Interview met Mensje van Keulen
‘De hemel is nu eenmaal lastiger te verbeelden dan de hel’
Door door Annemiek Neefjes (30 januari 2007)


Aan de wanden van haar woonkamer hangen talloze schilderijen van bevriende kunstenaars, zoals van Dirk Wiarda en Willem van Malsen. Mensje van Keulen neemt me mee naar de gang van haar huis in Amsterdam-Zuid, waar het ook vol mooie werken hangt. Ze wijst naar een aquarel met kleine afmetingen. Het is het stilleven dat op het omslag staat van haar nieuwe roman De laatste gasten.

‘Nooit eerder pasten omslag en boek zo perfect bij elkaar,’ zegt Van Keulen tevreden. ‘Toen ik mijn boek voor driekwart af had, ging ik naar de opening van een tentoonstelling, daar zag ik het hangen. Het was het kleinste en mooiste werk. Ik schrok er nogal van, want het kwam dicht bij waar ik op dat moment mee bezig was. Ik zag daar mijn boek, symbolisch, in geschilderde vorm. Aan het einde van de opening bleek mijn vriend het te hebben gekocht. Hoewel hij geen letter van mijn manuscript kende.’

Het werk laat een Delftsblauwe kom zien waarin een half geschilde citroen ligt, of beter gezegd, staat. De schil krult omhoog, tegen de zwaartekracht in, als een wenteltrap het luchtledige in. Het schilmesje naast de kom is een doorsnee keukenmes, dat op de rand van het tafelblad balanceert, met de punt dreigend naar voren gestoken. Het schilderij refereert op een speelse manier aan het zeventiende-eeuwse stilleven.

Ode aan de Hollandse meesters
In Van Keulens roman is kunsthistoricus Emile Waterman idolaat van dit genre. Hij verblijft in de Meihof, een landhuis aan de Amstel, met zeven andere artistieke en intellectuele gasten. Vooral de vrouwen in het gezelschap hangen aan Watermans lippen als hij over zijn geliefde schilders uitwijdt. Van Keulen: ‘Door die ode aan de Hollandse meesters is De laatste gasten een Hollands boek geworden. Dat heeft nog geen criticus opgemerkt. Ik hoop dat de vonk van Waterman op de lezers overslaat. Als ik in het Mauritshuis naar Vermeer kijk, naar Terborgh, naar Gabriël Metsu, dan word ik helemaal stil. Al verwijt een van de andere gasten, de kunstschilder Faan Fagel, Waterman dat hij geen idee van de moderne kunst heeft. Daar heeft Fagel wel gelijk in. Je kunt je beter niet in één periode begraven.’

Een paar jaar nadat ze haar debuut Bleekers zomer had gepubliceerd (1972), kiemde bij Van Keulen al het idee om een roman te schrijven over een landhuis met gasten. Pas drie jaar geleden begon ze eraan. ‘In 1976 heb ik een paar dagen in de Pauwhof in Wassenaar gezeten, tussen kunstenaars en wetenschappers. Ik heb daar toen enkele aantekeningen van het gezelschap gemaakt. Het is moeilijk uit te leggen waarom er pas jaren later een roman uit is voortgekomen. Uiteindelijk heb ik zelfs maar twee kleine notities gebruikt. Toen ik eenmaal was begonnen aan de roman, duurde het een tijdje voordat ik het juiste perspectief vond. Aanvankelijk liet ik het verhaal door Alice Müller vertellen, de gastvrouw, maar dat werkte niet. Opeens, het is werkelijk of ze tevoorschijn kwam springen, was daar Florrie, het weesmeisje uit de Amsterdamse Pijp, dat er als hulp komt werken.’

Het verleden duikt hoe dan ook op
‘Ik zag haar gelijk voor me. Ze heeft een volkomen andere achtergrond dan de gasten: ze heeft een nare jeugd gehad, ze heeft niet gestudeerd. Dat contrast met de gasten werkte goed. Door haar rol van buitenstaander is ze een geschikt verteller, maar ze is ook een belangrijk personage. Ze doorstaat het nodige. Ze wil met haar verleden breken maar dat lukt natuurlijk niet werkelijk. Het verleden duikt hoe dan ook op, ook bij de andere romanfiguren. De demonen komen het huis binnen. Al schrijvend aan de roman voelde ik vaak sterk met Florrie mee. Toen Florries tante Lena stierf, dat vreselijke mens bij wie ze opgroeide, voelde ik een golf van opluchting: eindelijk was ze weg.’

De roman is voor een groot deel opgebouwd rond de gesprekken die tijdens de gezamenlijke maaltijden in de Meihof worden gevoerd. ‘Het was een onuitgesproken regel niet te lang ergens bij stil te staan,’ is ergens te lezen en dus wordt er aanvankelijk op een beschaafde manier over niets wezenlijks geconverseerd. De kalme sfeer waarin iedereen zo uitstekend gedijt moet koste wat het kost behouden blijven.

De dagen dat er in de Meihof geen vuiltje aan de lucht is, vond Van Keulen het lastigst om te schrijven. ‘De hemel is nu eenmaal lastiger te verbeelden dan de hel. Met licht satanisch genoegen begon ik het laagje beschaving van de gasten af te krabben. Het was prettig ze te ontmaskeren. Voor Florrie is de schok groot. Ze ontdekt dat sommige van deze mensen uiteindelijk niet zo anders zijn dan de mensen die ze kent uit haar jeugd. Weer verkeert ze in drijfzand.’

De angst dat wat je dierbaar is ophoudt
Van Keulen heeft een zwartgallige kijk op de wereld, zegt ze zelf, al betekent dat niet dat lichtheid en humor ontbreken. ‘Ik wil wél dat mensen deugen. Maar ik ben - al prik ik geloof ik snel door mensen heen - vaak genoeg geschokt geweest.’ Ze weet nog hoe haar broer en zus reageerden op Olifanten op een web, het autobiografische boek dat ze tien jaar geleden schreef nadat haar moeder overleden was. ‘Ze zeiden: we herkennen wel wat je beschrijft over onze jeugd, maar dat je je dat allemaal zo aantrok! Zij gingen ’s avonds gewoon slapen. Mijn kijk op de werkelijkheid heeft misschien met angst te maken, de angst dat wat je dierbaar is ophoudt. En waar dat dan weer vandaan komt? Dat hoeft niet per se een vader te zijn die wegliep of een hond die weg moest, het kan van alles zijn, dichtbij, in de wereld, ik heb geen idee.’

Is Emile Waterman wel de gerespecteerde kunsthistoricus die hij zegt te zijn? Opereert de zich ondergeschikt opstellende Alice niet met sterk egocentrische motieven? Roddel en achterklap krijgen de overhand in de gesprekken. Argwaan nestelt zich in de hoofden. Van Keulen: ‘Met plezier laat ik in die opgebouwde spanning ook nog een botermes op de grond kletteren. Maar het is niet mijn doel suspense óm de suspense te creëren. Het gaat ook om onzekerheid, het bedrog, het besef dat iets in zijn tegendeel kan verkeren.’

‘Er zijn maar weinig dingen in het leven waar je zeker van kunt zijn, helaas,’ zegt ze. ‘Ik ben een behoorlijk weifelend iemand. Daarom wil ik niet aan een debat deelnemen. Zegt de ene deelnemer zus, dan ben ik het met hem eens, maar zegt de andere vervolgens zo, dan vind ik weer dat hij ook gelijk heeft. Of ik word boos, te boos. Al die uitdrukkingen met “waarheid” erin kun je zo onderuit halen. “Een waarheid als een koe”, nou, de bio-industrie maakt zo’n uitdrukking nogal lachwekkend.’

Kunst als troost
In de roman wordt tegenover alle onzekerheid, tegenover het tijdelijke van de idylle, de kunst geplaatst. ‘De kunst daarentegen maakt zelfs de uitgebeelde vergankelijkheid onsterfelijk,’ poneert Waterman. ‘Kunst is troost,’ zegt Van Keulen stellig. ‘In het leven kan verschrikkelijk veel veranderen, kunst blijft. Als ik twee uur in de bioscoop zit, ontsnap ik twee uur lang aan de werkelijkheid. Ook als een film heel droevig is, kan ik ervan opknappen.’

Na het voltooien van een boek denkt Van Keulen: dit was mijn laatste, ik stop ermee. ‘In de Volkskrant noemden ze mijn boek onlangs De laatste woorden. Nog maar even niet, dacht ik toen, hoe lastig schrijven ook kan zijn. Het is een lang denkproces, je kunt geen zin, geen woord, zómaar opschrijven. Het betekent schrappen schrappen schrappen, tot je het juiste woord op de juiste plaats hebt. Misschien dat schrijven mijn manier is om me tegen de angst te weren, maar het is eenvoudigweg ook zo dat ik een verhaal wil vertellen.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Door Guus Bauer (22-03-2019)
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)