Interview met Sofi Oksanen
‘Men realiseert zich vaak niet dat er ook nu een propagandaoorlog woedt’
Door Guus Bauer (6 februari 2014)
Sofi Oksanen (1977) groeide op in Finland als dochter van een uitgeweken Estse moeder. Na de kunstacademie en een studie literatuur aan de universiteit van Helsinki begon zij de geschiedenis van het land van haar moeder ‘van binnenuit’ op te tekenen. Haar vorige roman Zuivering was haar doorbraak. Hij verscheen in veertig talen en werd verfilmd.

De langverwachte opvolger Als de duiven verdwijnen handelt achtereenvolgens over de Russische invasie in Estland, de bezetting door de nazi’s en de daaropvolgende Sovjetperiode. De neven Roland en Edgar houden zich schuil in de Estse oerbossen van waaruit ze verzet plegen tegen de Russen. Ondertussen rukken de legers van Hitler op naar de Baltische staten. Moeten de Duitsers binnengehaald worden als bevrijders? Roland gelooft na de mysterieuze dood van zijn verloofde nog slechts in een onafhankelijk Estland en zal daar altijd voor blijven strijden, Edgar denkt carrière te kunnen maken in het nieuwe rijkscommissariaat.

Mechanisme van valse informatie
Oksanen: ‘Veel studies over de geschiedenis van Estland in de Tweede Wereldoorlog en de tweede helft van de vorige eeuw baseren zich nog steeds op Sovjetbronnen. Ik wilde het mechanisme van valse informatie deconstrueren. De historie is, zeker in totalitaire staten, geen wetenschap. Er kleeft altijd een politiek aspect aan de geschiedschrijving. Rusland, de Sovjetunie en de huidige erfgenaam van het communistische imperium hebben nooit erkend dat er sprake was van occupatie. Zij zagen en zien zichzelf als bevrijders, de helpende hand van de grote broer uit Moskou.’

Als de nazi’s door het Rode Leger zijn verdreven en de Estse Socialistische Sovjetrepubliek is gevormd, wordt Edgar naar een strafkamp in Siberië verbannen. Hij collaboreerde immers niet alleen met de nazi’s, maar was eind jaren dertig ook nog eens verzetsstrijder tegen het eerste Russische regime. Wonder boven wonder weet hij terug te komen, neemt het pseudoniem Edgar Parts aan en stijgt in de hiërarchie van de KGB, de veiligheidsdienst van de Sovjetunie.

Paranoia
‘Mensen vragen zich af hoe het kan dat een mens zo gemakkelijk van ideologie kan wisselen, als ware het een andere jas. Waarom wordt iemand een geheime informant? Hoe definieer je opportunisme? Totalitaire regimes leven op angst en privileges. Moeders deden om het even wat om hun zoon in leven te houden. Als ze over de buurman rapporteerden kon hun kind misschien gaan studeren of hoefden ze niet nog een paar jaar op een autovergunning te wachten. Het zijn systemen die paranoia in de hand werken.

Doorgaans gaat dat gepaard met een tekort aan vrijwel alles en heb je dus een netwerk nodig om in de simpelste dagelijkse behoeftes te kunnen voorzien. Vrienden moeten nuttig zijn. Het is erg gemakkelijk om het te veroordelen als je in een democratisch land leeft. Er zijn natuurlijk ook mensen die nieuwsgierig van aard zijn, die graag anderen bespioneren. Het meest fanatiek en ook het gevaarlijkst zijn degenen die het uit puur idealisme doen, die blind in de zaak geloven.’

Echt en vals
Edgar krijgt de opdracht om een groot historisch werk over Estland in de twintigste eeuw te schrijven. Met zijn schrijfsels probeert hij daarnaast zijn eigen rol te verdoezelen en voor zichzelf te legitimeren.

‘Edgar heeft echt bestaan. Hij heeft een groot aantal boeken en artikelen geschreven. Ik kwam zijn naam laatst nog tegen in het dankwoord van een Amerikaanse uitgave over luchtvaartgeschiedenis. Hij werd daar klakkeloos geciteerd terwijl hij partijgericht schreef. Hij kon natuurlijk ook niet anders. Alles dat gedrukt werd, ondersteunde de officiële waarheid. Natuurlijk zijn er feiten ingesloten in zijn werk. Dat is het grote probleem van politiek gekleurde geschiedschrijving: echt en vals in dezelfde pot is lastig te scheiden. De geschiedenis van Estland in de twintigste eeuw is door de ogen van buitenstaanders geschreven. De research voor deze roman was daarom extra lastig.’

Geheimtaal
Parts krijgt voor zijn studie toegang tot allerlei verboden materiaal, ook een dagboek, waarover hij alleen kan concluderen dat het van zijn neef Roland moet zijn.

‘Feitelijk schrijft Roland als enige in deze roman echt geschiedenis, letterlijk en figuurlijk. In die tijd was het gevaarlijk om een dagboek bij te houden, maar ik had iemand nodig die in de ik-vorm schreef. Een ooggetuigenverslag kon in die dagen alleen maar misbruikt worden om de loop der zaken om te buigen naar een voor de het regime passende geschiedenis. Dictators misbruiken per definitie de taal. Iemand die de gebeurtenissen had willen vastleggen, had eufemismen dienen te gebruiken, tussen de regels moeten schrijven. Al zoekt de censor achter elke tekst, al is het bij wijze van spreken een liefdesbrief of een kladje met dagelijkse beslommeringen, een subversieve bedoeling. Dat moet wel geheimtaal zijn.’

‘Ik wilde een boek schrijven over hoe propaganda werkte en nog steeds werkt. Men realiseert zich vaak niet dat er ook nu een propagandaoorlog woedt.’

Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)