Interview met Menno Lievers
De geheimzinnige dimensie in een roman
Door Fleur Speet (10 februari 2010)


Een van de artsen in de debuutroman van Menno Lievers stelt dat je patiënten vanuit je luie stoel zou kunnen behandelen: ‘om die sloebers een recept voor te schrijven hoefde je ze niet te zien’. En hij is de enige niet met boude, baldadige uitspraken. In De val van Hippocrates wordt de jonge afgestudeerde Erik Liefco omringd door grappenmakers en cynici. Hij werkt als arts-assistent in een groot ziekenhuis en probeert zonder succes een opleidingsplaats te bemachtigen om specialist te worden. Hij behoort tot de verloren generatie. In de tweede helft van 1989, de tijd waarin de roman speelt, waren de schaarse opleidingsplaatsen in ziekenhuizen vergeven en liep een hele generatie afgestudeerden vast.

Toevallig precies in de periode dat Liefco als basisarts bij de verschillende afdelingen werkt – op de vijftiende verdieping bij de ten dode opgeschreven patiënten, assisterend bij operaties en bij gynaecologie - overlijden wel heel veel mensen. Met de ethiek wordt het in de geneeskunde eigenlijk niet zo nauw genomen, zo blijkt, en Liefco lijkt de enige oprechte, ‘lieve’ arts. Maar wel een die ondanks zijn relatie met zijn vriendin geen weerstand kan bieden aan de verlokkingen van verpleegsters en hoeren. Als Liefco uit zenuwen diep in zijn duim prikt na het afnemen van bloed bij een aids-patiënt, gaat het verhaal van kwaad tot erger.

Lievers, alweer jaren als universitair docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Utrecht, studeerde geneeskunde, vooral omdat zijn grote helden uit de literatuur, Tsjechow en Céline, arts waren en hij de ambitie koesterde om ook te gaan schrijven: ‘Ik had toen de wellicht naïeve gedachte dat een boek over grenservaringen moest gaan, over de dood en over geboorte. Waar kon ik die van dichterbij meemaken dan in de geneeskunde? Toen ik op het gymnasium zat vond ik dat literatuur daar direct, letterlijk, over moest gaan, nu zie ik dat het ook indirect kan.’

In Trouw schreef een recensent over Erik dat hij als Christus begint en als zondaar eindigt.
‘Zo had ik dat nog niet bekeken, maar er zit wel iets in. Vanaf de eerste pagina gaat Erik gebukt onder een zonde waarvan hij zich niet kan verlossen. Hij leeft onder een donkere wolk, die voor een gedeelte van eigen makelij is. Toen hij dertien was en met zijn broer een wandeling in de bergen maakte, viel zijn broer in een ravijn. Uit schuldgevoel - waarom was híj niet doodgegaan - is hij geneeskunde gaan studeren. In de jaren zeventig was er helemaal geen aandacht voor kinderen zoals Erik. Pas later bleek dat zo’n gebeurtenis kan leiden tot een posttraumatische stressstoornis, met heftige nachtmerries, onvermogen echt lief te hebben en een groot gebrek aan zelfvertrouwen Dat zie je ook bij oorlogsveteranen, die vaak vluchten in verslavingen; de daklozencentra in de Verenigde Staten zitten er vol mee. Zo heeft Liefco ook een drankprobleem. Voor een deel is dit verhaal autobiografisch, ik ben ook mijn broer kwijtgeraakt. Maar in deze roman heb ik ook veel literatuur verwerkt, zoals De dokter en het lichte meisje van Simon Vestdijk, Awater van Nijhoff, Malcolm Lowry, Hermans uiteraard. Die tweede betekenishorizon is tot dusver enkel door Mark Cloostermans in zijn recensie in de Standaard der Letteren opgemerkt.’

Erik weet wat hij heeft, maar durft niet in de spiegel te kijken en het te benoemen.
‘Inderdaad. Zo was het voor mij ook. Ik ontweek mijn spiegelbeeld. Kees ’t Hart vertelde een keer dat hij veel moeite had gehad om zijn schroom te overwinnen en dat hij daarom zo laat was gedebuteerd. Dat herken ik heel goed. Toen Gerard Reve was overleden, met wie ik bevriend ben geweest, werd ik door De Bezige Bij gevraagd een bijdrage te leveren aan Het volle leven, een boek met herinneringen. Gerard Reve zei altijd tegen me: je moet over jezelf schrijven, daar moet je niet bang voor zijn. Nu had ik last van het feit dat Gerard Reve ruzie had met zijn broer Karel, ongetwijfeld vanwege mijn eigen verleden. Ik heb daarover nooit rechtstreeks met hem durven praten. Tijdens het broeden op dat stuk kwam het me voor dat ik Gerard het beste kon eren door die schaamte te laten vallen. Mijn redacteur, Suzanne Holtzer, vond dat ik in dit stuk mijn eigen toon had gevonden.

Ik heb toen geprobeerd om de roman waaraan ik al enige jaren bezig was, met diezelfde geesteshouding te schrijven. Het was daarbij de kunst om over mezelf te vertellen zonder dat het een strikt autobiografisch verhaal zou worden. Adri van der Heijden is daarbij een grote inspiratiebron geweest. Ik bewonder enorm hoe hij in De tandeloze tijd een eigentijdse mythe uit persoonlijk materiaal heeft gesmeed. Wat me ook erg steunde waren de vele gesprekken die ik over schrijven voerde met Anthony Mertens. Hij was aanhanger van de liminale poëtica, zoals je die ook bij Roland Barthes aantreft; de roman is een ontdekkingstocht in de ruimte tussen gebeurtenissen, waarvan je de samenhang niet begrijpt maar wel voelt. Als je van tevoren precies weet hoe je verhaal in elkaar steekt, mist de roman die geheimzinnige dimensie.

Natuurlijk had ik wel een plan: ik wilde aanvankelijk Een medische komedie schrijven, met als helleringen steeds verschrikkelijker wordende medische afdelingen. Maar de ringen van Dante waren onvergelijkbaar met de medische specialismen. In het boek van Ton Derksen over Lucia de B. las ik dat deze verpleegster in hetzelfde Haagse ziekenhuis had gewerkt als waar ik co-schappen had gedaan. Ze is beschuldigd van zeven moorden en drie pogingen tot moord. Toen ik daar werkte overleden er eveneens talloze patiënten in mijn nabijheid. Als ze dat zogenaamde statistische bewijs op mij zouden hebben toegepast, was ik ook schuldig bevonden. Het viel me in dat haar de schuld in de schoenen is geschoven door haar collega’s, omdat die gehoord hadden dat ze in de prostitutie gewerkt had. Wat nu als de mannelijke hoofdpersoon ook zo’n stigma krijgt? Hoe zou een patiënt tegenover een arts zitten, van wie hij weet dat die een hoerenloper is? Erik lijkt in eerste instantie onschuldig, maar voor sommige lezers is hij daardoor een onbetrouwbare verteller geworden.

Je kunt een slechte arts zijn maar het goede nastreven?
‘Of andersom, zoals een van de chirurgen een uitmuntend arts is, maar wel naar de hoeren gaat. Artsen die het aardigst overkomen, moeten nogal eens verbergen dat ze weinig kennis hebben. Arrogante artsen kunnen ontdooien bij iemand met serieuze klachten. Zelf ben ik al vijftien jaar uit het vak - de enige patiënt die ik heb ben ikzelf en daar heb ik mijn handen vol aan - maar als ik de verhalen mag geloven, is het inmiddels niet ontzettend veel beter gesteld met de geneeskunde. Nog steeds staan beginnende arts-assistenten op de EHBO omdat zij zoveel mogelijk praktijkervaring moeten opdoen en worden specialisten liever niet in huis geroepen.’

Maar inmiddels weten we heel wat meer over aids.
‘De kennis en techniek zijn enorm toegenomen, zeker. Het lezen van een röntgenfoto gaat nu bijvoorbeeld digitaal, de computer geeft aan waarop je moet letten. In de tijd waarin de roman speelt, eind jaren tachtig, waarde het spookbeeld van Tsjernobyl nog rond. Patiënten wilden geen röntgenfoto laten maken, omdat ze bang waren voor straling. Als je aids kreeg, was je binnen zes maanden dood. Het werd in de ziekenhuiszaal verzwegen wanneer daar een aids-patiënt lag, de angst was enorm. Artsen schoven het prikken door naar het lulletje rozenwater onder hun collega’s, zoals Erik, om het risico van een prikaccident te ontlopen. De burgemeester die de aids-patiënt in de roman een zoen geeft, heeft geen weet van diens ziekte, anders had hij die zoen nooit gegeven. Aids-patiënten werden in die tijd behandeld als melaatsen. Vandaar dat veel mensen niet wilden weten of ze besmet waren, met als gevolg dat hun beleving van de seksualiteit met schuld overladen was. Dit geldt natuurlijk in nog sterkere mate voor mijn hoofdpersoon Erik Liefco, die behaagziek, vol schuldgevoelens jegens zijn moeder, vlucht in de cunningulus om te voorkomen dat hij het virus verspreidt tijdens de seks.’


Foto Klaas Koppe: Adri van der Heijden, André Klukhuhn, Anthony Mertens en Menno Lievers.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)