Interview met Mariët Meester
‘Ik heb de mens in zijn meest naakte gedaante gezien’
Door door Annemiek Neefjes (30 juni 2006)


Ze draagt elegante, zwarte hakschoenen en heeft een zachtroze, kek schoudertasje bij zich. Een appeltaartje, ja hoor, dat wil ze graag. ‘Heerlijk,’ zegt ze, ‘een stad als Amsterdam. Al die góddelijke winkels hier, daar kan ik enorm van genieten. Al koop ik niet zo gemakkelijk iets.’ Schrijfster Mariët Meester leefde gedurende vijftien jaar maanden achtereen in de meest barre omstandigheden in Roemenië. Niks geen fraaie, schone kleding, niks geen taartjes. Samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig, zocht ze er Roma op, zigeuners, en leefde met ze samen.

In haar pas verschenen boek Sla een spijker in mijn hart beschrijft ze hoe ze er slaapt op bedden met mensenvlooien (‘de jeuk is bijna ondraaglijk’), hoe ze de vliegen van haar brood moet slaan, hoe ze met geen mes te snijden oud kippenvlees krijgt opgediend. ‘Het vieste dat ik voorgeschoteld heb gekregen waren de eierstokken van een kip. Ze waren bedoeld als lekkernij, maar ik heb ze geweigerd.’

Gewoon, nieuwsgierigheid
Hoe houd je het uit in zulke barre omstandigheden? Meester haalt haar schouders op. ‘Gewoon, nieuwsgierigheid. En ik wist: ik kan altijd weer terug naar mijn eigen huis hier in Amsterdam. Bij mij thuis is het ontzettend netjes: alle muren wit, nergens troep. Misschien ben ik wel door Jaap in al die viezigheid beland: hij heeft mij laten kennismaken met een bepaalde manier van leven, met afval, kadavers, stront.’

Het was kerst 1989. Samen met De Ruig zag Meester op de televisie hoe het dictatoriale echtpaar Ceausescu werd geëxecuteerd. Kort erop las ze in een tijdschrift dat er in Roemenië maar liefst twee miljoen Roma leefden, bijna een tiende deel van de bevolking. Meester was in die tijd al geïnteresseerd in zigeuners. Ze had zelfs met haar partner een jaar lang met een zelfgebouwd woonwagentje (‘een tuinslang als bit voor het paard’) door Frankrijk getrokken. Ze vroeg zich af: hoe hebben Roma het onder Ceausescu gered? ‘Het leek me schitterend om vanuit die vraag een roman te schrijven.’

Op de bonnefooi gingen de twee naar het Oost-Europese land, slechts drie uur vliegen van hier. Na een maand keerden ze naar huis terug om Roemeens te leren; in 1991 vlogen ze er opnieuw heen. ‘Er was in die periode nog zo goed als niets over de Roma daar bekend. Ceausescu beweerde tijdens zijn bewind zelfs dat er in zijn land helemaal geen zigeuners woonden. De vooroordelen van Roemeense vrienden over Roma waren schokkend. Al onze kennis hebben we via Roma zelf vergaard.’

Meester besloot al snel dat ze haar ervaringen niet in een roman zou omzetten. ‘Ik hoefde aan wat ik zag en hoorde niets toe te voegen. Sterker nog, veel situaties zouden in een roman volstrekt ongeloofwaardig overkomen.’ Al in haar reisboeken De stilte voor het vuur (1992) en De verdwaalde nomade (2000) schreef Meester over Roemeense Roma. Sommige hoofdstukken hieruit heeft ze voor haar nieuwste boek bewerkt. ‘Vanaf het begin heeft niet de armoede me het meest bezig gehouden, maar wat armoede met mensen kan doen,’ zegt ze. ‘Hoe mensen elkaar dan kunnen belazeren, hoe opportunisme zijn kans krijgt. Ik heb de mens daar in zijn meest naakte gedaante gezien; ik heb er een ongelooflijk inzicht gekregen in de krochten van de menselijke ziel. Hoe lang houd je menselijke waardigheid vol: die vraag is ontsproten aan mijn ervaringen daar, en staat centraal in al mijn werk, ook in mijn romans zoals Bokkezang.’

Met gevoel voor het absurde
Ze vertelt hoe in het huis van een overledene, met het lijk nog in de kamer, mensen de kleren uit de kasten graaiden en meenamen. ‘Echt verschrikkelijk.’ Ze is harder geworden, zegt ze zelf, door haar ervaringen daar. ‘We gingen ernaartoe met een romantisch beeld in ons hoofd, we dachten: zigeuners trekken rond, het is een vrij volk, o wat geweldig. Maar ze trekken er niet rond, ze leven in krakkemikkige, van leem en hout gemaakte huisjes, vaak geïsoleerd van de wereld. Ik weet inmiddels dat niets zo slecht is als het sturen van hulpgoederen naar deze dorpen; de mensen worden er alleen maar afhankelijk van.’

Sla een spijker in mijn hart is gedetailleerd observerend en met gevoel voor het absurde geschreven. Een enkele keer verwoordt Meester onverholen haar woede, haar onmacht soms ook, bijvoorbeeld als het om de drukke kinderhandel gaat met westerlingen in de stad Sibiu. Omdat het boek vijftien jaar beslaat, valt ook te volgen hoe er vriendschappen ontstaan tussen Roma en het Nederlandse stel. ‘Roma zijn niet meer weg te denken uit ons leven,’ zegt Meester. ‘We voelen ons van sommigen familie; en zij zien ons ook zo. Herinner je je de oude Mamaia uit het boek? Ik kan haar soms enorm missen. Nooit wil ze wat van me, ze verwacht alleen maar dat ik haar eten eet; ik ben gewoon een van haar ganzen. Als ik op het stoepje voor haar huis zit, ben ik volmaakt gelukkig. Schrijf je dit wel in de tegenwoordige tijd? Ik kom nog regelmatig bij haar.’
Idealiseert ze dat leven daar op zo’n moment niet? ‘Je moet niet denken,’ zegt ze, ‘dat die mensen de hele dag ongelukkig zitten te zijn. Als je uitzicht hebt op prachtige heuvels, als je het zuiverste bronwater kunt drinken, als je zelf je dak kunt repareren en op het stoepje voor je eigen huis kunt zitten, dan kan ik me voorstellen dat ze dat een gevoel van geluk geeft.’

Een zelf benoemde pleegzoon
Vanuit hun betrokkenheid richtten Meester en De Ruig in de jaren negentig stichting RomRom Nederland op. Bij vrienden en familie haalden ze geld op om initiatieven mee te financieren van Roemeense Roma zelf. Later kreeg de stichting geld van Mensen in Nood. In haar boek beschrijft Meester hoe ze bijvoorbeeld Ion Vasile steunden, die in zijn eigen huiskamer in het stadje Caracal een klas begon voor kinderen die de gewone school hadden gemist. Maar na een tijdje zetten ze hun financiële steun stop. Meester: ‘Het was nooit helemaal duidelijk of hij onze gelden wel in het schooltje stopte. Hij had geen boekhouding. Gelukkig kreeg de school vanaf het moment dat wij afhaakten wel geld van de staat. Achteraf gezien zijn we misschien wat te Hollands, te zeikerig geweest. Toen we vorig jaar werden uitgenodigd om het vijftienjarig bestaan van de school mee te vieren, begrepen we dat hij al die jaren had doorgezet. Terwijl hij niet eens iedere dag geld voor eten had, kocht hij wel pennen en papier voor zijn leerlingen. Zo’n achthonderd kinderen hebben inmiddels les van hem gehad. Dat geeft een enorme kick! Hij is een Rom die ondanks alles zijn waardigheid heeft kunnen behouden.’

In het boek figureert nog een andere persoon die een rol is gaan spelen in het leven van Meester en De Ruig: David. Meester beschrijft in haar boek met inleving de diepe frustraties van de drieëntwintigjarige jongen. Hij haat zijn alcoholische ouders, het gore dorp waar hij woont, zijn uitzichtloze toekomst. Dagelijks moet hij naar de stad om er langs de kant van de snelweg zelfgemaakte blikken trechters te verkopen. David ziet de twee Hollanders als zijn vader en moeder; zij zijn het met wie hij zich verwant voelt. Aan het slot van het boek citeert Meester De Ruig: ‘Hij is een kennis, anders wordt het me te beklemmend.’ Maar het loopt anders. Meester: ‘David is de zelf benoemde pleegzoon die nu door ons wordt geholpen om alsnog zijn school af te maken, zodat hij daarna eventueel naar de universiteit kan. We betalen een deel van zijn leefgeld en een deel moet hij zelf verdienen. Denk maar niet dat we álles voor hem betalen.’

Toen Meester voor het eerst bij Roma aanklopte en vertelde dat ze een boek over hen wilde schrijven, was hun reactie: ‘Over ons? Maar wij zijn toch slecht?’ Nu zou geen Rom dat nog zeggen, weet ze. ‘Hun zelfbewustzijn is de afgelopen paar jaar enorm gegroeid. Ze maken nu zelf films en boeken over Roma. Hoewel er nog altijd schrijnende armoede onder Roma heerst, heeft de Roemeense politiek inmiddels serieuze aandacht voor ze. Op ieder gemeentehuis komt een Rom als intermediair, op universiteiten bestaat sinds een tijdje een voorkeursbeleid voor ze.’

De grootste etnische minderheid in de EU
Meester is ervan overtuigd dat toetreding tot de EU (januari volgend jaar) gunstig zal zijn voor Roma. Toch voelt ze ook scepsis. ‘Ik hoor geen politicus over Roma praten, terwijl zij straks wel – als ook Bulgarije lid is van de EU – de grootste etnische minderheid zijn in de EU. Het is toch raar dat dit geen onderwerp is? Sommige Roma hebben overigens na de val van het regime het leven makkelijker opgepakt dan andere Roemenen. Succesvolle Roma laten hun nieuw verworven rijkdom graag zien, op een protserige manier. Ze bouwen huizen die in grootte eerder iets hebben van een conferentieoord. Roemenen zeggen: “Zie je wel, al die rijkdom, het zíjn schurken!” Die stigmatisering blijft voorlopig een probleem.’

Meester zet haar hoofd de komende maanden ‘op de sluimerstand’. Daarna wil ze weer aan een roman beginnen, die ze grotendeels zal schrijven in haar woonwagen bij Breukelen, met uitzicht op de weilanden. Het schrijven van non-fictie is prettig, zegt ze, de feiten heb je al, met een roman moet je helemaal de diepte van je zelf in. ‘Als je al wat langer schrijft, word je technisch beter,´ zegt ze. ‘Dat heeft als gevaar dat het schrijven je te vlotjes afgaat, dat het risicoloos wordt. Terwijl ik me als schrijver juist kwetsbaar wil opstellen. Zoals ik ook probeer te leven: ongewapend. Niet dat ik onverantwoorde risico’s neem hoor, ik heb wel realiteitszin. Maar ik kies niet voor gemak.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)
Interview met Peter Abelsen Door Guus Bauer (28-08-2018)
Interview met Gunnhild Øyehaug Door Guus Bauer (06-08-2018)
Interview met Marek Šindelka Door Guus Bauer (13-06-2018)
Interview met Sara Baume Door Guus Bauer (15-05-2018)