Interview met Mathijs Deen
‘Als je wilt dat iemand onthoudt wat je zegt, moet je veel zwijgen’
Door Guus Bauer (18 juli 2016)
De aardappelboer Jan en Wil, de vrouw die hij in Onder de mensen via een contactadvertentie leert kennen, zijn juist geen mensen die graag onder de mensen komen. Jan woont alleen op een afgelegen boerderij, ergens in het noorden van het land. De slogan van de provincie Groningen gaat volledig op voor zijn woonstee. Er gaat letterlijk niets boven de boerderij, behalve de dijk die beschermt tegen de oprukkende zee. En het is juist die zee waar Wil naar op zoek is. De zee die in de vorm van een poster in haar meisjeskamer vroeger ook al een rustpunt was.

Kort nadat Jan het bedrijf van zijn ouders had overgenomen, waren zij in het dorp gaan wonen. Op een vakantiereisje naar Oostenrijk raakten ze van de weg, belandden in een meer en verdronken. Moeder had nog wel voordat ze weg ging, voor Jan twee vrieskisten volgepropt met zelfgemaakte soepen en stamppotten waarop hij zeker anderhalf jaar kan teren. Op een contactadvertentie krijgt hij vier brieven, naar later zal blijken allemaal van dezelfde vrouw, die naar believen dus elke identiteit aan wil nemen om naar een plek te kunnen vluchten die overzichtelijk voor haar is. Deze ‘Wil’ komt op bezoek…

Aangepaste versie
‘Ik heb Onder de mensen twintig jaar geleden geschreven toen de relatie met mijn huidige vrouw nog pril was. Het is toen gepubliceerd onder de titel Moeder doen. Zij hield toen niet zo van het boek omdat ze zich afvroeg of ik wel kon deugen als ik zo over de liefde schreef. De achtergrond van de vrouwelijke protagonist Wil vond ze niet kloppen met haar latere handelen. Met die ogen heb ik het onlangs herlezen, en zag toen ook dat ik die breuk moest herstellen. Onder de mensen is daardoor wel echt een aangepaste versie. Wat de achtergrond van Wil betreft, had ik me er te makkelijk vanaf gemaakt, terwijl zij misschien wel het interessantste personage is, de meest doortastende in elk geval.

Jan is naar mijn idee een man helemaal uitgekleed tot de essentie. De keuze voor de afgelegen boerderij is passend omdat het de mogelijkheid schept van eenheid van plek en handeling. Alles is duidelijk, je kunt er als personage én als schrijver niet aan ontsnappen. Je kunt wat er gebeurt niet aan iets anders wijten dan aan het leven zelf, aan Jan en Wil zelf. Het is geschreven in een periode dat ik vrij eenvoudig toegang had tot de thematiek. Een relatie die verbroken was, een nieuwe liefde. Het is een constructie achteraf, maar ik denk dat het boek ook een poging is geweest om de boel voor mijzelf even helder te stellen. En ik wilde twee mensen portretteren die denkelijk allebei wel een onderdeel van mijzelf zijn, die ondanks hun verschillen overeind blijven met behoud van hun eigen identiteit, van hun waarde.

Taallandschap
Ik heb geprobeerd om dat vorm te geven in een hele kale, heldere stijl, in de geest van de door mij bewonderde A. Alberts, in de geest van de Nederlandse traditie van begin vorige eeuw, Nescio, Elsschot. Over mijn non-fictie boek De Wadden is wel gezegd dat het te bloemrijk is, maar de enigszins mythische toon daar heb ik bij volle bewustzijn toegepast, om een wereld te scheppen die zich buiten de werkelijkheid van het zakelijke platteland bevindt. Het is net als de roman een taallandschap, maar dan in een andere wereld die om een andere toon vraagt.

Onder de mensen is ontdaan van alle versierselen. Het draait om vorm en taal, een taal die net als mijn personages stand moet zien te houden. Je vertelt niet alleen een verhaal, maar bouwt ook een omheining waarbinnen de lezer zich veilig kan voelen, waar de ruimte is om te ervaren, te voelen. In mijn verhalenbundel Brutus heeft honger heb ik ook gewerkt met een zeer sterk vormvoorschrift, waarbij juist de kern waarom het gaat in al de verhaaltjes is weggelaten. Je geeft een aanleiding aan de lezer om het zelf te vervolmaken met de tuin die je hebt aangelegd. De beperking, in dit geval een maximum van driehonderd woorden per stuk, neemt een zorg weg. Ik kan me volledig richten op iets dat me raakt, ontbreekt of verloren is.

Putten uit eigen verleden
Je moet ook leren vertrouwen op wat echt van jou is. Je bewijst jezelf een dienst als je in het reine komt met waar je vandaan komt, wat je heeft gemaakt. Vooral om Jan te maken heb ik kunnen putten uit mijn eigen verleden. Hoe hij over eten praat, de moeder die een bepaalde visie heeft op hoe je moet koken, de manier waarop er met visite wordt omgegaan – een fles wijn en een mooi stukje wc-papier en wanneer het bezoek weg is, terug naar het gewone leven. Daar zit gastvrijheid in, maar tegelijkertijd ook iets van afstoten. Dat hoort bij ons, bij de laatste naoorlogse generatie. Scènes die te maken hebben met eenvoud, met geborgenheid, met gezamenlijkheid, met traditie terwijl de buitenwereld verandert. Jan blijft daardoor overeind. Er is niets mis met hem. Hij is bewust van zijn achtergrond en heeft er vrede mee.

Dat is mijn bron, daar heb ik het willen vinden. Het vergemakkelijkt het schrijven, je hoeft niet te “lenen”, niet echt iets te verzinnen. De zinnen die je schrijft zijn stuk voor stuk waar, waarachtig. Het is een soort stresstest voor de schrijver en de personages. Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig tijdens de tweede feministische golf, waarbij je als man in het algemeen onder verdenking stond. Ik kan daar nu met heel veel mildheid op terugkijken, maar als jongeling denk je dat het allemaal waar is, dat het klopt, en dat je dus ten diepste niet deugt. Jan en Wil komen beiden niet graag onder de mensen, maar ze blijven overeind, elk op zich met hun eigen achtergrond.

Tussen twee werelden
Ik wilde zaken beschrijven die puur zijn, eerlijk, waar je op kunt vertrouwen omdat je die hebt meegekregen, maar dan wel gebracht in een situatie waarin ik nog niet eerder durfde te gaan. Alleen bijvoorbeeld al dat zinnetje van Wil: we gaan het drie keer doen. Een verregaand contract in een gecontroleerde, bezwerende poging de liefde te vinden. Angst en controle zijn nu eenmaal elkaars buren. Ze is vastbesloten de relatie dit keer te laten slagen. Het moet lukken, koste wat kost. En ook met Jan. Ze neemt direct de touwtjes fiks in handen door het ingevroren eten uit de vriezers in zee te kiepen. Dat is voor Jan natuurlijk op elk niveau onverteerbaar. Het is het eten dat door zijn overleden moeder in de traditie is gemaakt. En eten gooi je niet weg. Wil heeft hem ermee willen bevrijden en tegelijkertijd haar eigen positie ten opzichte van de moeder van Jan willen versterken.

Wil blijft volharden in haar voorbehoud, ze geeft Jan uiteindelijk nog een trap door toe te geven dat ze inderdaad zwanger is, omdat ze te laat was om het te laten weghalen. Het happy end voltrekt zich eigenlijk tegen wil en dank. Wil is de dijk opgelopen, de dijk die een duidelijke scheidslijn is tussen twee werelden. Maar zij breekt met de traditie van de vrouwen van buiten die gek worden of zelfmoord plegen. Het was mij volstrekt duidelijk dat ze terug moest naar Jan. Dat komt door mijn achtergrond. Je kan iemand niet in de steek laten terwijl ik, toen ik het verhaal schreef, vlak na mijn scheiding, probeerde in het reine te komen met het idee dat ik dat in mijn eigen leven toch gedaan had. Op het moment dat het kind gekomen is, is het verschil tussen de twee werelden enigszins weggevallen, maar er blijft ergens voorbehoud sluimeren.

Ingesleten patronen
Het einde is misschien wel voorspelbaar, maar daarom niet minder krachtig. Je zou kunnen opperen dat je dat niet moest doen vanwege het cliché , maar dat is toch waar het allemaal om draait. Het zijn niet voor niets ingesleten patronen geworden. Het zet mijzelf ook terug in de tijd. Van de drie boeken zit Onder de mensen mij het dichtst op de huid. De vorm heeft me daarbij geholpen. Wanneer je het kaal houdt, kun je beter horen, zien en voelen wat er gebeurt. Mijn vader zei niet zo veel, maar wat hij zei bleef hangen. Als je wilt dat iemand onthoudt wat je zegt, moet je veel zwijgen. Dan zitten de trouvailles in de taal je niet in de weg, maar sta je onbeschermd oog in oog met de gebeurtenissen. Dan vertoont de taal zich in al zijn naaktheid.

Ik vind het in het algemeen al heel lastig om te achterhalen wat ik precies denk, en dus ook over een door mij geschreven boek. Formuleren is dan zoeken, vertrouwen dat er iets komt dat hout snijdt. Ik ben altijd benieuwd wat er uit mijn mond komt, heb omdat ik maar zelden in gesprek ben over teksten van mijzelf geen voorgekookt praatje. Ik reageer ook nooit op recensies of commentaren, voel me daarin erg kwetsbaar, bekeken, betrapt. Alleen toen er in de bespreking in Het Parool over Onder de mensen werd opgemerkt dat het al eerder was gedaan door Gerbrand Bakker en dat het tevens voortborduurde op het tv-programma Boer zoekt vrouw, heb ik een tweet gestuurd – wist niet eens goed hoe dat werkte – met de melding dat het origineel twintig jaar geleden is geschreven. Ik kreeg, en dat siert de recensent, een verontschuldiging. De uitgever stelde toen voor mij te interviewen. Maar zover is de krant niet gegaan…’

Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)