Interview met Mircea Cãrtãrescu
‘Literatuur moet je religie zijn’
Door Guus Bauer (25 mei 2010)


De Roemeense auteur Mircea Cãrtãrescu (1956) wordt gerekend tot een van de belangrijkste hedendaagse schrijvers van de Europese literatuur. In zijn eigen taalgebied heeft hij alle grote prijzen gewonnen. Hij is de auteur van een breed oeuvre dat in twintig talen is vertaald. Van oorsprong is hij dichter, iets dat ook in zijn prozawerk doorschemert, maar hij schreef ook verhalenbundels, romans, journalistieke reportages, een drakenhandboek voor kinderen en zelfs een stripboek. Het eerste deel van zijn maar liefst 1.500 pagina’s tellende magnum opus Orbitor is nu, na onder meer vertalingen in het Duits, Frans en Zweeds, ook in het Nederlands vertaald. In De wetenden schrijft hij over zijn geboortestad Boekarest, zijn land, zijn jeugd en zijn familie. Toch is het niet zomaar een familiegeschiedenis. De wetenden is een poëtisch meesterwerk waarin Cãrtãrescu realiteit en fantasie op bijna organische wijze verbindt tot een privé-mythologie.

De wetenden bestaat uit een duizelingwekkende combinatie van magisch-realisme, surrealisme, esoterie, metafysica, wetenschap, insectenleer, SF en de ‘gothic novel’. Een geschiedenis verteld in dromen, nachtmerries en poëtische scènes. Hoeveel Cãrtãrescu’s zijn er eigenlijk?
Het boek is als het ware een kaart van mijn brein, van mijn wezen. Het beschrijft mij compleet, toch is het geen voer voor psychologen. Daarvoor moet men mijn romandebuut Nostalgia (1993) lezen. Er zijn heel veel verschillende Cãrtãrescu’s. Als iemand naar mijn beroep vraagt, zeg ik altijd hoogleraar. Ik doceer Roemeense en Amerikaanse letterkunde aan de universiteit van Boekarest. Een tijdje heb ik ook in Berlijn lesgegeven. En in ’94 en ’95 was ik gastdocent bij de Amsterdamse universiteit. Ik publiceer regelmatig essaybundels. Daarnaast ben ik politiek journalist. Ik heb een wekelijkse column in de belangrijkste Roemeense krant. Maar in wezen ben ik een dichter. En zo word ik in Roemenië nog steeds gezien, al heb ik al twintig jaar geen bundel meer gepubliceerd. De kennis die ik met het schrijven van gedichten heb verkregen, gebruik ik bij mijn fictie.

Het Roemeens schijnt een taal te zijn die bij uitstek geschikt is om poëzie in te schrijven.
Terwijl het noorden van het land eeuwen onderdeel is geweest van het Oostenrijks-Hongaarse keizer- en koninkrijk, heeft het zuiden onder invloed gestaan van de Oriënt. Daardoor heeft het Roemeens heel veel lagen en is het een ‘rijke’ taal geworden met woorden die hun basis vinden in Latijn, Grieks, Duits en Turks. Door die complexiteit kun je zowel klassieke ritmes en rijmen gebruiken als postmoderne verzen schrijven. Voor mijn gevoel heb ik met Levantul in 1990 alles uit mijn dichterschap gehaald. Het is een epiek bestaande uit 7.000 verzen waarin ik alle mogelijkheden van het Roemeens heb proberen te gebruiken. Jammer genoeg is het daardoor echt onvertaalbaar.

In De wetenden houdt u vele ballen in de lucht. Was het lastig om het overzicht te behouden? Op wonderlijke wijze zijn de verhalen allemaal verweven en toch duidelijk te onderscheiden. Dat is voornamelijk te danken aan het fantastische taalgebruik – en dus ook aan de sublieme vertaling.
Ik heb een keer geteld en kwam in de hele trilogie op een verhaal of veertig. Zonder mijn eerder prozawerk had ik aan deze megaklus niet kunnen beginnen. In de roman die voorafging aan de trilogie (Travesti, 1994) heb ik mijzelf leren ontdekken, tegen elk risico. Dat boek gaf me de moed om aan dit werk te beginnen. Dit is het vlaggenschip van mijn vloot, alle andere romans drijven er omheen.

Het afronden van dit magnum opus geeft u de vrijheid om een nieuw soort literatuur te gaan bedrijven?
Ik ben af en aan vijftien jaar bezig geweest met de trilogie. Tussen de delen moest ik echt rusten. Als ik het in één ‘schwung’ had geschreven, was ik beslist in het gekkenhuis beland. Maar ik verveel me snel, daarom heb ik tussendoor ook zoveel projecten gedaan: een reisboek, een verhalenbundel voor kinderen, een stripboek, een drakenencyclopedie en een boek over en voor vrouwen.

U schreef voor de Roemeense editie van het damesblad Elle. De bundeling van uw stukken is met meer dan 200.000 exemplaren uw grootste verkoopsucces. Is dat niet bitter?
Ik ben geen snob. In de postmoderne ontwikkeling van Roemenië is elke vorm van literatuur belangrijk. Daarom kan ik ook SF, erotische literatuur en pulp waarderen. Natuurlijk had ik mijn twijfels toen ik met de verhalen begon. Maar na een paar edities waren de reacties zo enthousiast dat ik er mee doorging. Het zijn simpele verhalen over de vrouwen die ik kende, met wie ik bevriend was of een relatie heb gehad. Met sommigen had ik te doen, bij anderen voelde ik mij schuldig. Die verschillende emoties beschreef ik. Ik heb heel lang getwijfeld of ik het wel als boek wilde uitbrengen. Binnen twee weken waren er 20.000 verkocht. In Roemenië is geen groot publiek voor fictie. Een roman verkoopt er doorgaans niet meer dan 2.000 exemplaren. Ik ben er niet bijzonder trots op, het is slechts een van mijn gezichten.

Kunnen de drie delen afzonderlijk van elkaar worden gelezen?
Dit eerste deel is de linkervleugel van de vlinder, deel twee is het lichaam, deel drie de rechtervleugel. Het laatste deel is een optelsom van de eerste twee. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als je ‘het grote plan’ van dit werk wilt doorgronden. Maar ze laten zich beslist elk op zichzelf lezen. Het is zoals in een hologram. Vanuit verschillende posities zie je steeds een ander beeld. En in die zin reflecteert elk deel het grotere geheel. De verhalen zijn niet zozeer verbonden vanuit het vertelperspectief maar hebben een onderliggende symbolische connectie.

Het boek als een kathedraal?
In alle drie delen komen dezelfde archetypes en metaforen voor. Een kathedraal heeft ook een middenschip en twee vleugels. In de vorm van een kruis. Het eerste deel begint met de jongen in het flatgebouw. Hij kijkt uit het raam naar Boekarest. Er zitten drie vensters in zijn kamer. Zijn drieluik op de wereld.

Er zit een heel natuurlijke stroom in het boek.
Ik ben niet met een vastomlijnd plan vertrokken met dit boek. Ik wist niet wat ik de volgende dag zou gaan schrijven. Het is helemaal met de hand geschreven. In het uiteindelijke manuscript heb ik achteraf hoogstens één of twee woorden per velletje veranderd. Het was dus een heel natuurlijk proces. Volstrekt anders dan bij mijn andere romans. Ik schreef dit werk haast onder een soort hypnose. Om zoiets als dit te schrijven, heb je vertrouwen in jezelf nodig. Geloof in de zaak. Het is een werk van mijn onderbewustzijn.

Haast een religieus gevoel. Het alledaagse als vervelend ongemak. Je moet hier bijna een kluizenaar voor zijn. Een monnik in een cel.
Ik heb driekwart van het eerste deel in Amsterdam geschreven. Vrienden had ik daar niet en ik verbleef in een heel klein kamertje met een piepklein raampje dat uitkeek op een blinde muur. Ik had hier niets anders te doen dan schrijven. Amsterdam is niet groot, dus na een week kende ik de stad wel. Ik sloot mij op in mijn kamer en schreef continu. Ik was alleen en kon luisteren naar mijn brein. Ja, het had iets religieus, alsof ik geschapen was om dit te schrijven. Zoals een termiet een termietenheuvel moet bouwen. De termiet is geen architect en weet niet wat hij bouwt. Het nest zit op een bepaalde manier in het insect zelf gebakken. Een termiet kan niets anders dan dat nest bouwen, een complex bouwwerk met veel gangen en verschillende kamers. Zo verging het mij met deze trilogie. Denk aan de middeleeuwse schrijvers. Die schreven ook alles op wat ze van de wereld wisten.

En toch ook de grote schrijvers van begin vorige eeuw zoals Joyce, Musil en Kafka? Er zijn ontelbare verwijzingen naar die periode.
Tegenwoordig worden we bedolven onder de duizenden romans die elk jaar uitkomen. Het is waardeloos om alleen een roman te creëren. Literatuur moet je religie zijn, niet alleen je kunst of je beroep. Dat begrepen deze auteurs. We hebben het immense geluk dat we geboren zijn. Als schrijver is het je plicht om dat te beschrijven. Je moet een getuigenis achterlaten. Ik dank god dat ik mijn testament heb mogen afronden.

De wetenden is niet samen te vatten en dat is ook niet noodzakelijk.
Je hoeft deze boeken niet te interpreteren. Ze laten zich lezen als de koffieprut in je kopje of de lijnen in de palm van je hand. Er moet iets te raden overblijven. Je kunt uit dit boek je eigen archetypische binnenleven distilleren. Het is te gebruiken als een vehikel om jezelf beter te begrijpen.

U bent tijdens het communistische bewind in Roemenië gebleven, maar hebt nooit gecollaboreerd. Ze lieten u met rust. Hoe kreeg u dat voor elkaar?
Er waren verschillende perioden tijdens het regime. In de jaren zeventig, de tijd dat ik opgroeide, was het nog vrij liberaal. Het onderwijs was goed en er waren redelijk betrouwbare uitgeverijen. We hadden de mogelijkheid om bijna alles uit de wereld te lezen. Binnen twee jaar kwamen vertalingen van Amerikaanse auteurs bij ons op de markt. En de invloedrijke critici uit Frankrijk werden direct bij ons vertaald in de krant opgenomen. Mijn generatie heeft haar voordeel gedaan met het onverwacht hoge niveau van het cultuuraanbod. We werden beatniks, laten we zeggen de laat-Roemeense versie daarvan. In de jaren tachtig waren we onder de indruk van schrijvers als Ginsberg en Kerouac. Natuurlijk was er censuur, maar we konden toch publiceren. In de jaren tachtig, toen het regime verhardde, publiceerde ik toch nog vier dichtbundels en mijn debuutroman Nostalgia, precies twee maanden vóór de val van de Muur. In het algemeen speelde ons hele leven zich af binnen de florerende literaire cirkels. Wel natuurlijk in de ‘underground’. We waren jong en hadden geen contact met de veiligheidsdiensten. Onze professoren wel, maar die hadden nog enige invloed en hielden ons uit de wind.

Maar Nostalgia is toch sterk gecensureerd?
Een van de dertien verhalen is eruit gehaald en diverse stukken moesten worden geschrapt. Maar de censuur was niet professioneel. De meesten die het feitelijke schrijfwerk deden, waren zelf auteurs. Met hen viel te praten. Mijn uitgever is een goede vriend van mij. Hij raadde mij aan stukken toe te voegen die ik niet gepubliceerd wilde hebben.

Werden er ook zogenaamde ‘samizdat’ verspreid, met carbonpapier gemaakte kopieën?
Neen, want onze typemachines waren geregistreerd bij de politie. We schreven met de hand.

Vanuit het Westen gezien zijn de maatregelen van een dictatuur vaak absurdistisch en grotesk. Maar als je daar leefde, waren ze de realiteit.
We waren natuurlijk naïef in die tijd. En het heeft iets lachwekkends. Maar alleen achteraf. De dictator die een bezoek brengt aan een afgelegen dorp. Voordat hij komt opdagen, worden er mooie rode appels aan de bomen gehangen en de uitgemergelde koeien vervangen door vetgemeste. Maar dat komt overal in de wereld voor. Als de paus op bezoek gaat in Rio de Janeiro, worden er ook grote beschilderde schuttingen voor de sloppenwijken gezet. We wisten niet dat we in de hel leefden, want we waren daar geboren. Pas na de val van het regime verliet ik voor de eerste keer het land. Ik was toen midden dertig.

Herta Müller zei dat in Roemenië de boeken haar leven hebben gered.
Dat geldt denk ik voor alle schrijvers achter het IJzeren Gordijn. We waren gepassioneerd bezig met ons schrijven. Voor ons was literatuur de échte realiteit. Eén gedicht betekende meer dan het hele regime. We spiegelden ons aan schrijvers als Truman Capote. We leefden als het ware tussen aanhalingtekens. Het enige belangrijke was dat we compromisloos konden werken. In feite deden we niets anders dan overleven.

Eigenlijk had Ceausescu een eigen totalitair systeem geschapen.
Al snel verliet hij het marxistische idee van het communisme en verving dat door een vals nationalisme. Er werd ons steeds maar ingeprent dat we een ‘groot volk’ waren met een belangrijke cultuur en een heroïsche geschiedenis. Na de revolutie die een einde maakte aan het regime, kwam de desillusie. Daarom zijn de Roemenen tot op de dag van vandaag indolent en gefrustreerd. Ze hebben geen idealen, bijna geen reden om te leven. De laatste strohalm is het lidmaatschap van de Europese Unie.

In Praag was er een zogenaamde ‘Fluwelen Revolutie’ waarbij nauwelijks bloed vloeide, in Boekarest werden Ceausescu en zijn vrouw na een showproces doodgeschoten. De meeste politici bleven gewoon aan de macht, ze veranderden alleen van kleur.
Dat probleem heeft zich voorgedaan in alle Oost-Europese landen. Er bestaat de illusie dat de geheime dienst, of je die nu Stasi, KGB of Securitate noemt, alleen het volk terroriseerde. Maar deze mensen domineerden ook de handel, van de export tot aan de kleinste winkel op de hoek. De communisten en mensen van de geheime dienst waren pure kapitalisten. Veel mensen die nu miljonair zijn, waren leden van de nomenclatuur. In Roemenië is niemand gestraft voor de misdaden.

Het Roemeense volk reageerde enthousiast op het verdwijnen van de dictator.
In het begin zeker. Er waren gevoelens van wraak. Iedereen was opgelucht. Maar het geheel was natuurlijk een geregisseerd gebeuren. Wij geloofden toen in de nieuwe leugenaars die aan de macht kwamen. Dat duurde slechts een paar maanden. Toen was het wel duidelijk dat het een misdaad was geweest. Twee oude mensen die tegen een muur werden gezet. Al verdienden ze het natuurlijk wel.

Kom je ooit los van een dictatuur als je er middenin hebt gezeten?
Het is net alsof je als kind een vreselijk ongeluk hebt gehad. Dat blijft je altijd bij. Als de mensen die er bij betrokken zijn allemaal dood zijn, dan is het alleen nog maar geschiedenis. Ik heb toch geen spijt dat ik in die nachtmerrie heb geleefd. Je kunt leren van lijden. En mijn persoonlijke wraak telt drie banden en 1.500 pagina’s.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)