Interview met Stewart O’Nan
‘Schrijven ís ook op een andere manier naar de wereld kijken’
Door Fleur Speet (1 maart 2009)


Razendsnel praat Stewart O’Nan (Pittsburgh, 1951), precies zoals z’n vertaalde roman Sneeuwengelen leest. Hij vertelt vrolijk en opgeruimd over het schrijverschap, maar Sneeuwengelen, zijn romandebuut uit 1994 dat nu is verfilmd en vertaald, is hoofdzakelijk een serieus verhaal, een donker verhaal vooral, dat zich afspeelt in een stadje op 35 mijl van Pittsburgh. De ouders van de puber Arty Parkinson gaan scheiden en daardoor worden zijn prille seksuele gevoelens geschaad. Daar doorheen loopt het verhaal over zijn voormalige oppas, Annie Marchand, en haar ex-vriend Glenn. Annie wordt vermoord, Arty vindt haar vermoorde dochtertje. Wat O’Nan triggerde was een berichtje uit de krant waarin stond dat een moeder haar kind kwijt was, een kidnapping voorwendde, maar uiteindelijk dat kind vermoord bleek te hebben. Hoe kan het dat een moeder daartoe overgaat? Dat zit niet meer in de roman, maar het boek onderzoekt wel hoe liefde verandert in haat, de verplichtingen die kleven aan liefde en ons onvermogen om het verlies van liefde te voorkomen.

O’Nan was voor hij begon te schrijven vliegtuigingenieur. De manier waarop hij leest en literatuur ontleedt stamt daar vanaf. Hij deelt de tekst in stukken op en onderwerpt die aan een nauwgezet onderzoek: welke technische middelen zet een auteur in zodat ieder klein literair-technisch probleem is opgelost en het geheel overtuigend overkomt? Hij legt zijn loep op ieder detail en onderzoekt het als een elektromonteur. De schrijver vertelt: ‘In een roman kan álles, je kunt spelen met alle conventies. Dat schept een enorme vrijheid. Steeds moet je je afvragen hoe je iets het beste en met de meeste zeggingskracht kunt overbrengen. Doorgaans is zo economisch mogelijk werken het succesvolst; hoe minder je vertelt, hoe meer zeggingskracht de woorden krijgen.’

Toch is een roman schrijven geen totale vrijheid. De keuze voor bepaalde karakters begrenst de mogelijkheden al.
‘Dat is waar. Soms echter kan een technische keuze het verhaal verdiepen. Zoals de kunstgreep in Sneeuwengelen, waar ik een eerste persoon in een derde persoon inbed, zodat de derde persoon eigenlijk de eerste persoon is die zijn leven aanschouwt als een ander. Het maakt het boek volgens mij emotioneler. Iedere schrijver hoopt dat hij de vonk te pakken krijgt waarmee de emotionele wereld van een personage tot leven komt. Daar draait het immers allemaal om, dan zal een lezer weer terugkeren naar dat boek. Zo’n vonk slaat zelden over, maar als het gebeurt, is het magie.’

Welke schrijvers vonken voor u?
‘Ik herlees vaak To the Lighthouse van Virginia Woolf. Maar ook Alice Munro, The Begger Maid: Stories of Flo and Rose en Lives of Girls and Women. Amerika kent een geschiedenis van geweldig goede vrouwelijke auteurs. Jayne Anne Phillips, Flannery O’ Connor, ik noem er maar een paar. Hoezo zouden die te veel over emoties schrijven? Iedere roman gaat toch over emoties? Veel mannelijke auteurs in de jaren zeventig en negentig creëerden superingewikkelde literatuur. Ze schreven over het schrijven; kijk eens hoe knap ik dit kan, leken ze daarmee te zeggen. Maar daar gaat literatuur niet over, het is geen kunstje zonder diepte. Het kunstje dient namelijk een doel. Schrijven gaat over mensen, lezers willen weten wat andere mensen doen en denken en voelen. Ze willen een sprong wagen in een nieuw omhulsel, een ander mens zijn, een vreemd leven leiden. Schrijvers die daartoe een poging wagen, betekenen het meeste voor me. Die verhalen hoeven niet flitsend te zijn, ze kunnen heel stil, eenvoudig en rustig zijn.

De laatste zes jaar keer ik steeds terug naar Alice Munro om te leren wat belangrijk voor ons is, waar wij mensen in de kern om geven. Er schuilt zoveel intimiteit in haar werk. Als ik haar verhalen ontleed maak ik gedetailleerde aantekeningen. Soms gebruik ik een zo opgespoorde techniek pas jaren later, het blijft in m’n systeem zitten tot het van pas komt. Het is een enorm genoegen om te kunnen zien hoe een echte genius een verhaal componeert.’

Wordt u daar geen Alice Munro-kloon van?
‘Als je beïnvloed wordt door iemand van zo’n geweldige statuur kan je werk alleen maar beter worden. Daarbij, je neemt altijd jezelf mee als je schrijft; je natuurlijke preoccupaties, je thema’s, je emoties kun je nooit verbloemen. Nee, ik ben dankbaar als ik een Munro-kloon genoemd word, ik beschouw dat als een enorm compliment.’

U publiceerde hoofdzakelijk romans, wat boeit zo aan korte verhalen?
‘Ik publiceerde in 1993 een verhalenbundel. Veel verhalen staan in bloemlezingen of tijdschriften. Deze zomer komt in Amerika een tweede verzamelbundel van me uit. Bovendien is Everyday People uit 2001 een roman in verhalen, maar als je op de kaft zet dat het om verhalen gaat, verkoopt het niet. Een korte roman, zoals Last Night at the Lobster uit 2007, die in manuscript zo’n honderd pagina’s besloeg, ga ik te lijf met het gereedschap van het korte verhaal. Een korte roman overspant een kleinere ruimte, ik beschouw het als een lyrische vorm waarin je kunt zingen. Een roman vergt veel meer organisatie, de lezer blijft niet 200 pagina’s stil zitten, dus moet je veel harder werken om de lezer te verleiden.’

Met het thema van Sneeuwengelen, dat gaat over de hopeloosheid, is dat wel moeilijk.
‘Ja, maar de visie dat je niets verandert aan het leven, ís het leven. Arty en Annie zitten allebei gevangen in hun eigen hopeloosheid. Er is geen uitweg, ze schermen zich af van de wereld. Dit is hun verhaal, meer is er niet. Het is een compact boek, mooi voor een debuut. Ik hou heel erg van het boek omdat ik van Arty en Glenn hou en ik verheug me erop dat het boek nieuwe lezers krijgt. Dat mensen Glenn en Arty kunnen ontmoeten, dat ze nog nieuw voor hen zijn, dat vind ik een spannende gedachte.’

Omdat ze op een andere manier naar de wereld kijken?
‘Onder meer. Schrijven ís ook op een andere manier naar de wereld kijken. Je eigen wereld, de werkelijkheid en die van je personage laten samenkomen, dat is de grote uitdaging. Als je je vereenzelvigt met je hoofdpersoon, neem je andere details waar. Dat is zo spannend, opeens ligt een andere wereld voor je voeten en valt er van alles te ontdekken. Het blijkt een enorme schatkist die je nog nooit hebt opengemaakt. Dat is het leukste proces aan schrijven, het stadium van waarnemen en opzuigen. Tegelijk is het een vreemde paradox dat de denkbeeldige wereld de echte wereld interessanter maakt. Als lezer heb je dat niet, dan wil je juist die onechte wereld induiken. Het is de taak van de schrijver om de wereld in het boek te denken, dat maakt het beroep van schrijver zo geweldig boeiend en uitdagend. Opeens zie je boodschappen die je niet zag en ventileer je meningen die je niet kende. Langzaamaan wórd je die ander.’

Of je komt op voor een ander. Tien jaar geleden schreef u een enorm betoog van 10.000 woorden over Richard Yates. U pleitte voor eerherstel.
‘Hij dreigde vergeten te worden. Ik stelde dat er drie dingen moesten gebeuren: ten eerste moest een redacteur zich om zijn werk bekommeren, ten tweede diende er een grote biografie te verschijnen en ten derde zou een van zijn werken moeten worden verfilmd. Dat is gelukkig alledrie gebeurd. Met de verfilming van Revolutionary Road heeft hij een heel nieuw bereik gekregen dat hij verschrikkelijk verdient. Zijn verhalenbundel Veertien soorten eenzaamheid is een klassieker. Zijn reputatie is misschien veiliggesteld. Het kan, dat blijkt. Het werk van Faulkner was compleet uit het zicht verdwenen, maar kwam weer opnieuw in druk en hij kreeg de Nobelprijs. Eén redacteur op de juiste plek bewerkstelligde dat Faulkner terugkwam. Je wilt natuurlijk dat je werk op zichzelf leeft en succesvol is, maar soms heeft het steun nodig. Je hoopt altijd dat iemand met een goede smaak en een machtige positie iets kan uitrichten.’

En uw eigen carrière?
‘Die hangt van los zand aan elkaar. Iedere roman die ik schrijf is volkomen anders dan de vorige. Omdat ik graag heel verschillende boeken lees, schrijf ik ook heel verschillende boeken, zelfs een non-fictiewerk met Stephen King. Het voordeel daarvan is dat ik volkomen vrij ben om te schrijven hoe ik wil. Niemand verwacht van mij een doorwrochte filosofische roman met vijfentwintig betekenislagen. Het enige nadeel is dat uitgevers niet weten wat ze aan me hebben. Daardoor switch ik geregeld van uitgeverij, want er wil nog wel eens een redacteur schrikken van mijn manuscript. Ik hoop dat ik in Nederland bij uitgeverij Cossee kan blijven, waar in tegenstelling tot bij de grote Amerikaanse uitgevershuizen, wél persoonlijke aandacht is en het lef om voor een vol oeuvre te gaan, hoe divers dat ook mag zijn. Ik vind het fantastisch dat ik daardoor de kans krijg een compleet nieuw publiek te bereiken. Dat is minstens zo spannend als de fase van het opzuigen van de werkelijkheid voor een roman!’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)