Interview met Ramsey Nasr
‘Ik beantwoord niet aan het cliché van de dichter’
Door Annemiek Neefjes (29 juli 2009)


Ramsey Nasr (1974) werd in januari dit jaar gekozen tot Dichter des Vaderlands (DdV). Hoe bevalt het hem? Annemiek Neefjes blikt met hem terug en kijkt vooruit: wat zijn de plannen voor de komende drieëneenhalf jaar?

Wat was je drijfveer om Dichter des Vaderlands te willen zijn?
‘Zonder overdrijving kan ik zeggen dat dit Dichterschap de manier is waarop ik als kunstenaar mijn werk wil doen. Poëzie en maatschappij vormen voor sommigen een onmogelijk huwelijk: het ene is zweverig en afhankelijk van inspiratie, het andere is de rauwe werkelijkheid. Maar dit zijn twee karikaturen. Ze kunnen juist heel goed een huwelijk aangaan.’

Eerder was je een jaar lang stadsdichter van Antwerpen. Komt deze ervaring je nu van pas?
‘Toen heb ik aan den lijve ondervonden dat poëzie en werkelijkheid moeiteloos samengaan, zonder dat ik mijn stijl hoef aan te passen. Ik heb in die tijd bijvoorbeeld het gedicht “een minimum” gemaakt, nadat ik kansarme inwoners van Antwerpen had gesproken. Het gedicht werd aangebracht aan de gevel van de Sociale Dienst van Antwerpen, een instantie waardoor kansarmen zich vaak juist onbegrepen voelen. Velen kwamen toch naar de onthulling van het gedicht en kregen het te kwaad toen ze het lazen. Het was hun coming-out, zo noemden ze het ook. Het gedicht haalde de kranten en zelfs het Vlaamse avondnieuws. Ik zeg niet dat poëzie de wereld verandert maar ze kan wel iets teweeg brengen.’

Met ‘Ik wou dat ik twee burgers was’ werd je tot DdV gekozen. Naar aanleiding van dit gedicht zei je: ‘Ik wil met poëzie het land helpen’. Hoe ga je dat doen?
‘Nou, helpen, dat klinkt alsof je goed wilt doen. Nederland is erg bezig zichzelf opnieuw uit te vinden, ik denk dat een dichter daarbij van nut kan zijn. Ik vind het zelf interessant om over de Nederlandse identiteit na te denken. Nederlanders: wie zijn dat? Als Dichter des Vaderlands heb ik mezelf de opdracht gegeven me deze vraag te stellen en er een reeks gedichten over te schrijven, zodat er na vier jaar hopelijk een consistent geheel ontstaat.’

Je schrijft niet vriendelijk over ‘dit rood, rood schemerland’.
‘Dat is ook niet de bedoeling van dit ambt. Misschien denkt men bij de term “Dichter des Vaderlands” teveel aan de hofdichter van weleer, die de lof zingt op het koningschap. In “Ik wou dat ik twee burgers was”, mijn auditiegedicht zoals ik het noem, laat ik al zien waar het me om te doen is. Ik open met “laat ons beginnen in leegte”, dat is de leegte waarin we nu leven. Nederlanders zijn een masochistisch volk, ze willen gekastijd worden; misschien hebben ze me daarom gekozen. Maar voor alle duidelijkheid: ik hoor ook bij de Nederlanders. Ik sta niet aan de zijlijn te kijken.’

Ben je niet toch buitenstaander? Je bent weliswaar in Rotterdam geboren en getogen maar je woont al lang in Antwerpen en je reist veel.
‘En ik ben hybride van afkomst, met mijn Palestijnse vader en katholieke moeder. Het klopt, ik heb het over “wij Nederlanders” maar ik sta er voor de helft buiten. Van die zwakte heb ik een kracht gemaakt. Door te reizen merk ik bijvoorbeeld juist wie ik zelf ben. Als ik in Indonesië rondloop, of in Spitsbergen, of Tanzania, dan denk ik: ik kan wel doen alsof ik, alsof Nederland, het centrum van de wereld is maar hier ben ík de vreemdeling. Dat gevoel kan bevrijdend zijn. “Ballingschap is een verrijking,” zei de literatuurwetenschapper en criticus Edward Said. Ik heb er lang over gedaan te begrijpen wat hij bedoelde. Je eigen ballingschap omarmen, dat betekent dat je willens nillens een wereldburger bent.’

Als stadsdichter noemde je je een ‘luisterend urinoir’: iedereen kwam naar je toe met verhalen en verzoeken. Hoe is dat als DdV?
‘Kijk, als ik in Antwerpen bij de bakker stond kreeg ik het al over me heen, de verhalen, de zogezegd briljante ideeën, de klaagzangen. Want daar “kon ik misschien wel wat mee”. Soms wilden mensen gewoon hun hart luchten of ze dachten dat ik connecties had bij het gemeentebestuur. Ik werd steeds meer herkend in de stad. Als ik in Nederland kom, zeggen mensen hooguit: “Ah, de dichter!” - alsof ik de enige dichter in het land ben.’

NRC Handelsblad plaatst de gedichten van de DdV. Hoe is het om tussen het nieuws te staan?
‘Het gedicht wordt deel van het nieuws, dat vind ik mooi. En het wordt door heel veel mensen gelezen. Stel, je brengt een bundel poëzie uit. Je gaat die middag naar Albert Heijn en er is niets veranderd. De week erop gebeurt er ook niets en de maand erna ook niet. Misschien dat je binnen een halfjaar een recensie hebt en één reactie van een lezer. Het is geen klacht, het is gewoon de realiteit. Mijn gedicht over de aanslag in Apeldoorn schreef ik gelijk die dag, op 30 april, de schok in het land wilde ik onmiddellijk omzetten in een gedicht. Ik schreef eraan met een enorme intensiteit, tot een kwartier voordat de krant ging zakken. Een paar uur later was het door het land verspreid.’

Je wilt juist ook mensen bereiken die zich immuun wanen voor poëzie, zei je. Kunnen je gedichten dan niet beter in…
‘Ik weet wat je gaat zeggen: in De Telegraaf. Ik zit met hetzelfde als jij. Maar de NRC heeft als eerste publicatierecht. Misschien is er eens een uitzondering mogelijk. Ik heb wel al contact met Libelle. Ik hoop dat dit soort bladen de courage hebben poëzie te publiceren. Ik zou echt willen dat poëzie via vele kanalen verspreid wordt, niet alleen via de geijkte.’

In een interview vertelde je hoe zenuwachtig je was over de reacties op “Wat ons rest”, je eerste DdV-gedicht in de krant. Vanwaar die zenuwen?
‘Gewoonlijk schrijf je een gedicht in alle rust en als het af is laat je het een tijdje liggen. Dan lees je het opnieuw en je laat het een paar anderen lezen, die kunnen bijvoorbeeld zeggen: ik snap hier de ballen van. Nu moet een gedicht soms de volgende dag al in de krant. Ik pleeg dan roofbouw op mijn lichaam en geest, van acht uur ’s ochtends tot een uur ’s nachts zit ik achter mijn laptop. Terwijl het gedicht nog heel dicht bij me staat komt het al in de krant. Als mensen positief reageren dan ben ik als een kind zo gelukkig.’

Hoe weet je: deze actualiteit wordt een gedicht?
‘Soms knip ik iets uit de krant en bewaar het voor je weet maar niet. Anderen komen ook wel eens met een nieuwsartikel aan. Vaker echter weet ik dat een actualiteit géén gedicht wordt. Dat is een kwestie van aanvoelen en inschatten. Toen Wilders werd tegengehouden op vliegveld Heathrow, bijvoorbeeld. Ik dacht: dat heeft hij goed georganiseerd en over een weekje is iedereen het vergeten. Soms moet iets rijpen. Ik heb nog drieëneenhalf jaar de tijd om over Wilders een gedicht te schrijven.’

Werk je nu ergens aan?
‘Ik krijg veel verzoeken binnen. Ik werk nu aan drie gedichten, onder meer voor de Internationale Architectuur Biënnale 2009, die als thema “open stad” heeft. En er kan altijd iets in de actualiteit gebeuren.’

Heb je naast het dichten andere plannen als DdV?
‘Ik wil graag de televisie erbij betrekken. Stel dat De Wereld Draait Door zegt: we willen iedere dag drie minuten aandacht aan poëzie besteden. Dat ik bijvoorbeeld een gedicht voorlees, of een dichter uitnodig dit te doen, en dat er dan kort over gesproken wordt. Ik zou dat willen en denk ik ook kunnen. Ik heb ervaring met camera’s, ik beantwoord niet aan het cliché van de dichter, ik ben iemand die ook wel eens “een mopje” kan maken. Ik heb nog meer ideeën: een tournee met andere dichters langs scholen en universiteiten, om een staalkaart van de Nederlandse poëzie te tonen. En dichter Erik Menkveld had een erg mooi idee: de uitgave van een reeks goedkope poëziebundels. Misschien kan dit plan uitgevoerd worden. Om eerlijk te zijn heb ik de frustratie dat er niemand is aangesteld om mij te ondersteunen. Ik ben nu op zoek naar een appartement in Amsterdam, misschien helpt het als ik daar woon. Ik zit dan overal wat dichter bij.’

Raadpleeg je de vorige DdV’s weleens: Driek van Wissen en Gerrit Komrij?
‘Driek van Wissen weet dat ik het ambt heel anders aanpak dan hij. Met Komrij heb ik goed contact, maar over het Dichterschap hebben we het nog nooit gehad. Dat is hopelijk een teken dat hij vertrouwen heeft in de manier waarop ik het doe.’

Antwerpse stadsdichters Ramsey Nasr en Tom Lanoye
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Door Guus Bauer (22-03-2019)
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)