Interview met Sayed Kashua
‘Wanneer de wortels in jezelf zitten, kun je overal aarden’
Door Guus Bauer (29 mei 2012)


Sayed Kashua (1975) schrijft columns voor het Israëlische dagblad Ha’aretz en is bedenker en scriptschrijver van de veelbekeken satire Arab Labor over een jong Palestijns gezin dat zich probeert aan te passen in Jeruzalem. Maar bovenal is Kashua romanschrijver.

In zijn boek Tweede persoon enkelvoud wisselen twee vertellers elkaar af: een gedreven Palestijnse advocaat heeft zijn zaakjes voor elkaar. Zo denkt hij althans. Op een dag vindt hij in een tweedehands boek – De Kreutzersonate van Tolstoj over een ongelukkig huwelijk dat in moord eindigt – een briefje in het handschrift van zijn vrouw. Zij bedankt iemand voor een heerlijke avond. De advocaat brandt van jaloezie en wil koste wat kost de toedracht achterhalen.

De tweede verteller is een jonge Arabische maatschappelijk werker, die naast zijn werk ’s nachts thuis bij een joodse jongen waakt die in coma is geraakt. Nadat hij met een vrouwelijke collega naar een feest is geweest, schrijft ze een lief bedankbriefje. Hij komt daarna niet meer opdagen op zijn werk en wijdt zich volkomen aan de jongen. Je zou kunnen zeggen dat hij helemaal in hem opgaat.

Langzaam komen de verschillende werelden in het boek bij elkaar.

U bent geboren en opgegroeid in Tiga, in de zogenaamde driehoek, de regio waar de meeste Arabische Israëliërs wonen. Hoe komt iemand van het platteland op een joods internaat in Jeruzalem?
Ik blonk op school vooral uit in de bètavakken. Mijn leraren vonden dat ik moest gaan studeren. Volgens hen had ik de meeste kans om verder te komen als ik naar de Israel Arts and Science Academy ging. Die school had begin jaren negentig een speciaal integratieprogramma. Palestijnse opleidingen doen qua onderwijsniveau niet onder voor de joodse scholen, maar het ontbreekt hen (internationaal) aan aanzien. Mijn vader, zo ongeveer de enige man van ons dorp die verder had geleerd, bracht me met de auto tot vlak bij de school. Ik was vijftien en heel onzeker.

Dat zal er op het internaat niet beter op zijn geworden?
Er zat op de hele school nog één moslim, een meisje in een van de hogere klassen die mij dus helemaal niet zag staan. Vooral in het eerste jaar heb ik er vaak aan gedacht om mijn ouders te vragen om me op te halen. Ik had mijn uiterlijk, mijn zware accent en mijn afkomst niet mee. Ik kende alle grote Arabische muzikanten en dichters, maar van de westerse cultuur wist ik zo goed als niets af. De Rolling Stones? Ik kende alleen de stenen die op het land van mijn opa terechtkwamen als het flink had gewaaid.

Uw familie behoort niet tot de zogenaamde nieuwkomers, de Arabieren van de bezette gebieden. U bent volledig Israëlisch staatsburger en toch een buitenstaander.
Toen in 1948 de staat Israël werd gesticht, trok men op een kaart een lijn. Ons Palestijnse dorp behoorde ineens tot de nieuwe zionistische gemeenschap. We kregen allemaal direct een Israëlisch paspoort. Toch zijn we altijd een soort tweederangs burgers gebleven. Dat is me in het begin op het internaat wel duidelijk gemaakt, al leken de opmerkingen nooit echt kwaad bedoeld. ‘Je praat als Arafat.’ De kleding en het voedsel waren me vreemd en ik sprak een soort basisschool Hebreeuws, meer de taal van de straat, niet van de literatuur. Ik stortte me op de lessen en begon grote Israëlische schrijvers te lezen en de Bijbel. Over de eerste roman heb ik een halfjaar gedaan. En het duurde lang voordat ik een eigen tekst openbaar durfde te maken.

De advocaat in uw boek doet ook van alles om geaccepteerd te worden. Hij koopt een veel te dure Mercedes, draagt maatpakken en heeft een prestigieus kantoor.
Ik denk niet dat het in eerste instantie gaat om het al dan niet accepteren. Hij wil laten zien dat hij iets heeft bereikt, wil niet meer constant vanwege zijn uiterlijk om zijn ID worden gevraagd. De man worstelt met zijn identiteit, zoals de gemiddelde Arabier met een Israëlisch paspoort, vermoed ik. Hij komt net als ik uit een dorp en ondanks de sushi en de dure witte wijn die hij voor zijn ‘nieuwe vrienden’ haalt, mist hij het eten dat zijn moeder voor hem maakte. Het gevecht tussen het stadse leven en dat op het platteland. De stad die in mijn jeugd altijd werd afgeschilderd als de plaats waar het kwaad huist. Op dit moment gebeuren de ergste dingen trouwens eerder in de Arabische dorpen.

Het briefje dat de advocaat vindt, heeft eigenlijk weinig om het lijf. Waarom schokt het hem toch zo?
Het is iets waar hij nooit aan heeft gedacht. Zijn paranoïde reactie valt te verklaren uit de traditie waaruit hij voortkomt. In het bijzijn van zijn nieuwe vrienden, over het algemeen allemaal de eerste mensen van een familie die naar de universiteit zijn geweest, poneert hij moderne ideeën. Weliswaar is hij keihard in zijn vak en in zijn privé-streven, maar eigenlijk is hij een verlegen, vrij traditionele jongen die altijd deed wat anderen van hem verwachtten. Totdat dit op zich onbeduidende briefje opduikt. Dan gaat hij in feite op een onderzoekingstocht. Naar de waarheid achter het briefje én de waarheid in zichzelf.

Aan de ene kant is hij trots op zijn vrouw dat ze kennelijk zo vrijgevochten is, aan de andere kant denkt hij aan extreem geweld en een scheiding bij de sharia-rechtbank.
Hij twijfelt aan de juistheid van beide systemen die in zijn borstkas vechten. De verwarring over een Palestijnse identiteit in een joodse omgeving heeft hij voorheen weggedrukt, net zoals ik in die tijd. Tijdens zijn schooljaren wilde hij alleen maar de beste zijn, gedurende de eerste jaren van het huwelijk is hij alleen maar bezig geweest met zijn carrière en het leggen van een basis voor zijn kinderen. Hij is de man van de status quo, maar eigenlijk wakkert het bij hem voor het eerst echte gevoelens aan voor zijn vrouw. Misschien dat hij pas voor het eerst echt liefde voor haar voelt.

U schrijft in het Hebreeuws. Stelt u zich daarmee niet bewust als buitenstaander op?
Een van mijn professoren zei dat ik nooit geaccepteerd zal worden als Israëlisch auteur, ook al schrijf ik in het Hebreeuws. Hij was de mening toegedaan dat ieder in zijn landstaal moet schrijven. Tweede persoon enkelvoud is mijn derde roman en langzamerhand word ik door ‘beide kampen’ geaccepteerd, alhoewel nog steeds veel Arabieren het bezwaarlijk vinden dat ik mijn eigen gemeenschap bekritiseer in ‘de taal van de vijand’. Maar het schrijven in deze taal heeft mijn manier van denken beïnvloed, genuanceerd. Bovendien is mijn Arabisch waarschijnlijk nu niet meer goed genoeg om zelfs een kort verhaal te schrijven.

In uw roman worden de ‘Arabieren van 1948’ uitgescholden voor halve joden.
Zelfs in ons ‘eigen kamp’ is er verdeeldheid. De nieuwkomers van de bezette gebieden hebben weliswaar een permanente verblijfsvergunning, maar mogen niet stemmen, hebben geen Israëlisch paspoort en hun opleidingen worden door de staat niet erkend. Op de scholen op de Westbank wordt geen Hebreeuws gegeven. Zij strijden voor inlijving bij een onafhankelijke Palestijnse staat. Daar zijn wij niet mee bezig. Zij zien ons als een soort ‘collaborateurs’, terwijl wij door de staat zelf als een demografisch probleem worden gezien, een vijfde colonne wellicht. De rest van de Arabische wereld bekijkt ons ook met argusogen. Palestijn én Israëli, hoe is dat mogelijk? Het leven is niet gemakkelijk. Over die paradox schrijf ik.

De jonge maatschappelijk werker gebruikt af en toe de ID van de joodse jongen die in coma ligt. Net als de advocaat neemt hij, letterlijk in dit geval, een andere identiteit aan.
De mensen uit Oost-Jeruzalem weten dat ze in het Westen eigenlijk niet welkom zijn, of in elk geval op hun tellen moeten passen. De maatschappelijk werker wil als kelner werken in een restaurant. Met zijn eigen paspoort zou hij alleen afwasser kunnen worden. Beide werelden zitten vol met vooroordelen, angst, haat en racisme. En er is ook onderling bij de Arabieren een sterke competitie. De advocaat kan het zich eigenlijk niet veroorloven om die dure Mercedes te kopen, maar hij kan niet onderdoen voor zijn collega, onder het motto: alleen als je heel veel succes heb, kun je overleven. De joodse gemeenschap is minder competitief omdat ze hun zaakjes al generaties voor elkaar hebben. Om dit alles te vermijden, ben ik misschien wel een individualist geworden. Mijn kinderen hebben een soort natuurlijke antenne ontwikkeld. Zij weten precies wanneer ze in het openbaar beter Hebreeuws dan Arabisch kunnen praten.

Is het niet lastig om een keuze te maken in de cultuur die u doorgeeft?
Er is in de loop van de geschiedenis te veel gehamerd op het land als belangrijke bron. Letterlijk het lapje grond van de voorvaderen. Wanneer de wortels in jezelf zitten, kun je overal aarden. En wat is ‘thuisland’ voor een Palestijn? Hoogstens het dorp waar hij geboren is.

Het af en toe opnemen van een Arabier op een joodse school, lijkt voornamelijk gestoeld op politieke motieven. Was u een excuus-Arabier?
Alhoewel er gemakkelijk fondsen zijn te werven in Europa en Amerika zodra het vrede in het Midden-Oosten betreft, geloof ik wel dat de basis voor dergelijke initiatieven partnerschap is. De politieke situatie is uiterst moeilijk. Als er te veel Arabische kinderen op een joodse school zitten, dan worden ze na de zesde klas er vanaf gehaald. Dat heeft weer met groepsgedrag te maken. Op die leeftijd ben je ontvankelijk voor andere ideeën en ontstaan relaties. Men wil liever niet dat de kinderen worden aangezien voor een soort ‘linkse verraders’ die ook nog eens komt aanzetten met een Arabisch vriendje of vriendinnetje.

Moet u nog vaak uw paspoort laten zien bij een checkpoint?
Toen ik nog in Oost-Jeruzalem woonde, moest ik me dagelijks legitimeren. Nu heb ik een flat gekocht in het Westen. Nog maar zelden wordt er om mijn ID gevraagd. Ik zorg overigens wel dat ik altijd een boek in het Hebreeuws bij me heb. In de bus houd ik altijd heel ostentatief het omslag half voor mijn gezicht.

De maatschappelijk werker komt trouwens om in het werk. Is er een groot drugsprobleem in Jeruzalem.
Sinds een nieuwe wet uit 1993 moet iedereen die in de Oude Stad van Jeruzalem staat ingeschreven, daar verplicht wonen. Men mag niet elders een huis bouwen. Veel van de mensen die in de dorpen rond Jeruzalem woonden, moesten terug omdat ze anders hun verblijfsvergunning verloren en de toestemming om te werken. Dat heeft tot overbevolking, armoede en drugsgebruik geleid.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)