Interview met Nicole Krauss
‘Ik schrijf gewoon en laat de woorden vloeien’
Door Fleur Speet (31 december 2010)


Nicole Krauss komt wellicht over als een wat afstandelijke, elitaire schrijfster, maar ze is een bijzonder warme, voorkomende persoonlijkheid, die spreekt in doordachte alinea’s, waarin steeds een filosofische kern schuilt. Eigenlijk precies zoals ze schrijft, want al is haar roman Het grote huis melancholisch en wat droef, het is tegelijk een uiterst liefdevol portret van mensen die een tweede kans krijgen. Zoals de joodse cultuur zich volgens de Talmoedische interpretatie van 2 Koningen opnieuw moest oprichten nadat alle grote huizen van Jeruzalem in vlammen waren opgegaan. Er bloeiden herinneringen op aan het grote huis, kleine fragmenten: ‘een grillige vorm op de muur, een knoest in het hout van een deur, een herinnering aan de manier waarop het licht over de vloer streek’. En al die herinneringen tezamen vormen een nieuw groot huis.

In deze derde roman van Krauss, die enkele maanden geleden verscheen en nu op de lijst van 100 beste boeken van het jaar van The New York Times prijkt, refereert ze aan deze interpretatie. Het zijn splinters, vier verhaallijnen, met elk weer een scala aan personages vol herinneringen. Deze veelheid aan informatie weet Krauss meesterlijk tot een eenheid te smeden door de dieperliggende, filosofische bedding die ze alle verhalen meegeeft. Oog in oog staan met je sterfelijkheid, de nabijheid van de dood die de taal en gebeurtenissen zuivert van onnozelheid, en de verantwoordelijkheid die iedere ouder aankleeft omdat hij herinneringen doorgeeft. Maar er blijkt nog meer diepte onder schuil te gaan.

Jason Epstein, veertig jaar redacteur bij Random House, stelde dat hij als redacteur een privé universiteit volgde. Hij had dat niet bij romans, maar ik wel, ik leer er menselijke emoties door begrijpen.
Nadia, een schrijfster in het boek, experimenteert met de gedachte: wie zou je zijn zonder boeken, er zou een nucleaire winter over je heen gaan. Boeken hebben me gevormd. Voor mij is het volslagen duidelijk dat literatuur immens belangrijk is in ons leven. Ten eerste omdat het voor sommigen inderdaad een privé universiteit kan zijn, dat klinkt prachtig en waarachtig. Maar op een andere manier geeft het ons de unieke kans, een kans die echt geen enkel ander medium biedt, om in een ander brein te stappen en te voelen wat het is om hem of haar te zijn. Het bestaan van een ander overnemen alsof het je eigen is, dat is zo intiem. Dat leidt tot empathie, en natuurlijk tot mededogen. Je merkt dat je iemand wordt op wie je helemaal niet lijkt en toch zie je gelijkenis met jezelf. Dan gebeurt er iets, het licht gaat aan. Wanneer iets je zo bekend voorkomt, dat je jezelf ziet en tegelijk iets over jezelf ontdekt, krijg je bijna een openbaring. Het is een schok, alsof de schrijver door je heen kijkt. We zoeken allemaal naar dat intrigerende huwelijk tussen herkenning en openbaring. Voor mij kent de literatuur vele geschenken, maar dit geschenk vind ik magistraal.

Epstein zei in zeker opzicht hetzelfde: als iedereen boeken zou lezen, zou er geen oorlog zijn en zouden we er niet zo’n rotzooi van maken in ons leven.
We zouden er misschien net zo goed een rotzooi van maken, maar het zou een fijngevoeliger rotzooi zijn. Een boek lezen of schrijven geeft je de kans om te reflecteren op de fouten die wij mensen maken. Tijdens het reflectieproces krijg je een uitstelmogelijkheid, een soort hernieuwde kans, een ‘reprieve’. Dat vind ik zo’n prachtig Engels woord, ik heb er altijd van gehouden. Het betekent een onverwachte tweede kans, een vorm van vergeving. In de roman kan Aaron, een weduwnaar in Jeruzalem, niet uitwissen wie hij was als vader, maar hoe meer je van hem leest, hoe meer je hem snapt en begrijpt hoeveel hij eigenlijk van zijn zoon houdt. En hoe afgewezen hij zich voelde door zijn kind, hoe zijn zoon hem uit zijn leven verstootte en voor zijn moeder koos. Hij krijgt misschien geen vergeving, maar ik heb het gevoel dat hij een kans op ‘reprieve’ krijgt. Dat z’n zoon hem dat gunt. Niet uit vergevingsgezindheid, maar meer vanuit het gevoel; oké dan, probeer het nog maar eens. We willen niet lezen over mensen die probleemloos door het leven gaan, zonder misstappen. Dat is oninteressant. En het is in zichzelf ook niet zo bijzonder om iemands problemen te delen, maar het is wel aangrijpend om te zien dat iemand de kans krijgt om zijn problemen te overstijgen.

Nadia stelt ergens dat ze met haar verhaal geen rekenschap geeft, ze doet geen biecht. Dat lijkt een mea culpa: ik ben dit niet hoor.
Ik voel de noodzaak om verschil te maken tussen het autobiografische en het persoonlijke. Ik hoop de lezer ervan te overtuigen dat dit fictie is en dat verzinsels niet minder waard zijn dan de realiteit. Er zit zo’n sterke drang in lezers om te willen weten wat echt is, alsof de fictieve, gepresenteerde wereld niet genoeg is. Die is niet ontroerend genoeg, niet geloofwaardig of groots genoeg. Lezers kunnen hun reacties serieuzer nemen wanneer ze weten dat ze reageren op iets wat echt waar is.
Voor mij heeft dat geen geldigheid. Ik snap de reflex, maar mijn boeken zijn altijd uit het imaginaire gekomen. Alle karakters die ik geschapen heb, zijn alleen maar ontstaan omdat ik mijn persoonlijke gevoelens, mijn observaties, mijn ervaringen inzet tijdens mijn schrijven. Het zijn geen citaten uit mijn biografische leven, het zijn citaten uit wat ik denk dat het is om op deze wereld te zijn.

Waarschijnlijk heeft het te maken met mijn sterke overtuiging die in alle drie mijn boeken naar voren komt: dat het eigene een creatie is. Het begint met herinnering, mijn eerste roman, Man komt kamer binnen, ging daar helemaal over: een man die 24 jaar van zijn leven kwijtraakt en die opnieuw een coherent beeld van zichzelf moet maken. Herinneringen zijn een creatieve daad: we vormen ze om naar ons goeddunken. Ons brein heeft de vaardigheid om een grote hoeveelheid op te laten lichten waarvan we denken dat ze waarde hebben, allemaal om maar een coherent verhaal van onszelf te kunnen scheppen. De intuïtie om samenhang aan te brengen is zo sterk dat het geheugen geen accurate reflectie op het verleden van jezelf geeft, maar altijd een manier zal vinden om coherentie te zien. In De geschiedenis van de liefde gebruikt een van de personages de verbeeldingskracht om te overleven.

En in dit boek gaat het om de radicale herschepping van mensen, in het aangezicht van het catastrofale verlies van Jeruzalem. Wat een prachtig antwoord, om te zeggen, oké, we verbranden alles wat we hadden en creëren een nieuw verhaal: we worden een ander, zodat we kunnen overleven. Terwijl ik schrijf en een ander word, word ik ook mijzelf weer via die ander. Ook ik vind mezelf opnieuw uit. Ben ik het dan die zich door het personage laat gelden, of is het personage mij aan het veranderen? Beide, denk ik. Soms graaf je diep in jezelf en geef je het personage iets wat je vindt en soms word je door het personage naar een plek geleid waar je niet eerder was en nooit zou komen.

Is schrijven ook een schuilplaats creëren voor jezelf?
Er bestaat in mijn werk een spanning tussen onthullen en verhullen, gezien willen worden en onzichtbaar zijn, het uiten van jezelf en jezelf tegelijk beschermen. Die tegenstellingen zijn voor mij altijd levendig aanwezig. Het anderen willen kennen en bij ze willen zijn en tegelijk ongekend willen blijven is een vreemde contradictie. Het is een enorme opgave om gekend te zijn, dat gaat niet vanzelf. Je moet er enorm veel moeite voor doen. Het simpele feit alleen al om gekend te zijn door de mensen die je direct omringen. Neem Arthur uit het boek, die zijn hele leven doorbrengt naast een vrouw die een mysterie voor hem blijft omdat ze in bepaalde opzichten ontoegankelijk is. Ik voel heel sterk de noodzaak om alleen te zijn en ik heb ook een absolute drang om mijn eenzaamheid te overstijgen, ik wil een enorme inspanning doen om maar begrepen te worden.

Kun je ooit begrepen worden?
Dat is de vraag. Dat spookt door dit boek, de vraag in hoeverre we gekend kunnen zijn. Allemaal engageren de personages zich met een bekentenis, ze stellen zichzelf op een ontzettend breekbare manier bloot. Ze laten je al hun karakterfouten zien, ze biechten hun misstappen op en hun inschattingsfouten. Daardoor leer je langzamerhand begrijpen waarom ze zo zijn. Het is het waard, die enorme inspanning van de personages en de lezer. Onze beste kant als mens is dat we het blijven proberen, ook al raken we teleurgesteld over zoveel onbegrip. Steeds opnieuw beginnen. Daarom schrijf ik, daar geef ik mijn leven voor.

Tot slot: hoe gaat dat, schrijven?
Schrijven begint voor mij bij de eerste zin en de toon ervan. Deels omdat ik niet met een idee wil beginnen en daar personages op vast wil plakken, ik begin het liefst zonder verhaal. Ik schrijf gewoon en laat de woorden vloeien. En meteen is er al een ontdekking in de eerste zin. Misschien sneuvelt die zin uiteindelijk, maar de eerste vraag is: wat voor zin zal ik schrijven? Hoe breid ik die eerste zin uit met een volgende? En de tweede zin verandert de eerste alweer. Dan ontstaat al iets, als een som met betekenis en dan wordt het steeds complexer en wordt het muziek. Ik kan een hele pagina schrijven en ontzettend veel plezier scheppen in de zinnen en de klank, zelfs al leidt het niet tot een verhaal of een roman. Gewoon, enkel omdat het verandert in een muzikale partituur. En dan plotseling, geheel tot mijn verbazing, gaat er iets van een betekenis ontstaan.

Dat roept vervolgens vragen bij me op: wie is ze dan, waarom doet ze dit of dat? Wat kan haar dit laten zeggen? Dit boek heeft geen centrum, ik wilde bewegende lichamen, bij elkaar gehouden door echoënde krachten en symmetrie, maar wat wel het centrum vormt is de taal. Het is het begin en het einde voor mij. Ik kan geen boek lezen dat niet noodzakelijk uit de taal voortkomt. Zelfs als iemand me een boek aanprijst en vertelt dat het zo’n mooie plot heeft. Taal is voor mij alles. Intelligentie en gevoeligheid komen voort uit taal. Hoe een schrijver werkt, bereikt me enkel via de zin. Dan kan ik meegaan in een andere intelligentie, dan opent zich een raam waardoor ik op een andere manier naar de wereld kan kijken naar ervaringen die niet de mijne zijn.


Foto Nicole Krauss: Fleur Speet
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)