Interview met Margot Vanderstraeten
‘Het is raar hoe elke stilte een eigen klank heeft’
Door Fleur Speet (9 juli 2009)


Het woord ‘champignon’ komt in heel het gesprek niet een keer voor, maar toch draait het allemaal om een champignonkwekerij in Vlaams Limburg, om een mergelgroeve die instort, in de nieuwe roman van Margot Vanderstraeten, Mise en place. Het is haar derde boek en hoewel in ieder van haar romans een fascinatie voor eten voorkomt, speelde de gastronomie niet eerder zo’n grote rol. In Mise en place staan we middenin een hectische driesterrenkeuken wanneer de hoofdpersoon, eigenaar en chef van het restaurant, op een maandagmiddag vol moeilijke bestelbonnen te horen krijgt dat zijn lievelingszus Louise is overleden. Hij zakt in elkaar. En gelukkig draait zijn keuken zo goed dat zijn souschef het zonder blikken of blozen overneemt, zodat alle gerechten perfect de zaal in gaan. Perfectie, daar streeft de 62-jarige chefkok Victor Werner naar, en aan het einde van de roman blijkt waar hij zijn ijzeren discipline en wilskracht vandaan heeft gehaald. Zijn vader overleed bij de ramp in de mergelgroeve. Uit schuldgevoel over zijn aandeel hierin probeerde hij een leven lang te vergeten.

Waarom nu een chefkok als hoofdpersoon?
‘Eten, samen eten is een liefde die diep in mij zit. Die liefde komt er onbewust altijd uit. Een chefkok als hoofdpersoon zat er daarom aan te komen. Ook omdat ik, binnen de journalistiek die ik bedrijf, regelmatig culinaire reportages heb gemaakt. Ik interviewde vele chefs, in binnen- en buitenland, voor grote stukken. Dan leer je veel. Een chef interviewen is behoorlijk lastig: die praat niet met woorden maar met smaken en texturen. Je moet je luisterbereidheid daarop afstemmen, je moet je inleven in zijn wereld. Daarnaast bezocht ik talloze voedselproducenten. Van aspergekwekers tot industriële bedrijven als Kraft, van olijfoliemakers tot zoutplukkers. Zoals Victor altijd in termen van eten denkt, kan ik daardoor ook zo denken. Ik heb bijvoorbeeld een vreselijk slecht oriëntatievermogen, maar noem mij de naam van een restaurant en ik rijd er vreemd genoeg haast blindelings naartoe.’

Hoe gaat het schrijven van een roman voor u in zijn werk? Wat was het moeilijkste?
‘Schrijven is een merkwaardig proces. Bij mij verloopt het zeer organisch: ik heb geen enkel plan, ik weet zelfs niet waar en hoe mijn verhaal zal eindigen, dat wijst zichzelf wel uit als ik aan het schrijven ben. Mise en place is een roman met meerdere lagen. Net zoals het mergel meerdere lagen heeft. Die lagen zijn geleidelijk aan ontstaan. Zoals bij mergel. Personages groeien, zij maken het me onderweg wel duidelijk. Zo denk ik dat de doofstomme Louise de stilte versterkt en haar geheim verzwaart. Ik beschrijf ook de inhoud van vele stiltes. Het is raar hoe elke stilte een eigen klank heeft. De stilte tussen een uitgeblust echtpaar klinkt volledig verschillend van een stilte tussen twee geliefden, de stilte tijdens een huwelijksplechtigheid heeft een andere invulling dan de stilte tijdens een begrafenis. Daarin schuilt iets mystieks, vind ik. Als er niets is, hoe kan dat niets er dan telkens zo anders bijliggen?

Ik denk ook dat er een maatschappelijke neiging bestaat om mensen met een handicap sneller te vergoelijken. De samenleving heeft de neiging om gehandicapten een zachtaardiger karakter toe te dichten. In die houding schuilt een soort medelijden, het gebrek van een gehandicapte wordt gecompenseerd met een vorm van maatschappelijke betutteling. Alsof wij gezonde mensen ons schuldig voelen voor de gehandicapte medemens. Ik oordeel hier niet over, maar ik wilde deze houding met mijn keuze voor Louise wel op de helling zetten. De lezer gelooft in de goedheid van Louise. Net als Victor in haar gelooft. Uiteindelijk blijkt de ingetogen, gesloten Louise helemaal niet zo goedaardig te zijn als iedereen wel dacht.

Als ik schrijf, zit ik dicht op de huid van mijn personages. Schrijvend zit ik in hen. Soms voel ik hun adem, letterlijk. Dan ga ik, terwijl ik schrijf, zo snel denken en tikken, dan beginnen ze in mijn binnenste zo heftig stennis te maken, dat ik begin te hyperventileren. Dan moet ik zeggen: kom Margot, rustig aan, diep ademhalen. (lacht)

Het moeilijkste was: de getuigenissen van de mensen van de Roosburgramp weer loslaten, en er fictief mee aan de slag gaan. Ik snuffelde in krantenarchieven, deed over de ramp van 1958 talloze opzoekingen, hoe de mensen toen leefden, welk merk sigaretten ze rookten, hoe de cinema’s er uitzagen. Ik had meer dan een jaar nodig om afstand te nemen van het relaas van de geïnterviewden. Mijn journalistieke deontologie zat in de weg: het is voor het eerst dat ik van non-fictie fictie maak. Als journalist voelt dat raar. In Mise en place heb ik de eigenaar van de groeve onrechtstreeks verantwoordelijk gemaakt voor de instorting, wat in werkelijkheid bijvoorbeeld niet zo was. Maar toen ik eenmaal de knop had omgedraaid, was ik vertrokken. Toen werd ik, dat herinner ik me levendig, blijer met elke zin die ik schreef.’

De roman gaat over overleven, Victor doet dat in zijn keuken. De groeven in zijn gezicht zijn ondertussen dieper dan die van zijn vader ooit geweest zijn.
‘Het is raar wanneer je als zoon ouder wordt dan je vader ooit is geweest. Dat lijkt bijna absurd, er lijkt iets niet te kloppen, het hoort niet zo te zijn. Alsof er ergens iets is fout gegaan. Uiteraard borrelt er bij Victor ook een latent schuldgevoel op. Dat hij zich zo op zijn keuken heeft toegespitst, is zijn manier om te vergeten. Het is ook zijn manier om een en ander te proberen goed te maken. Hij wil de pijn van het leven niet voelen. Hij weet dat die pijn er is, maar door zo volop voor zijn keuken, zijn drie sterren, te gaan, leidt hij zichzelf af. Het is bijna een lichte vorm van zelfkastijding, en bij hem werkt die tamelijk bevrijdend.

Ik houd ontzettend veel van Victor. Ik houd van zijn strijd met zichzelf en met de wereld. Zeker als hij, als puber, zo’n straatvechter wordt: dan geeft hij blijk van diepe menselijkheid, van niet kunnen omgaan met het gewicht dat hij met zich meedraagt; de verantwoordelijkheid voor de dood van zijn vader. Hij mist zijn vader, het warme nest, hij weet zich geen blijf met het verdriet van zijn moeder. Ik begrijp hem zeer goed. Hoe hij klappen wil om de pijn niet te voelen. Ja, dat is een vorm van automutilatie.’

Er is heel wat voor nodig om hem naar het verleden te laten kijken.
‘Inderdaad, Victor haalt zijn herinneringen niet vanzelf op. Het overlijden van zijn zusje dwingt hem daartoe. Hij krijgt de herinneringen aangereikt in de vorm van albums met foto’s en met aantekeningen. Die albums brengen hem aan het wankelen. Hij beseft dat zijn waarheid, zijn geheugen, niet hetzelfde is als die van zijn zus. Hij voelt enige nattigheid. Omdat de dood van zijn zus zo acuut is, dringt dat naar de voorgrond. Maar na de begrafenis zal het heus gaan schuren in zijn hoofd en hart.

Ik denk dat zoals Victor zegt herinneringen de ingrediënten van ons geheugen zijn en dat we die inderdaad naar eigen smaak en voorkeur kunnen husselen, accentueren, verdoezelen, verstoppen, enzovoort. Iedereen wil zijn wie hij denkt dat hij of zij is. En dus worden er smaakversterkers, kleurstoffen en andere additieven aan het verleden toegevoegd. Bewust en onbewust. Op den duur gaan mensen in hun eigen geheugen geloven. Het is moeilijk om dat gekleurde beeld van het verleden recht te zetten.

Het collectieve geheugen verschilt niet zoveel van het individuele: het wordt net zo gekruid, naar de smaak van de politieke leiders. Kijk naar de geschiedenislessen. Waar worden de accenten gelegd? Wat wordt verzwegen? Over wat onze koning Leopold in Congo allemaal uitgestoken heeft, hoor je niets. Hetzelfde zal gelden voor de kolonies van Nederland. In Nederland wordt Anne Frank op handen gedragen, maar dat zij door diezelfde Nederlanders is verraden, wordt haast doodgezwegen. In Mise en place probeer ik ook de werking van het collectieve geheugen te hekelen. Uiteindelijk ligt de helderheid en waarachtigheid die ik zoek bij de kritische ingesteldheid van de mens. Ik houd van kritische mensen. Van mensen die hun eigen denkvermogen zo onafhankelijk mogelijk hebben ontwikkeld. De kritische mens is een zeldzame mensensoort, indoctrinatie ligt altijd op de loer. Daarom is het einde van de roman open, ik wil graag dat er blijvend over nagedacht wordt. Ik wil twijfels loswekken. Niet vrijblijvend, maar omdat ze relevant zijn.’
Margot Vanderstraeten met Vic van de Reijt en Anthony Mertens
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)