Interview met Minka Nijhuis
‘Iemands leven zet je niet op het spel voor je stukje in de krant’
Door Fleur Speet (18 september 2009)


Het gesprek met journaliste Minka Nijhuis begint en eindigt met een verzuchting; de journalistiek verschraalt en wat is dat toch spijtig. Het is geen zeurderig of zuur beklag van Nijhuis, integendeel, ze lacht er meteen vergoelijkend bij. Maar het is wel oprechte teleurstelling en ook bezorgdheid waarom ze het verschrikkelijk vindt dat journalisten hun bronnen niet meer natrekken en zich eerder door scoops en snelheid dan door accuratesse en waarheidsbevinding laten leiden. Haar grootste zorg is dat we een van de grootste verworvenheden van onze democratie te grabbel gooien: de persvrijheid. Het is in deze wereld volgens haar een unicum dat wij hier vrijelijk de macht kunnen controleren.

Nijhuis zag met eigen ogen wat het betekent om dat voorrecht niet te hebben en onder repressie te moeten leven. Ze bezoekt als journalist voor Vrij Nederland en Trouw al meer dan vijftien jaar de mensen die het slachtoffer zijn van oorlogen en dictatuur; ze zoekt de verhalen vlak achter de vuurlinies. Ze ontmoette talloze burgers die proberen hun regime aan de kaak te stellen, maar daarvoor hardhandig afgestraft worden, soms tot de dood erop volgt. Ze bezocht Cambodja, Oost-Timor, Birma, Kosovo, Irak en Afghanistan. Ze gaat geregeld alleen de straat op, het liefst probeert ze zonder legerescorte de menselijke verhalen achter de kille politieke feiten te vinden. Meestal lukt dat.

In Birma, waar ze al sinds 1992 komt, lag dat moeilijker. Terwijl ze in Irak voor haar boek Het huis van Khala (2004, herziene editie 2008) bij een familie inwoonde en zo van binnenuit kon vertellen, kon ze in Birma nooit lang bij mensen op bezoek gaan en al helemaal niet bij ze logeren. Iedereen die een logee herbergt, dient dat te melden aan de autoriteiten. En vaak heeft dat repercussies tot gevolg, zodat bewoners iemand alleen met grote risico’s onderdak kunnen bieden. Dat offer is uiteraard te groot.

Toch volgt ze in haar nieuwste boek, Birma : land van geheimen, in ieder hoofdstuk de mensen die ze ontmoet heeft zo lang mogelijk, meestal tot hun dood. Ze focust op hen die zich hebben verzet tegen de junta die van het land al vierenveertig jaar een dictatuur maakt. Met een populaire mop karakteriseert ze het land bijzonder scherp. Die grap gaat over een Birmees ‘die vanwege zijn kiespijn naar een tandarts in India reist. “Dat kunnen ze in uw land toch ook?” vraagt de tandarts als blijkt dat de kies getrokken moet worden. “Jawel,” zegt de patiënt, “maar daar mogen we onze mond niet opendoen.”’ Vrijwel zonder te oordelen tekent ze op wat ze in de afgelopen zeventien jaar zag, behendig vlecht ze achtergrondinformatie door het verhaal en laat ze de complexiteit van Birma zien.

Nijhuis voerde in Rangoon gesprekken met oppositieleider Suu Kyi, die gevangen zit in haar eigen huis. De prachtig geschreven en persoonlijke verhalenbundel gaat ook over de militante Karen, die strijden voor vrijheid, en over de monniken en studenten die telkens weer opnieuw proberen hun stem te laten horen, vaak door de straat op te gaan. Met langdurige gevangenschap en marteling als reële consequentie. Het effect is zo groot als iemand wordt opgepakt dat honderd anderen het wel uit hun hoofd laten nog iets te ondernemen. Zodra hun naam wordt genoemd belanden zij ook voor vijfendertig jaar achter tralies; de angst is geïnternaliseerd.

Is het het diepste ideaal van een oorlogsjournalist om politieke verandering teweeg te brengen?
‘Misschien, maar die illusie heb ik niet. Het is maar een keer een beetje gelukt dat we invloed hadden als journalisten. Bij de wraakacties door het Indonesische leger omdat Oost-Timorezen in een referendum voor onafhankelijkheid gestemd hadden, zaten we met een handjevol collega’s op een omsingeld VN-terrein en bleven berichten over de situatie en de vluchtelingen die opgejaagd werden. De internationale gemeenschap eiste op basis van de berichtgeving dat Indonesië zich terugtrok en een internationale troepenmacht toeliet. Dat is toen gebeurd.

Toch geloof ik niet – ondanks de verschrikkelijke dictatuur die nu heerst in Birma - dat de macht zonder meer overgedragen kan worden aan de oppositie. De oppositie is zo verdeeld, er zijn allerlei gewapende etnische groepen met hun eigen agenda’s en de staatsinstituten zijn zo zwak, dat het wel eens kan uitdraaien op nog meer ellende. Kijk naar Irak, daar heeft de val van het regime van Saddam Hussein ook weinig goeds gebracht. Wel zou het ontzettend goed zijn als er in Birma minder geld ging naar defensie en meer naar de gezondheidszorg en het onderwijs. Er heerst schrijnende armoede. Een middenklasse bestaat daar nauwelijks; je hebt de extreem rijken en de extreem armen. Het trieste is dat Birma een heel rijk land zou kunnen zijn, en ook was, alleen de machthebbers verhinderen dat. Daarom is het verzet in Singapore, wat eigenlijk ook een dictatuur is, heel gering; de mensen delen er in de rijkdom.’

Wat kun je doen als je zoveel onrecht en leed ziet, als je opgeblazen lijken in een rivier ziet drijven?
‘Erover schrijven. Aan ontwikkelingshulp doe ik niet, daar zijn als ze het goed doen hulpverlenende instanties voor. Natuurlijk doe je af en toe iets voor mensen die je ontmoet. Het zijn dingen waar ik niet over na hoef te denken. Ik kwam een enthousiaste beginnend journalist tegen die geen radio had, die gaf ik uiteraard de mijne. En in de tijd dat er nog geen satelliettelefoon was, moesten we met een groep journalisten in een auto naar Thailand om ons verslag te kunnen versturen over de aanvallen die uitgevoerd waren door de Birmese junta. Toen kwam er net een gewonde boer uit de struiken, die met spoed naar het ziekenhuis moest, wat precies de andere kant uit was. We hebben de auto ter beschikking gesteld, ook al kwamen we daardoor zelf in de problemen. Dat is volkomen vanzelfsprekend, iemands leven zet je niet op het spel voor je stukje in de krant.’

Schrijven over Birma betekent geheimen bewaren.
‘Beslist, je hebt een ontzettend grote verantwoordelijkheid. Veel jonge journalisten of journalisten die nieuw zijn in het gebied weten het vertrouwen van de bevolking te winnen, praten met hen, vermommen hun informanten, nemen allerlei veiligheidsmaatregelen, maar zijn toch onzorgvuldig. Door mijn besef over de risico’s voor Birmezen ben ik denk ik terughoudender over wat ik kan opschrijven dan nieuwkomers. Onlangs is inderdaad een Birmees opgepakt die met een journalist sprak; voor zeven jaar de cel in. Dat zijn zeven lange jaren voor de informant, maar ook zeven tergende jaren voor de journalist, die weet dat de man gemarteld wordt en niet ongeschonden of zelfs helemaal niet meer de gevangenis verlaat. Omdat hij met jou sprak. Zoiets wil je niet op je geweten hebben.

Daarom heb ik zeven jaar niet over Khun Saing kunnen schrijven, de Birmees uit het eerste hoofdstuk; ik zou zijn familie en vrienden in gevaar kunnen brengen. Een deel van wat hem overkomen is, moet ik nog steeds verzwijgen. Die zorgvuldigheid ben je verplicht na te streven als journalist. Je hebt het vertrouwen gekregen, dus waarom zou je het risico nemen dat te beschamen? Ook al is mijn boek in het Nederlands geschreven en zou je kunnen denken: geen Birmees die dat inkijkt. Er hoeft maar iemand een fragment te vertalen. Dan zijn opeens de achterblijvers in gevaar. Dat is het niet waard.’

Stompt het af, zoveel gruwelen te zien?
‘Nee, dat denk ik niet. Als dat gebeurt, hou ik ermee op. In het begin was ik natuurlijk vol ongeloof en verbijstering dat we in een wereld leven waarin dit kan gebeuren. Toen dacht ik nog: dit zal toch wel een keer ophouden. Hoe langer je ergens komt, hoe meer herhaling je ziet. Na jaren worden opnieuw de T-shirts uit de kast getrokken met de leuzen om dissidenten uit de gevangenis vrij te laten. Dan denk je wel eens: daar gaan we weer. Maar dat het onrechtvaardig is dat het gebeurt, dat gevoel wordt steeds heftiger. Het is mijn vak om de gebeurtenissen te begrijpen en zo indringend mogelijk te beschrijven voor mensen die er onbekend mee zijn. Ik ken de mensen in Birma, ik volg een aantal van hen voor langere tijd, ze blijven in mijn gedachten ook als ik het land verlaat. Het verdriet bijvoorbeeld van de achterblijvers als iemand in de gevangenis belandt, is immens. Daar kan ik niet gelaten aan voorbij gaan. Het hoort bij de soort journalistiek die ik bedrijf: ik schrijf juist over hoe de mensen de tegenslagen ondergaan.’

Wat heeft het je gebracht, deze journalistieke ervaringen?
‘Ik heb geleerd dat ik in mijn leven dingen wil doen die ik zinnig vind, dat ik keuzes maak waar ik achter sta. Dat klinkt verraderlijk simpel, maar hoeveel mensen kunnen zeggen dat ze zo achter hun vak staan dat het geen werk meer is? Ik leerde waar mijn grenzen liggen, dat ik in moeilijke omstandigheden rustig blijf functioneren. Dat geeft kracht. Ik ben niet zo snel van slag. Dat heeft zonder meer met de extreme ervaringen te maken en de ervaringen van de mensen die ik ontmoette. Tegelijk zie ik zo goed wat ik wél heb: een enorme materiele en immateriële rijkdom. Mensen zijn zo sterk en mijn leed is zo relatief.

Natuurlijk droom ik over de dingen die ik gezien en gehoord heb, maar dat is normaal. De mensen die het me vertelden horen bij mijn leven en maakten afschuwelijke dingen mee. De keerzijde is dat ik besef hoe prettig mijn bestaan eigenlijk is, hoe bevoorrecht ik ben en hoe weinig angst ik hoef te hebben. Suu Kyi zegt heel dapper: “Angst is een gewoonte.’ Je hoeft je er niet door te laten leiden als je dat niet wilt. Ik ben een westers journalist, ik hoef niets te vrezen. Hooguit word ik het land uitgezet, zoals gebeurde in 1996. Het zijn mijn lokale collega’s en contacten waarop ik steun en die de grootste risico’s lopen. Zij hebben wel reden om bang te zijn.’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)