Interview met Michael Cunningham
‘Ik zie ouder worden als een van de gecompliceerde vreugdes van het leven’
Door Fleur Speet (7 december 2010)


Michael Cunningham (1952) schreef met Bij het vallen van de avond een roman over afbladderen en het feit dat we vaak niet zien hoe geweldig het leven is dat we leiden. Peter is een tweederangs galeriehouder in New York. Zijn leventje gaat z’n gangetje, hij is eind veertig, is nog steeds samen met de vrouw met wie hij een dochter kreeg. Die dochter woont inmiddels zelfstandig. Heel gewoontjes allemaal. Maar wanneer het veel jongere broertje van zijn vrouw komt logeren, verandert zijn leven. Hij ziet de jongen onder de douche aan voor een jongere versie van zijn vrouw, raakt door dit beeld geïntrigeerd en is in staat om zijn hele leven om te gooien.

Veel recensenten richten zich in hun kritiek op de verlokking van een mannenlijf voor een heteroman, maar schuilt de essentie van het boek niet eerder in het begin van verval?
Absoluut. Ik denk dat we op een bepaald moment allemaal door deze fase heen moeten. Het is in beginsel een verschrikkelijk nare ervaring om te beseffen dat je ouder wordt. Voor ons allemaal. Maar ik denk niet dat dit een verlies is. Niet voor mij althans, ik weiger er zo over te denken. Ik realiseer me goed dat zeker in Amerika een oneindig grote industrie drijft op deze angst. Die industrie houdt ons voor dat we jong moeten blijven. Als we sierlijk zouden verouderen, zou de botoxindustrie op z’n gat liggen, de antirimpelcrème werd niet verkocht. Nee, ik zie ouder worden als een van de gecompliceerde vreugdes van het leven: te leren wat je hebt geleerd, kinderen te krijgen of ze te kennen en ook aan hen weer dingen te leren. Ik denk dat het belangrijk is om vastberaden te verouderen. Ik ben nu denk ik gelukkiger dan toen ik jonger was. Het voelt meer alsof ik in mezelf pas. Alsof ik ben wie ik voel te zijn. En ik maak me niet meer zo druk. Peter verschilt daarin van mij, hij heeft het moeilijk met ouder worden. Hij jaagt op het verleden en weigert de realiteit te zien.

Er zijn twee kanten aan ouder worden: je wordt wijzer, of hoopt dat te worden, maar de andere kant is dat je jezelf in de spiegel ziet aftakelen: je lijf sterft langzaam af.
Daar wordt het wel serieus. Verouderen hangt samen met sterfelijkheid. Maar toch denk ik dat het onnozel is om je ellendig te voelen over veroudering. Waarom zou je de tweede helft van je leven mistroostig doorbrengen? Het zou een beetje oppervlakkig zijn om er helemaal niet aan te denken, doodgaan is onderdeel van het menselijk bestaan. We weten allemaal waar het leven in uitmondt. Mijn kat heeft geen idee, en dat beestje is heel blijmoedig.

Inderdaad: is geluk niet gebaseerd op het feit dat je geen weet hebt van tijd? John Banville zei onlangs dat als we niet wisten dat we doodgaan, er geen boeken geschreven zouden worden.
Dank je Banville, ik denk dat dit de spijker op z’n kop is. Er zou geen cultuur zijn zonder ons besef van sterfelijkheid. Dit doordringende besef en hoe personages daarmee omgaan is de basis van de meeste boeken die ik bewonder. We moeten leven met de wetenschap dat we doodgaan. En dat is geen klein ding waar je luchthartig over kunt doen. Met luchthartigheid ontken je je eigen bestaan. Soms overvalt me het gevoel van de dood wel eens, dat moment ervoor, dat alles betekenisloos wordt omdat ik weg zal moeten. Maar vaker raak ik gedeprimeerd van de Amerikaanse onderdrukking dat alles altijd oké is. Er waart in Amerika een soort epidemie rond van geforceerde vrolijkheid die ik verafschuw. Niemand wil het over sterfelijkheid hebben, maar het maakt mij gelukkiger om te onderkennen dat het bestaan tijdelijk is. Het is ook des te meer een reden om te koesteren wat we hebben.

Is dit boek een voorbeeld van dat koesteren?
Ja, beslist. Dat is inderdaad het punt van het boek, in zoverre een boek een punt heeft. Peter ervaart dat wat hij had best veel was. En dat hij er beter aan zou doen om echt naar zijn vrouw te kijken, in plaats van zowel haar als zijn dochter te ontkennen. Hij is zo geobsedeerd door zijn eigen bestaan dat hij geen oog meer heeft voor levens die zich afspelen in zijn directe omgeving.

Of verder buiten zijn blikveld. Peter denkt heel even aan iemand die met een machete het leven wordt ontnomen in Darfur terwijl hij comfortabel op zondagochtend in bed ligt met zijn vrouw. Peter komt niet erg betrokken over.
Zoals veel mensen is ook Peter zich bewust van gebeurtenissen in de wereld, maar tegelijk leeft hij zijn eigen leven. Net zoals wij nu dit interview hebben in een schattig theehuisje in Amsterdam. Zouden we niet eigenlijk nú moeten opstaan en hier de deur uit moeten lopen om te zien wat we kunnen doen om de mensen in Afrika te helpen? We hebben een interview, ik heb een verhaal over een boek, dat is interessant voor ons allebei, maar het helpt de mensen in Darfur geen steek verder. Dus ik denk dat ik probeerde om de hulpeloosheid die we allemaal voelen, de absurditeit waarin we allemaal leven, te weerspiegelen. Want wat móet je doen? Neem je een vliegtuig? En dan kom je aan en dan wat? Dan loop je met je armen te zwaaien en roep je: Hallo mensen van Darfur, ik ben hier om jullie te helpen? Peter verschilt niet zoveel van de meesten van ons. Ik wilde hem bewustmaken van het feit dat zijn problemen volledig verdampen in vergelijking met de echte problemen in de wereld, maar zijn eigen problemen blijven voor hem wel heel reëel. Hij moest doorkrijgen hoe verwend we zijn: kijk naar ons, we hebben het zo goed, welke maatstaf je ook hanteert. We leven niet in een sloppenwijk met een gammel dak boven ons hoofd waar de regen doorheen slaat, we zitten in een snoezig theehuisje. Om Peter menselijk te maken, was het nodig Darfur te noemen. Omdat het ons menselijk maakt als we kennis hebben van de wereld. We zouden meer met ons leven moeten doen dan we doen, maar we hebben geen idee hoe dat aan te pakken. <

Waarom doen we het dan niet met minder?
Ik denk dat het makkelijk is om het simpeler leven te romantiseren. De mensen daar, die je ziet op vakantie, zouden bijvoorbeeld maar wat graag een auto en een televisie willen, ze doen er alles voor. Het verlangen naar meer is denk ik niet uitsluitend een westers verlangen. Ik denk wel dat we gebrainwashed worden om meer te willen, en meer, en meer. Maar kapitalisme is zo wijdverspreid geraakt over de wereld, dat niet meer uit te maken is of dat de oorzaak is. Overal heerst een consumentencultuur, noem maar eens een plek waar die cultuur niet domineert. Misschien op de Noordpool. Overal moeten we als mensheid steeds meer willen en steeds jonger zijn. Als je hard genoeg door de buitenlaag heen krabt, draait het allemaal om geld. Je kunt schoonheid, kopen, auto’s, roem. Vrijwel alles is met geld te koop.

In ieder geval boeken. Uw laatste drie romans stoelen op andere auteurs: The Hours verwijst naar Virginia Woolf, Specimen Days naar Walt Whitman en deze roman verwijst lichtjes naar Dood in Venetië van Thomas Mann.
Dat komt omdat ik een boekenwurm ben. Voor mij zijn leven en lezen geen twee verschillende dingen. Lezen is onderdeel van mijn leven en ik leef in de boeken die ik lees. De boeken die me beïnvloed hebben voelen eerder aan als eigen ervaringen waar ik op kan bogen dan op iets van drukinkt en papier. De families, de eerste keer dat iemand verliefd werd, het is onderdeel van mijn biografie en dus is het ook mijn materiaal. Daarbij ben ik erg geïnteresseerd in hoe iedere generatie voortbouwt op wat de generatie voor haar heeft gedaan.

Schrijft u zinnen over?
Beslist, met Woolf deed ik dat zeker, maar ook wel met Mann. Hoe mijn eigen taal vervolgens ontstaat, is een mysterie voor me. Als ik begin merk ik wel meteen hoe de zinnen moeten klinken, of het boem boem boemboem boem boem boem is of meer zoals Schubert, zoals The Hours begon. Dit boek voelt staccato, als jazz. Ik ga ’s morgens naar mijn studio en zet muziek aan. Dat blaast leven in de moleculen van de lucht, het geeft me ook een idee van het ritme voor de dag. Dan zet ik de muziek uit en begin ik. Ik werk op geregelde tijden, tussen 9 en 4. Daarbuiten is het klaar. Ik neem geen pauzes. Ik ben ontzettend gefocust, ik neem de telefoon niet op en beantwoord geen e-mails. Ik werk keihard of niet, dat is het systeem voor mij. Als ik de hele tijd over het schrijven nadenk buiten mijn werkplek, leef ik niet meer in de wereld. Als ik niet werk, wil ik graag openstaan voor wat er op mijn pad komt. Als je constant denkt aan wat je aan het schrijven bent, kijk je door een bepaalde lens naar wat bruikbaar is. Leven is meer dan dat. Bovendien weet je nooit wat bruikbaar is. Onbewust denk ik vast heel de tijd aan het boek, maar pas als ik aan mijn schrijftafel zit is het iets om me mee bezig te houden.


Foto’s
1. Foto Klaas Koppe.
2. Foto Klaas Koppe: Joost Zwagerman en Michael Cunningham. Amsterdam, september 2005.
3. Foto Fleur Speet.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)