werden. Ziekte wordt zo gecreëerd door en voor ceo’s. Zij moeten hun winst behalen.’

Wat kunnen we dan nog geloven? Volgens Appignanesi doen we zelf net zo hard mee aan de medicalisering. We eisen voor ieder pijntje een pilletje: ‘Dan krijg je opeens dat verlegenheid ook een afwijking is waarvoor je behandeld dient te worden. En kijk eens naar al die kinderen, soms maar twee jaar oud, die al medicijnen krijgen voorgeschreven. Er ontstaat een symbiose tussen al die drugs en het begrip van onze emoties als we aan het laatste geen ruimte meer geven. Misschien moeten we meer tolereren en moeten we niet alle gevoelens die wat minder vrolijk zijn steeds wegdrukken. We denken dat mensen rationele wezens zijn. Maar in de kern zijn we dat helemaal niet en komen we er denk ik ook nooit achter hoe ons irrationele brein werkt.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)