Interview met Ronelda S. Kamfer
‘Wat ik probeer is die vreselijke geschiedenis zachter te maken’
Door Ezra de Haan (26 juni 2012)


Ronelda Sonnet Kamfer is de jongste donkere dichteres in het Afrikaans. Ze werd in 1981 geboren te Kaapstad. Voor haar debuut Nu de slapende honden (2008) ontving ze de Eugène Marais-prijs. Antjie Krog noemt haar de beste, meest prikkelende Zuid-Afrikaanse dichteres van de laatste jaren. Ik spreek Ronelda in Amsterdam waar ze als Writer in Residence verblijft. Haar tweede bundel Santenkraam (2012) is net verschenen. We leren Skipskop kennen, een Zuid-Afrikaans visserdorpje, dat in de jaren tachtig ontruimd werd door de apartheidsregering. De jonge moeder spreekt ruim een uur met mij terwijl haar man voor hun kind zorgt.

Veel van de Zuid-Afrikaanse schrijvers en dichters die ik tot nu toe sprak, waren blank en schreven in het Afrikaans om hun taal te behouden. Jij bent gekleurd en schrijft in de taal die de onderdrukkers spraken.
Afrikaans bepaalt hun identiteit, het verbindt hen met Zuid-Afrika. Het is heel kostbaar en belangrijk voor hen. Het is een deel van hun geschiedenis. Voor mij, als een gekleurd meisje uit Kaapstad, is het gewoon een middel om te communiceren. Het geeft aan waar ik vandaan kom, maar het maakt mij niet tot wie ik ben. Al honderd jaar zijn ze bang dat hun taal zal verdwijnen, die gedachte gaat terug naar de tijd van de Boerenoorlog, en nu zijn ze er nog steeds mee bezig. In Kaapstad is niemand bezig met het sterven van het Afrikaans, daar is de taal in beweging, ontwikkelt zich nog elke dag. De meeste mensen die de taal spreken houden er niet van, dat zijn de gekleurde mensen van West-Kaap. Als de blanken beter keken naar wat er met het Afrikaans gebeurt, zouden ze geen angst hebben. Ik denk dat het meer met schuld en schaamte te maken heeft en met wat die taal veroorzaakt heeft.

Hoe is het om hier in Amsterdam Writer in Residence te zijn als je gewend bent aan de harde wereld van Zuid-Afrika?
Het is vreemd. Ik ken deze wereld alleen van televisie. Het vroeg ook om aanpassing. Je hoeft hier niet bang te zijn voor geweld. Je kunt elk moment van de dag of nacht de straat op gaan. Het is veilig om met het openbaar vervoer te gaan. Dat lucht op. Toen we hier aankwamen, verontschuldigde de vertegenwoordiger van de uitgeverij zich voor het weer. Nou… daar waren we echt niet mee bezig. De eerste nachten heb ik wakker gelegen tot mijn man zei: We zijn niet thuis. We kunnen hier gewoon slapen. En het is verbazingwekkend dat je niet voortdurend in angst hoeft te zitten. Nederland kwam ons als een soort van Legoland voor. Neem de sirenes op de politiewagens, dat kennen we niet. In Zuid-Afrika maken ze niet zoveel lawaai. Alleen als er iets echt goed fout is. Als ze mensen moeten oppakken. Dan maken ze pas lawaai.

Laten we het over de gedichten hebben. In de bundel Nu de slapende honden schrijf je in het gedicht ‘Waar ik sta (Waar ek staan)’

Nu zit ik aan tafel
met de vijanden van mijn voorvaderen
Ik knik en groet beleefd
Maar
ergens diep van binnen
weet ik waar ik sta


Eigenlijk beschrijf je daar wat we nu meemaken.
Er hoort een grappig verhaal bij dit gedicht dat vroeger veel langer en dramatischer was. Ik las het een blanke Zuid-Afrikaanse voor en die voelde zich erg beledigd. Door die reactie ben ik het gaan inkorten. Het gaat er namelijk om dat het over iedereen moet kunnen gaan. Niet alleen over zwart en wit maar over alles en iedereen. Iedereen wil de geschiedenis achter zich laten.

Waar begint een gedicht bij jou? Ik zie bijvoorbeeld dat er veel klankrijm in de gedichten voorkomt.
Ik luister graag naar muziek als ik schrijf. Het Afrikaans is een stompe, ‘kras’ soort taal. Het is compact. En ik wil dat het ‘cool’ klinkt. Mijn gedichten beginnen met een verhaal. Vervolgens moet ik de woorden erbij zoeken en dat is een natuurlijk proces. Vaak ontstaat het hele gedicht in één keer. Mijn dichtenbundel Nu de slapende honden schreef ik in een week. Ik sliep weinig en bleef maar schrijven. Redactie is een ander verhaal, daar had ik weinig ervaring mee. Ik moest alle regels leren waar ik tot dat moment nooit aandacht aan had gegeven.

Heb je ooit proza geschreven? De lange gedichten in parlando doen daar soms aan denken.
Nee. Maar er gaat nu wel een tussenvorm komen. Samen met mijn man ga ik een boek maken waarvoor hij de illustraties tekent en ik de tekst schrijf. De personages komen uit de bundel Santenkraam.

Ik groeide op te midden van verhalenvertellers. Vehalen waren het eerste wat ik schreef. Ik was toen nog erg jong, dertien, veertien jaar oud. Ik luisterde naar de verhalen van mijn grootvader, die geen opleiding had genoten, en schreef ze op omdat hij dat zelf niet kon. Door ze op te schrijven, leerde ik hoe je iets vertellen moest, wat mensen willen horen en hoe je het interessant houdt. En ook hoe de lezer de ruimte krijgt om zijn eigen fantasie te gebruiken. Ik vond het leuk om een andere richting op te denken dan mijn grootvader van plan was. Op die manier schrijf ik nog steeds.

Hoe vertelde jouw grootvader die verhalen? Met herhalingen, poëtisch of rechttoe rechtaan?
Zonder omwegen, helder en met veel passie. Hij vertelde verhalen die ik nog nooit had gehoord. Over de oorlog… hoe het was toen hij nog jong was… Het was alsof hij een deur die altijd voor mij gesloten bleef, opende. Ik kon naar binnen gluren en kijken wat er zich afspeelde.

Wat mij overkomt als ik jouw gedichten lees.
Die directheid van mijn grootvader hanteer ik ook. Het is echt niet mijn bedoeling om mensen te kwetsen. Toch kan dit gebeuren. Als ik over schrijven praat gaat het mij om het oprecht zijn. Het gaat niet om mij, het gaat om het verhaal.

Hoe kijkt men naar jou als dichter?
Ik was altijd al een outsider. Ik groeide op in Grabouw bij mijn grootouders, die boeren waren. Later ging ik naar mijn ouders in een buitenwijk van Kaapstad. Boerenmeisje gaat naar het getto… Ik was altijd degene die anders was en ergens anders vandaan kwam. Voor mij is de rol van dichter-zijn dus niet vreemd. Ik ben eraan gewend. Ik kwam er pas achter dat het bijzonder was toen mensen mij vertelden dat ik de enige kleurling was die schreef. Ik koos ervoor omdat ik dat wilde doen.

Hoe vonden de mensen in jouw omgeving het dat je alles opschreef?
Niemand verwachtte iets anders van mij. Ze waren er vooral trots op dat ik gedaan had wat ik van plan was geweest.

In de gedichten ‘de baas van de boerderij’ en ‘een gewone blauwe maandagochtend’ beschrijf je scènes uit jouw leven en dat van je grootmoeder. Een hard leven…

de baas van de boerderij (fragment)

hoe goed baas Willem voor haar was
ze mocht altijd als eerste kiezen
welke oude kleren ze wilde hebben
ze vertelt over hoe ver het lopen was naar het dorp
en hoe baas Willem haar voor
in zijn bestelwagen liet zitten
baas Willem zei dat haar kinderen
de lagere school niet hoefden af te maken
ze gaan toch gewoon op de boerderij werken
en helpen bij het zorgen voor de kinderen

dr. Metzler zei
dat de kinderen van mijn oma hem in de war brengen
ze hebben een zekere verdorvenheid in hun ogen
hij zegt dat mijn oma blij mag zijn
dat het laatste doodgeboren werd

zijn naam
zou Judas zijn geweest


Vaak zijn het dingen die ik hoor of heb meegemaakt. ‘de baas van de boerderij’ is een van de eerste verhalen die mijn moeder mij vertelde over haar leven. Ik schreef het vanuit het perspectief van mijn grootmoeder. Verhalen zoals deze hebben ervoor gezorgd dat ik ging schrijven. Ik schreef het op omdat zij het niet konden. Ze waren niet naar school geweest, konden niet schrijven. Toen ik dit schreef, dacht ik vooral na over het waarom. Waarom waren wij altijd degenen die de dienstbode of de schoonmaker moesten zijn? Waarom hadden we niet voor iets anders gekozen? Maar je kunt niet om de wet heen. En daardoor kwamen we nooit uit de armoede en van de misdaad af. Ik werd erg kwaad van de gedachten aan al die generaties van schoonmakers.

Eigenlijk ben jij de stem van het nieuwe Zuid-Afrika.
Dat ben ik inderdaad. Ik ben in 1981 geboren en net toen ik naar de middelbare school zou gaan, vond de eerste democratische verkiezing plaats. Ik ken eigenlijk alleen maar het nieuwe Zuid-Afrika. Vrijheid en gelijkheid. De verhalen van hoe het vroeger was, moest ik horen. En mijn ouders waren zo blij dat het voorbij was dat ze het er liever niet meer over hadden. Ik moest dus echt naar mensen toegaan en vragen: Hoe was het in die dagen?

Rappers als Tupac Shakur en een band als Radiohead inspireren je… tegelijkertijd citeer je dichters als T.S. Eliot.
Ik houd van rapmuziek omdat het iets te vertellen heeft. Het zet jonge mensen aan tot denken. Tupac schrijft, net als ik, over het leven in de getto. Een band als Die Antwoord is niet ruig. Voor mij is het haast kinderachtig wat ze doen. Het is niet echt. Wie uit het getto komt, spreekt er liever niet over. Het is te dramatisch… Je wilt het liever achter je laten. Die wereld heeft niets moois, het is afschuwelijk.

Als je gedichten voordraagt, doe je het op de ‘ouderwetse’ manier. Je maakt er geen performance van.
Als ik mijn gedichten voorlees, wil ik niets toevoegen aan wat ik geschreven heb. Ik gebruik mijn stem en lees ze voor. Sommige dichters, zoals Antjie Krog, kunnen er iets bijzonders van maken. Haar voordracht maakt haar gedichten nog makkelijker te begrijpen. Maar wat moet ik… gaan huilen op het podium? Optreden in Nederland is vreemd voor mij. Iedereen heeft haast en iedereen lacht. Dat ben ik niet gewend. In Zuid-Afrika is men nogal conservatief en serieus.

Wat was het uitgangspunt bij jouw laatste bundel Santenkraam?
Het is een eerbetoon aan mijn familiegeschiedenis, aan mijn grootvader die al die verhalen over het leven vertelde… waar we vandaan kwamen. En het was ook tijd voor een tweede bundel. Ik had al twee jaar niets gepubliceerd. Ik wilde onze geschiedenis in Santenkraam vastleggen en doorgeven. Er bestaat nauwelijks een geschreven geschiedenis van de kleurlingen door kleurlingen. Alleen vanuit het blanke perspectief is er wat. Wat er is, is weinig. En dan heb ik het vooral over literatuur. Ik had als jong meisje graag over mijn geschiedenis in de vorm van een roman gelezen. Mijn poëzie is een kleine bijdrage daaraan. Ik hoop dat het mensen aanzet tot het vastleggen van hun herinneringen. Apartheid heeft dat in feite de mensen afgenomen.

In Santenkraam hanteer je een andere stijl dan in Nu de slapende honden. Misschien doordat je de bundel in één keer hebt geschreven. Het gaf mij het gevoel alsof ik aanwezig was bij het schrijven ervan. Vooral door de cycli zoals ‘Gaan’ en ‘Doorvertellen’. Je begint met een idee en ziet dan de andere mogelijkheden ervan in.
Ik moest mijn gedachten samenbrengen, al die verhalen die ik wilde vertellen… Het was verwarrend. Ik moest structuur aanbrengen om eruit te komen.

De verwijzingen naar de Arabische cultuur verbaasden mij.
Het vormt een deel van de cultuur van de kleurlingen. De slaven kwamen overal vandaan. In mijn familie is een deel christelijk, een ander deel moslim. Het hoort bij mijn dagelijks leven. Al die verschillende culturen komen daar samen.

Sommige gedichten, de verhalen erin, lijken wel sprookjes.
Als mijn moeder mij iets vertelde was dat beknopt. Ik hoefde nooit naar lange verhalen te luisteren. Als ik vroeg waar ik vandaan kwam, zei ze: ‘Je denkt toch niet dat ze hun schepen zelf schoonmaakten? Ze hadden mensen om dat voor hen te doen. Daar komen we vandaan.’ In een paar regels legde ze zo het kolonialisme aan mij uit. Wat ik probeer… want het brengt zoveel schaamte omhoog een product van slavernij te zijn… mensen kenden hun vaders niet… is die vreselijke geschiedenis zachter te maken. Dat probeer ik. Zodat je het zonder schaamte kunt lezen. Je kunt het dan omhelzen en er zelfs trots op zijn.

Hoe zie je de toekomst. Welke boeken wil je gaan schrijven?
Er valt nog heel veel te schrijven. Eigenlijk zijn er teveel verhalen om op te schrijven. Ik ben dan ook dankbaar dat ik mag bepalen wat en waarover ik ga schrijven. Ik hoop mensen iets te kunnen leren via mijn poëzie.

Wat leerde jij van Antjie Krog?
Ze wilde mij op geen enkele wijze beïnvloeden. Het was vreemd. Ze zei: Ik kan je niets leren. Je hebt een eigen geluid, ik ga je helpen… meer niet. Ze wilde vooral dat ik dicht bij mijzelf bleef. Focus, focus, focus, daar ging het om. Ze maakte mij duidelijk dat ik goed schreef, talentvol was en iets te vertellen had. Dus weg met het ego, weg met de bullshit, respect voor je werk, respect voor dat wat je wilt gaan doen en doe dat serieus. Dat had ik nodig… een beetje discipline in mijn leven. Ze liet mij allemaal oude Afrikaanse gedichten lezen. Mensen die ik anders nooit was gaan lezen. Ze dwong me ertoe. En ik de hele tijd maar klagen. Ik wilde geen blanke poëzie lezen. Maar Antjie zei: Je moet weten wat er vóór jou in jouw taal geschreven werd. Door hen te lezen begreep ik hoe belangrijk het was dat ik schreef. Er is niemand anders die het op deze manier doet. Ik kwam er ook achter dat Antjie, net als ik, dol op Dylan Thomas was. Antjie begon zelf ook erg vroeg met schrijven. Ze was zestien toen ze voor het eerst publiceerde. Ze waarschuwde me voor alle valkuilen van het vak. ‘Oppassen voor de media. Ze weten niets en trekken zich daar niets van aan.’ Dat het beter was om gedichten te schrijven dan opiniestukken te publiceren.

Wie zijn naast Antjie Krog en Dylan Thomas je literaire voorbeelden?
Charles Bukowski en Raymond Carver. Ik zou willen dat ik kon schrijven als Carver. Hij gebruikt zo weinig woorden...
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)