Interview met Theodor Holman
‘Ik was een marxist die de wereld wilde verbeteren’
Door Guus Bauer (14 juli 2010)


Theodor Holman staat vooral bekend als columnist van Het Parool en De Groene Amsterdammer, als radio- en tv-maker en als scenarist. Een man met een uitgesproken mening. Zijn schrijverschap raakt daardoor soms onterecht wat op de achtergrond. Het blijft toch familie is een klassieker, hartverscheurend in alle luchtigheid. Opnieuw slaagt Holman er met De plant die muziek maakte in om hilarische en pijnlijke scènes te vervlechten.

Na twee boeken over Theo van Gogh (Theo, Theo en Theo is dood) hebt u met De plant die muziek maakte een verrassend subtiel fictiewerk geschreven. Al blijft het moeilijk om in de hoofdpersoon columnist Ferdinand Laakman niet de journalist Holman te zien. Vanwaar ineens deze haakse bocht?
Het is eerder een flauwe bocht. Mijn dochter is redacteur bij uitgeverij Prometheus. Ze vroeg me met wat voor boek ik aan het schrijven was. Ik had wat ideeën. Zij suggereerde om een keer het verhaal te vertellen over de marxistische kunstenaarskolonie waarin ik in mijn jonge jaren een tijd heb gewoond. Het boek heeft dus wel een autobiografisch uitgangspunt, maar daar blijft het bij. Ik moest het in een romanvorm gieten omdat een hoop mensen nog leeft.

Daardoor is het een mooi retrospectief geworden over een tijd vol idealisme.
Ik was toen heel erg geïnteresseerd in het marxisme. Hoe ik nu ben, een ‘anarcho-liberaal’ zou je kunnen zeggen, is te verklaren uit mijn toenmalige gedachtegoed. Het is voor een roman een mooi gegeven om te laten zien dat een persoon tegelijk dezelfde is gebleven én enorm veranderd is. Ik was niet zo erg als de hoofdpersoon, maar ik was een marxist die de wereld wilde verbeteren. Daar kijk ik in deze roman op terug. Tegelijkertijd wilde ik voor mijn dochter schetsen hoe men in die tijd dacht.

Laakman heeft elk idealisme verloren.
Het afscheid nemen van je idealisme, wat ik gedaan heb, vertoont heel veel overeenkomst met het afscheid nemen van je geloof. Instituties geven ook houvast. Je hoeft alleen maar te zeggen dat je je idealen nastreeft, zelfstandig denken is dan bijna niet meer nodig. Ook kun je er je seksualiteit en je artisticiteit aan ontlenen. Vandaar dat het straattheater dat wij in de plaatsen rond de (Franse) commune maakten zo’n belangrijke plek in de roman heeft gekregen. Het bezig zijn voor ‘het hogere doel’ als rechtvaardiging voor geringe artistieke capaciteiten. Een thema waar ik nog niet klaar mee ben.

Orli, de tegenspeelster van Laakman, is nog steeds een ‘onverbeterlijke wereldverbeteraar’.
Laakman was vroeger verliefd op haar omdat ze toen boven hem stond. Een onbereikbare liefde. Een femme fatale, zoals je dat, denk ik, alleen maar kan ervaren als je jong bent. Laakman is cynisch geworden. Maar het lukt hem niet om haar ‘geloof’ kapot te krijgen. Dat irriteert hem, maar ontroert hem tegelijk ook. Dat effect wilde ik ook bij de lezer teweegbrengen. Langzaam moet duidelijk worden waarom ze naast irritant ook aandoenlijk is. Orli verbeeldt ook een soort consequent politieke manier van denken die haar sterkt en ook nog steeds artistiek drijft.

Laakman heeft zijn vrienden ‘verraden’?
Hij heeft het marxistische gedachtegoed allang achter zich gelaten. Het afscheid nemen van je idealen van vroeger betekent verraad aan je vrienden uit die tijd, maar in zekere zin ook verraad aan jezelf. Dat is een moeilijk proces dat ik aan den lijve heb ondervonden. Ikzelf ben politiek rechts geworden. (Al zou ik SP kunnen stemmen, maar dat komt doordat ik een opportunistisch stemmer ben geworden.) Die ruk naar rechts heb ik lang verzwegen. Het is moeilijk om dat toe te geven wanneer je bent onderwezen in het marxisme. Wanneer je die leer op de maatschappij gaat toepassen, dan word je keer op keer teleurgesteld. Het is net als met iemand die in god gelooft. Die denkt: god kan niet bestaan, maar als ik dat denk dan vallen Genesis, de kerk, de Bijbel en de familie weg. Het is moeilijk om de instituties die je beschermen in de ban te doen. Die worsteling heb ik ook gehad na mijn afscheid van het marxisme. In mijn personage Laakman is dat uitvergroot. Ik heb een boek willen schrijven over hoe het is om je idealen te verliezen terwijl je tegelijkertijd aan die idealen veel te danken hebt.

Heeft het lang geduurd voordat u uw engagement hebt opgegeven?
Ik had het snel door dat het, in elk geval voor mij, niet functioneerde. Maar toch wilde ik het nest niet verlaten. Zoals je soms ‘voor de lieve vrede’ ook in een slechte relatie blijft hangen. Zo ben ik een hele tijd bij de Partij van de Arbeid gebleven omdat ik dacht dat het redelijke mensen zijn. Maar ik ben me steeds meer gaan ergeren aan de borstklopperij. ‘Wij zijn de mensen met een geweten.’ Ook in de commune zag je dat het beter ging zodra er economische groei optrad, maar dat ging tegen de principes in. Dus werd er geld achtergehouden en was er corruptie. Je wilt als je jong bent niet toegeven dat ‘je ideale maatschappij’ niet werkt.

De linkse reflex?
Er zijn ergens in Afrika honderdduizenden die honger lijden. Daar moet een actie voor worden begonnen. Die reflex is op zich goed en sympathiek, maar het is ook naïef. Het is niet de manier om de problemen op te lossen. De kwartjes die we inzamelen gaan naar de verkeerde mensen. Op die manier doen we iets aan ons eigen medelijden. Kijk ons eens correct zijn. Die aflaten zorgen voor een misplaatste kijk op de samenleving. De politiek moet die kwesties oplossen. Een harde kijk op dergelijke zaken wordt je door de goegemeente zeer kwalijk genomen. ‘Wat ben jij onmenselijk’.

Eet je bordje leeg, want in Afrika hebben ze honger?
We zijn met dat beginsel opgevoed. Dat engagement dat je dan hebt, en wat ik vroeger heel sterk had, en waarom ik in mijn jeugd marxist was, dat is een vals engagement. En daar gaat dit boek over: over het verlaten van dat valse engagement. Je bent er zelf uit, maar voelt je toch ongemakkelijk bij het onderliggende verraad. En er speelt ook nog een tweespalt mee tussen enerzijds terugverlangen naar de tijd en tegelijkertijd echt niet meer terug kúnnen.

Een literair thema dat in deze roman heel subtiel is uitgewerkt.
Ik was er nooit opgekomen als Theo van Gogh niet was vermoord. Daardoor kwam ik in aanraking met problemen die ik allang voor mijzelf had opgelost: bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en de emancipatie van homoseksuelen.

De plant die muziek maakte is heel filmisch geschreven.
Ik ben natuurlijk scenarist van beroep. Vooral van het monteren van films heb ik veel geleerd. Dit boek heb ik opgebouwd in de stijl van de Franse Cinema van de jaren zestig en zeventig. Enigszins filosofisch, geëngageerd, existentialistisch. Alles waar we toen mee bezig waren. Altijd maar weer die Sartre.

Laakman heeft niet zo’n sterke ruggengraat. Hij kan moeilijk sociale contacten onderhouden. Hij is niet egoïstisch maar wel egocentrisch. Billy Wilder portretteert altijd dit soort personages. Mensen die een onvermogen hebben om te leven. Denk aan Sunset Boulevard. Een journalist, totaal aan de grond, die het leven moet beschrijven van een totaal uitgerangeerde actrice. Voordat ik zijn films zag beschreef ik ook al dat soort persoonlijkheden, maar daarna dacht ik: dat kan ik uitdiepen.

Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)