Interview met Manon Uphoff
‘Ik heb geprobeerd de moed op te brengen mijn identiteit af te breken’
Door Guus Bauer (20 november 2009)


Onlangs verscheen De spelers, de derde roman van Manon Uphoff. Het is een verassend boek geworden. Misschien een stijlbreuk in haar oeuvre, maar daarom niet minder waarachtig. Een geslaagd ‘literair experiment’.

De laattwintiger Manja geeft in Nederland taallessen aan vluchtelingen. Ze vat liefde op voor een van haar cursisten, een deserteur uit voormalig Joegoslavië die eenvoudigweg met J. wordt aangeduid. Allereerst is er lust en nieuwsgierigheid. Manja voelt zich een toeschouwer. J. probeert zijn leven weer in het gareel te krijgen met een maniakaal verlangen naar orde en hygiëne. Ook bij diverse bezoeken aan Sarajevo tracht hij alles weer ‘op een rijtje te krijgen’. Langzaam dringt de familie van J. door in Manja’s eigen leven.

Dit boek is geschreven in een stijl die past bij het onderwerp. On-Nederlands, bijna in de traditie van de Midden-Europese roman. De tekst meandert. Het is poëtisch en u gebruikt prachtige metaforen.
Op zich houd ik van een duidelijke indeling van hoofdstukken, maar bij dit boek had ik het idee dat de tekst gewoon moest doorlopen. Dat was overigens geen klinische keuze. De stijl wordt opgeroepen. Bij elk verhaal probeer ik de taal te vinden die recht doet aan het onderwerp. Er is dan gewoon geen andere stem mogelijk. Ik hoop dat deze roman de weg opent naar andersoortig werk. Wat betreft de stijl, ik weet niets over stijl, sommige mensen haten mijn stijl, de metaforen, anderen vinden haar prachtig, ik heb zelf geen andere methode, ik heb zelfs geen échte methode, al is elk schrijven methodisch. Ik ervaar stijl als het middel om een patroon te onderkennen.

Tegen het einde zijn er minder mooie beelden.
Ik werk heel visueel. Ik ben dan niet meer bezig met stijl. Ergens is de wereld van Manja dan ook geleidelijk aan veranderd.

U zei tijdens de presentatie dat het een lange zoektocht was.
Ik was heel bewust bezig met mijn eigen rol in het verhaal. Ik wilde beslist niet een boek maken waarin ik, of een van mijn hoofdpersonen, vanaf de zijlijn iets meepikt van de Balkanoorlog. Uphoff zal wel eens even vertellen hoe het allemaal in elkaar steekt, de auteur die op verkenning gaat en fantastische inzichten heeft. Ik was op zoek naar de ontwrichtende werking. De identiteit die wordt uitgehold omdat de door een oorlog vervormde mensen je leven binnensluipen.

Het boek komt heel dicht bij uzelf.
Tegelijk zit er ook veel afstand in. Het is in brede zin een onderzoek naar de identiteit van de jonge westerse vrouw. Hoe sta ik als ‘westerse’ tegenover deze situatie? En wat zijn alle gedachten en ideeën die ik eng vind en niet wil toelaten, maar die er wel zijn? De hoofdpersoon Manja is een hard personage. Het is de vraag of dat geaccepteerd wordt. Daar is in de Nederlandse literatuur wel ruimte voor, maar dan alleen in de vorm van ‘spielerei’. Moord en doodslag wordt dan als spel gebracht. Ik neem de zaak wat serieuzer.

U werd ergens in een recensie beschuldigd van ‘geborneerd ramptoerisme’.
Dat verbaasde mij. Op een of andere manier rekent men de hoofdpersoon en mij de houding aan van de ‘westerse’ ten opzichte van het conflict, of beter de nasleep ervan. Dat had ik niet kunnen inschatten. Ik heb niet een boek over de ins en outs van de oorlog in voormalige Joegoslavië willen schrijven. Om dat werkelijk te kunnen doorgronden moet je meer weten en had je meer journalistiek met dat land in contact moeten komen. De roman gaat over liefde en vernieling. Hoe mensen door een oorlog in een bepaalde rol worden gedrukt. En hoe verzengend deze rollen zijn.

De verbrokkeling van je identiteit.
Mijn ouders hebben de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Ik ben opgegroeid met die bagage. Een composthoop waarop de veiligheid en welvaart werden gebouwd. Ik ben doortrokken van dat besef van veiligheid. De Balkanoorlog was voor mij iets heel erg primitiefs. Heel anders dan de Golfoorlog. Die had meer iets van een computerspel. Die zag er schoon uit. Al was er waarschijnlijk op de grond net zoveel ellende. Een kapot lichaam blijft een kapot lichaam. Of het nu door een mes is of door een op afstand bestuurde raket. Het was voor mij een schok dat in het welvarende Europa de oorlog zo’n gruwelijke vorm aan kon nemen. Heel dichtbij. En omgaan met een man die daar vandaan kwam heeft gevechten opgeleverd. Ik vond dat de primitiviteit meer in hem zat dan in mij.

Een moedig boek als je het zo hoort.
Het zijn glasscherven uit mijn eigen leven. De inzet was om nu eens echt te kijken waar ik wezenlijk uit ben opgebouwd. En dan bedoel ik niet mijn eigen kleine eigenschappen en eigenaardigheden. Ik bedoel de kern van je identiteit, die voor mij ook wel een beetje de kern is van de Hollandse identiteit. Van waaruit je de wereld beschouwt. Die is gevormd door geschiedenis, houding en optiek. Door het schrijven van dit boek ben ik mij pas bewust geworden van de constructie van mijn wezen.

Daar heb je misschien wel zo’n cultuurshock bij nodig?
Manja ziet zichzelf slechts als een toeschouwer. Iemand die het uiteindelijk allemaal wel kan begrijpen. Dat is de fictie van veiligheid.

Om even in de sfeer van uw metaforen te blijven: hoofdpersoon Manja wordt als het ware die nieuwe cultuur ingezogen. Hand over hand aan een touw over een onzichtbare streep getrokken.
Ik weet hoe dat proces van schrijven gegaan is, misschien is dat de reden waarom het zo lang heeft geduurd. Ik heb geprobeerd de moed op te brengen mijn identiteit af te breken om te zien waaruit deze is opgebouwd. Daar is tijd voor nodig en dan moet je door alle veiligheid heen. Meer dan bij andere boeken heb ik met deze roman het idee dat ik in een soort zoete nachtmerrie gleed. Waar ik langzaam ingetrokken werd, of eerder langzaam in afdaalde. Als ik ga schrijven over wat ik gezien heb, en natuurlijk is het vervormd en verdikt, dan moet ik ook de moed hebben om te laten zien waaruit ik opgebouwd ben. Ik heb de pest aan het autobiografische om het autobiografische, maar hier moest het. Anders had ik dit verhaal niet kunnen vertellen.

De keuze voor de eerste persoon enkelvoud is daarbij niet bepaald de weg van de minste weerstand.
Het was voor mij, en misschien ook voor de lezer, eenvoudiger geweest als ik een alwetende verteller had gecreëerd. Veel veiliger op alle vlakken. De lezer kan dan de twee mensen dragen. Je ziet dan direct hoe de een de ander vermorzelt.

U hanteert voor alle personen ‘een eigen taal’. Vocaal hordelopen noemt u het.
De taal bepaalt wat mensen zijn. En wat ze kunnen zijn. Dat heb ik zelf wel geleerd toen ik taallessen gaf. Je vraagt eigenlijk van de cursisten om hun oude taal af te staan en een nieuwe aan te nemen. Het kan mensen opleveren die als het ware verkruimelen. Er was een ouder artsenechtpaar uit de Oekraïne. Allebei even intelligent. De vrouw leerde de nieuwe taal vlot. De man had een fysieke weerstand om zich in die taal weer op te bouwen. Op een gegeven moment stopte hij er eenvoudigweg mee. In al mijn werk is taal belangrijk geweest, maar in dit boek is het nog belangrijker, bijna fysiek.

In het begin van het gesprek zei u dat dit boek de weg opent naar andersoortig werk.
Ik weet nog niet precies waar het toe leidt. Natuurlijk betekent dit boek, waarvan de basis jaren geleden in mijn eigen leven is gelegd, dat ik mezelf bevrijd van het keurslijf waarin ik was vast komen te zitten, dat van de auteur die verhalen over haar eigen familie vertelt, van iemand die nooit ergens geweest is en altijd het intieme zoekt. Maar die bevrijding kan gemakkelijk ontaarden in een soort bewijsdrang, kijk mij eens spannende en geestverruimende dingen doen, alsof de mens die benepen is in zijn aard, dat niet overal is. In die zin is Manja een soort afrekening. Niet met de totale vernietiging en daarna de nieuwe mens die uit as verrijst. Neen, de oude, uit de as, en gewoon voort en voort. In De spelers worden mijns inziens drie verhalen verteld: dat van een schrijver die alles onderwerpt aan het vertellen, dat van een liefdesrelatie, dat van de vernietiging van ‘ikken’, hier, daar, en vooral het meer westerse ik, in de vorm van Manja. Ik vrees soms dat ik door de toon en de stijl wel eens gezien word als iemand die haar materiaal niet beheerst, en dat door de overeenkomsten met het biografische de vertekening en vervorming die ertoe doen niet of minder goed worden opgepikt, maar dat gebeurt en daar moet je als schrijver mee leven.

Waar bent u nu mee bezig?
Ik werk aan een nieuwe verhalenbundel, The Sweetness of Violence. Ik gebruik altijd Engelse werktitels. Daarin doe ik onderzoek naar de intimiteit van geweld in alle vormen. Tussen man en vrouw en ouders en kinderen. Daar wil ik dichtbij komen. Ik wil begrijpen wat de zoetheid daarvan is. Als ik nog een keer zomaar een gek boek mocht maken, dan ging ik met een architect al die nieuwe bouwsels af. De benedenverdieping een koele supermarkt, op de eerste etage een ranch, een complete blokhut, een volgende etage met Romeinse zuilen, daarboven weer Japanse pagoden met barokke elementen. Zijn zulke gevels wansmaak? Het is eerder een zoektocht. Waarom doet bijna iedereen het en wat wil men uitdrukken?

Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)